© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Vooraf, zie kaart links, muisaanwijzer erop en klik voor vergroting: Austrasië was het noordoostelijk deel van het Merovingische koninkrijk, en besloeg het oosten van het huidige Frankrijk, het westen van Duitsland, België ten oosten van de Schelde en delen van Nederland. De hoofdstad van het rijk was Metz, hoewel sommige koningen ook vanuit Reims regeerden. Na de dood van de Frankische koning Clovis in 511 werd zijn koninkrijk verdeeld onder zijn vier zonen. Theuderic I van Austrasië kreeg het oostelijke deel. Austrasië leefde constant in spanning met zijn buur, Neustrië. In 613 werden de twee rijken overgenomen door Chlotharius II, met hulp van de Austrasische hofmeier Pepijn van Landen en de Frankische edelman Arnulf van Metz, leiders van de aristocratische opstand tegen koningin Brunhilde van Austrasië. Hij vestigde zijn hoofdstad in Parijs. De twee rijken vielen echter snel weer uiteen. Pas toen hofmeier Pepijn van Herstal in 687 Neustrië overwon in de Slag bij Tertry, werden de twee rijken definitief verenigd. Toen diens kleinzoon, Pepijn de Korte, in 751 koning der Franken werd en Bourgondië ook overwon, begonnen de namen en binnengrenzen te vervagen, en werd alleen nog maar gesproken over het Frankische Rijk. Clemens Willibrord, ook Willibrordus genoemd was een rooms-katholieke aartsbisschop en missionaris van Angelsaksische (in Engeland gevestigde oorspronkelijk Germaanse stammen) afkomst. Willibrord is een christelijke heilige en staat ook bekend als de "apostel der Friezen", soms ook als "apostel van de Lage Landen". Willibrord werd geboren als zoon van pas bekeerde ouders en werd als zevenjarige jongen door zijn vader Wilgis als oblaat (in een klooster opgevoed met het doel om later te zullen intreden) toevertrouwd aan het klooster van Ripon nabij York in Engeland, voordat zijn vader zelf als kluizenaar ging leven. In Ripon groeide Willibrord op onder invloed van Sint-Wilfridus (Egbert), de bisschop van York. Wilfrid verzette zich tegen de toen heersende Keltisch-katholieke traditie en was een voorstander van de Romeinse ritus. Op zijn 20e vertrok Willibrord naar Ierland. In de Abdij van Rathmelsigi onderwierp hij zich aan een regime van strenge tucht. Tien jaar later, hij was toen 30 jaar oud, werd hij daar in 688 tot priester gewijd. Volgens de latere schrijver Alcuinus was Willibrord vervuld van de geest van "peregrinatio", de mystieke wens om het aardse thuis te verruilen voor de bekering van heidense volken en reisde Willibrord in 690 met elf of twaalf gezellen, onder wie Werenfried van Elst, via het huidige Katwijk naar Friesland om het voorbeeld te volgen van Jezus Christus die rondtrok om zijn boodschap te verkondigen. Willibrord begon daar met zijn kersteningsmissie (de Friezen hun oude religie laten inruilen voor het geloof in het christendom) van de Friezen, die zich soms tegen de kerstening (bekering) hadden verzet. Van daaruit bezocht Willibrord een groot gebied dat zich uitstrekt van de Lauwerszee tot België en Luxemburg toe. In tegenstelling tot de missioneringpraktijk van de Iers-Schotse monniken, die bij de evangelisatie geen systeem hanteerden, organiseerde Willibrord zijn missionering pragmatisch en doordacht. Zo zocht hij eerst de bescherming van de Pepinidische hofmeier Pepijn van Herstal, die zo rond 690 het dan toe Friese rivierengebied rondom Utrecht en Dorestad op de Friese koning Radboud had veroverd. Ook verzekerde hij zich van pauselijke goedkeuring. Na twee moeilijke reizen naar Rome werd hij in 695 door paus Sergius I tot aartsbisschop der Friezen gewijd, waarbij een oud Romeins fort in de Utrechtse binnenstad (Castellum Traiectum) zijn zetel werd. Bij zijn wijding kreeg Willibrord van de paus de voornaam Clemens toegekend. Door de steun van Pepijn van Herstal kreeg Willibrord van de Frankische adel een grote hoeveelheid landgoederen geschonken. Hij was de oprichter en bouwer van heel wat kerken en kloosters. Willibrord ontving in 698 de eerste helft van een groot landgoed van Irmina van Oeren, een abdis nabij Trier (Duitsland). Irmina was de moeder van Plectrudis, de vrouw van Pepijn van Herstal. Toen Pepijn van Herstal hem later ook het resterende deel van dit landgoed schonk, was Willibrord in staat om de Abdij van Echternach (Luxemburg) te stichten. In deze abdij bereidde hij zijn missietochten naar Frisia (zie kaartje rechts), Thüringen (Duitsland) en Denemarken voor. Na de dood van Pepijn van Herstal in 714 brak in het Frankisch koninkrijk de Frankische Burgeroorlog uit. Hierdoor werd Radboud in de gelegenheid gesteld om zijn verloren gebieden in Midden- Nederland, waaronder Utrecht, weer terug te veroveren. Pas toen Karel Martel Utrecht definitief veroverd had op Radboud, kon Willibrord zich blijvend in Utrecht vestigen. In 719 ontving Willibrord bezoek van Bonifatius, die na een verblijf van drie jaar naar de Germaanse landen vertrok om daar te gaan kerstenen (mensen bekeren tot het christelijk geloof). Willibrord stelde zich bij zijn missie in dienst van het naar expansie strevende katholieke Frankische rijk van Pepijn van Herstal. In de voetsporen van diens veroveringen probeerde Willibrord in de veroverde gebieden het katholicisme te verspreiden. Daarbij gebruikte hij desnoods geweld. Bonifatius, ook wel Bonifacius, geboortenaam: Wynfreth (Winfried) (nabij Exeter in Zuidwest-Engeland, gedood bij Dokkum, 5 juni 754 of misschien in 755, was een van de belangrijkste missionarissen en kerkhervormers in het Frankische rijk, bisschop, martelaar en heilig verklaarde. Bonifatius wordt ook de Apostel van de Duitsers genoemd. Meer nog dan missionaris was hij de inrichter van de kerkelijke structuren in het gebied van het huidige Duitsland en, wat evenzeer cruciaal is geweest, de binding daarvan aan de Heilige Stoel (de Paus). Bonifatius werd zo de architect van het christelijke West-Europa, omdat hij een groot aandeel had in de grondvesting van de kerk van Rome en in de groei naar culturele eenheid van West-Europa. Er zijn verscheidene werken geschreven over het leven van Bonifatius, van kort na zijn dood tot ongeveer 1100. Volgens de door Willibald geschreven vita, ongeveer dertien jaar na zijn dood, werd Bonifatius als Winfrid of Wynfrith geboren in een adellijke familie. Als familieleden van Bonifatius wordt ook wel vermeld Richard van Wessex, Willibald van Eichstätt, Winnibald en Walburga. Waarschijnlijk was Crediton in Devonshire zijn geboorteplaats. Willibald beschrijft hoe de jonge Winfried zich tegen de wil van zijn vader al wilde wijden aan het kloosterleven. Toen zijn vader dodelijk ziek werd en bijna overleed, zag hij dat als een teken, gaf hij toe en vertrouwde de zevenjarige Winfried als puer oblatus (opvoeding en later intreden) toe aan het klooster. Hij kreeg zijn opvoeding en theologische scholing in de abdijen van Exeter en Nhutscelle (Nutshalling, nu Nursling bij Southampton), waarna hij toetrad tot de Benedictijner orde. Op zijn dertigste, rond 705, werd hij tot priester gewijd. Hij werd hoofd van de kloosterschool en maakte naam als leraar, exegeet, historicus, grammaticus en literator. De eerste Latijnse grammatica in het Engels was van zijn hand. Hij was bestemd om abt te worden, maar de missie was zijn grote doel. In 716 verliet Winfried Engeland om een eerste missie-expeditie naar Friesland te ondernemen. Hij wilde de bewoners bekeren tot het christendom door in hun eigen taal tot hen te prediken. Zijn eigen Oudengels of Angelsaksisch was immers verwant aan het Oudfries. Deze eerste zendingsreis werd een mislukking door de politieke omstandigheden: onder leiding van koning Radboud konden de Friezen in deze korte periode profiteren van de Frankische Burgeroorlog, die uitbrak na de dood van Pepijn van Herstal. Zij brachten de Franken, die onder leiding stonden van de latere hofmeier Karel Martel, in samenwerking met de Neustriërs een nederlaag toe in de Slag bij Keulen. Juist de Frankische steun was cruciaal bij de kerstening. Winfried werd door deze gebeurtenissen gedwongen huiswaarts te keren. In 718 reisde hij eerst met aanbevelingsbrieven van de bisschop van Winchester naar Rome, om goedkeuring te verzoeken aan paus Gregorius II. De paus verleende hem het recht om onder de Germanen ten oosten van de Rijn te bekeren tot het christendom en gaf Winfried een nieuwe naam: Bonifatius (hij die het goede doet). Na de dood van Radboud in 719 kon Karel Martel de Friezen terugdringen en kon bisschop Willibrord zijn missioneringswerk voortzetten. Bonifatius assisteerde hem hierbij vanuit zijn bases Antwerpen en Utrecht. Willibrord wilde hem aanwijzen als opvolger van de bisschopszetel, maar Bonifatius gaf de voorkeur aan het missioneringswerk en weigerde. Hierop ging hij in 722 voor de tweede maal naar Rome, waar de paus hem benoemde tot bisschop-missionaris van de Germaanse gebieden om deze zo onder het gezag te brengen van de kerk van Rome. Bonifatius werkte vijf jaar in Hessen, Thüringen en Friesland. In 732 benoemde paus Gregorius III Bonifatius tot aartsbisschop - zij het in eerste instantie zonder zetel - en tot pauselijk vicaris voor het oostelijke deel van het rijk der Franken. Bovendien verleende hij hem toestemming om bisdommen te gaan stichten. Tot aan 736 werkte hij in Beieren, waar hij de Kerk reorganiseerde, onder andere door het stichten van bisdommen in Regensburg, Passau, Salzburg en Freising. Van 736 tot aan 753 bleef Bonifatius voornamelijk als kerkhervormer aan het werk in het Frankische rijk aan beide zijden van de Rijn. Zo organiseerde hij de grote Austrasische synoden van 742 (Concilium Germanicum, plaats onbekend) en 743 (Les Estinnes) en de Neustrische synode van 744 (Soissons). Willibrord stierf op 81-jarige leeftijd en werd op eigen verzoek begraven in Echternach. Heden ligt Willibrords graf in de crypte van de basiliek van de Abdij van Echternach. In 744 liet Bonifatius Sturmius, de abdij van Fulda, stichten. Dit groeide uit tot een plaats van Europese betekenis. In 745 werd Bonifatius aartsbisschop-metropoliet met zetel te Mainz. Bonifatius genoot al vanaf 723 de steun van de christelijke Frankische koningen. Dezen streefden ernaar de niet-christelijke Saksen te onderwerpen en de Saksische gebieden binnen hun groeiende rijk te brengen. Bonifatius verzekerde zich van de steun van zowel de paus als van de hertog van Beieren. Hij benoemde uitsluitend eigen volgelingen als bisschop. Omhakken van de heilige boom Om de overmacht van christenen en het Frankische gezag te bewijzen, hakte Bonifatius volgens Willibalds hagiografie in 723 de heilige Donareik om. Deze stond in Geismar nabij Fritzlar op de grens van het gedeeltelijk christelijke Hessen en het grotendeels niet-christelijke Nedersaksen, niet ver van de Frankische vesting Büraburg. Toen er geen wraak volgde van de vereerde goden, namen veel van de Germanen het christelijk geloof aan. Het omhakken van de eik wordt door velen beschouwd als het begin van de kerstening onder de Noord- en Middelduitse Germanen. Van het hout bouwde Bonifatius een kapel, gewijd aan St. Petrus; de kapel werd de kiemcel van het latere klooster in Fritzlar. Later vestigde hij daar het eerste bisdom in de Germaanse landen ten noorden van de oude Romeinse rijksgrens (limes). Tot 732 werkte Bonifatius in Hessen en Thüringen. Ondanks zijn rigoureuze handelen zocht Bonifatius aansluiting bij de denkwereld van de Germanen door de lokale, traditionele feestdagen een christelijk equivalent te geven. Een groter probleem was echter dat het Ierse christendom, dat wezenlijk afweek van het Romeinse christendom, al enige voet aan de grond had gekregen in de Germaanse gebieden. Daarnaast waren veel bisschopszetels in handen van leken, edelen die zelfs bisschopsdynastieën hadden gevestigd. De Frankische adel zag niet graag dat Bonifatius het primaat van Rome oplegde aan bisdommen die al sinds eeuwen in handen van de adel waren; zij had problemen met het celibaat en het verbod op de jacht. Om hier verandering in aan te brengen had hij de hulp nodig van Karel Martel, maar die hield zich bezig met Arabische en Langobardische invallers. Nadat Karel Martel in 741 overleed, kwamen zijn zonen Pepijn en Carloman aan de macht als hofmeier. Beiden waren opgegroeid in een klooster en meer bereid om Bonifatius te steunen in zijn hervormingen. In 742 hield Carloman de concilium Germanicum, waarbij Bonifatius aangesteld werd als hoofd van de Austrasische Kerk, aartsbisschop en gezant van Petrus. Deze periode vormde een hoogtepunt in zijn leven. Het was mogelijk Bonifatius die in 751 Pepijn de Korte tot koning zalfde. Zijn invloed nam echter aan het einde van zijn leven af. Ondanks de steun van de paus werd hij niet de bisschop van Keulen. In 753 was de bisschopszetel van Utrecht een twistappel tussen Bonifatius en de bisschop van Keulen geworden. In een brief aan paus Stephanus II legde Bonifatius uit dat Keulen Utrecht als suffragaanbisdom van Keulen beschouwde op grond van een schenking door de vroegere (antiquus) koning Dagobert I, Merovingisch koning tussen 623 en 639. Keulen zou het Utrechtse castellum Traiectum met het eerder genoemde kerkje in eigendom hebben gekregen, mits het de Friezen zou kerstenen. Bonifatius betoogde echter dat Keulen niets aan deze missionering had gedaan en de schenking dus vervallen was. Bonifatius toog vervolgens zelf naar de Friese Oostergouw om daar de bekeringen tot het christendom voort te zetten. Bonifatius had nooit de hoop opgegeven om ook de Friezen te bekeren tot het christendom. Als hoogbejaarde kerkelijk leider trok hij in 754 met een gevolg, militairen en bewakers, opnieuw naar Friesland. Hij doopte daar grote aantallen Friezen. Ook belegde hij een grote bijeenkomst om nieuw bekeerden tot het christendom gemeenschappelijk het sacrament van het heilig vormsel toe te dienen, die te Dokkum zou plaatsvinden. Hij sloeg daar zijn kamp op. Maar in plaats van daar zijn bekeerlingen te treffen, werd hij er de volgende ochtend overvallen door een groep gewapende Friezen die onder Bonifatius' missiecompagnie een slachtpartij aanrichtten. Op 5 juni 754 werd hij gedood, samen met zijn 52 metgezellen, onder wie zijn hulpbisschop Eoban. De oude geschiedschrijving spreekt over moord, maar een aantal hedendaagse historici plaatst daar kanttekeningen bij of verwerpt kwalificatie als moord geheel. Moord geldt in de Germaanse rechtsopvatting als een zeer oneervolle daad. Bonifatius met zijn gevolg is niet onverhoeds overvallen, maar kwam bij een openlijk gewapend treffen om het leven. Geen moord dus maar doodslag. De aanval vond niet plaats in het donker van de nacht maar bij het aanbreken van de dag waarop gewoonlijk veldslagen werden uitgevochten. Bonifatius wordt als grote heilige vereerd onder de rooms-katholieken en oosters-orthodoxen. Hij is los daarvan ook een bekende figuur in de Nederlandse geschiedenis, hoewel zijn rol daarin op zichzelf klein is geweest. Hij zou die bekendheid in onze gewesten niet gekregen en gehouden hebben als hij niet door de voor-christelijke Friezen gedood was op Nederlandse bodem wegens zijn heiligschennis aan hun eikheiligdommen. Bonifatius was een hervormer en organisator van formaat. Zijn betekenis voor de christelijke kerk in Europa is enorm. Als missionaris wordt zijn betekenis wel geringer ingeschat dan die van zijn voorganger Willibrord en zijn opvolgers Willehad en Liudger.
Willibrord - Bonifatius
Kaart van het Frankische Rijk. File:Frankish Empire 481 to 814-de.svg, itself from from the Historical Atlas by William R. Shepherd (Shepherd, William. Historical Atlas. New York: Henry Holt and Company, 1911.) Bewerking: Druifkes (CC BY-SA 3.0) Sint Willibrord. Der Heilige Willibrord. Buchmalerei, Trier um 1000. Einzelblatt (Paris, Bibliothèque National, Lat. 10510). Kaart van Magna (groot) Frisia (Friesland), in het Latijn rond 716. Cropped to the low countries area. The original can be viewed here: Frankish Empire 481 to 814-fr.svg.  Modifications made by Richardprins. Bonifatiusbeeld op sokkel (h=260 cm), 19e eeuw. Foto: Jim van der Mee (CC BY-SA 2.0) St. Bonifatius het H. Doopsel toedienend (boven) en zijn marteldood (onder), uit het Sacramentarium van Fulda. Bonifatius laat volgens deze voorstelling de eik omhakken. Bild von 1737 befindet sich in der St.Martinskirche von Westenhofen bei Schliersee.

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

Vooraf, zie kaart boven, muisaanwijzer erop en klik voor vergroting: Austrasië was het noordoostelijk deel van het Merovingische koninkrijk, en besloeg het oosten van het huidige Frankrijk, het westen van Duitsland, België ten oosten van de Schelde en delen van Nederland. De hoofdstad van het rijk was Metz, hoewel sommige koningen ook vanuit Reims regeerden. Na de dood van de Frankische koning Clovis in 511 werd zijn koninkrijk verdeeld onder zijn vier zonen. Theuderic I van Austrasië kreeg het oostelijke deel. Austrasië leefde constant in spanning met zijn buur, Neustrië. In 613 werden de twee rijken overgenomen door Chlotharius II, met hulp van de Austrasische hofmeier Pepijn van Landen en de Frankische edelman Arnulf van Metz, leiders van de aristocratische opstand tegen koningin Brunhilde van Austrasië. Hij vestigde zijn hoofdstad in Parijs. De twee rijken vielen echter snel weer uiteen. Pas toen hofmeier Pepijn van Herstal in 687 Neustrië overwon in de Slag bij Tertry, werden de twee rijken definitief verenigd. Toen diens kleinzoon, Pepijn de Korte, in 751 koning der Franken werd en Bourgondië ook overwon, begonnen de namen en binnengrenzen te vervagen, en werd alleen nog maar gesproken over het Frankische Rijk. Clemens Willibrord, ook Willibrordus genoemd was een rooms-katholieke aartsbisschop en missionaris van Angelsaksische (in Engeland gevestigde oorspronkelijk Germaanse stammen) afkomst. Willibrord is een christelijke heilige en staat ook bekend als de "apostel der Friezen", soms ook als "apostel van de Lage Landen". Willibrord werd geboren als zoon van pas bekeerde ouders en werd als zevenjarige jongen door zijn vader Wilgis als oblaat (in een klooster opgevoed met het doel om later te zullen intreden) toevertrouwd aan het klooster van Ripon nabij York in Engeland, voordat zijn vader zelf als kluizenaar ging leven. In Ripon groeide Willibrord op onder invloed van Sint- Wilfridus (Egbert), de bisschop van York. Wilfrid verzette zich tegen de toen heersende Keltisch- katholieke traditie en was een voorstander van de Romeinse ritus. Op zijn 20e vertrok Willibrord naar Ierland. In de Abdij van Rathmelsigi onderwierp hij zich aan een regime van strenge tucht. Tien jaar later, hij was toen 30 jaar oud, werd hij daar in 688 tot priester gewijd. Volgens de latere schrijver Alcuinus was Willibrord vervuld van de geest van "peregrinatio", de mystieke wens om het aardse thuis te verruilen voor de bekering van heidense volken en reisde Willibrord in 690 met elf of twaalf gezellen, onder wie Werenfried van Elst, via het huidige Katwijk naar Friesland om het voorbeeld te volgen van Jezus Christus die rondtrok om zijn boodschap te verkondigen. Willibrord begon daar met zijn kersteningsmissie (de Friezen hun oude religie laten inruilen voor het geloof in het christendom) van de Friezen, die zich soms tegen de kerstening (bekering) hadden verzet. Van daaruit bezocht Willibrord een groot gebied dat zich uitstrekt van de Lauwerszee tot België en Luxemburg toe. In tegenstelling tot de missioneringpraktijk van de Iers-Schotse monniken, die bij de evangelisatie geen systeem hanteerden, organiseerde Willibrord zijn missionering pragmatisch en doordacht. Zo zocht hij eerst de bescherming van de Pepinidische hofmeier Pepijn van Herstal, die zo rond 690 het dan toe Friese rivierengebied rondom Utrecht en Dorestad op de Friese koning Radboud had veroverd. Ook verzekerde hij zich van pauselijke goedkeuring. Na twee moeilijke reizen naar Rome werd hij in 695 door paus Sergius I tot aartsbisschop der Friezen gewijd, waarbij een oud Romeins fort in de Utrechtse binnenstad (Castellum Traiectum) zijn zetel werd. Bij zijn wijding kreeg Willibrord van de paus de voornaam Clemens toegekend. Door de steun van Pepijn van Herstal kreeg Willibrord van de Frankische adel een grote hoeveelheid landgoederen geschonken. Hij was de oprichter en bouwer van heel wat kerken en kloosters. Willibrord ontving in 698 de eerste helft van een groot landgoed van Irmina van Oeren, een abdis nabij Trier (Duitsland). Irmina was de moeder van Plectrudis, de vrouw van Pepijn van Herstal. Toen Pepijn van Herstal hem later ook het resterende deel van dit landgoed schonk, was Willibrord in staat om de Abdij van Echternach (Luxemburg) te stichten. In deze abdij bereidde hij zijn missietochten naar Frisia , Thüringen (Duitsland) en Denemarken voor. Na de dood van Pepijn van Herstal in 714 brak in het Frankisch koninkrijk de Frankische Burgeroorlog uit. Hierdoor werd Radboud in de gelegenheid gesteld om zijn verloren gebieden in Midden-Nederland, waaronder Utrecht, weer terug te veroveren. Pas toen Karel Martel Utrecht definitief veroverd had op Radboud, kon Willibrord zich blijvend in Utrecht vestigen. In 719 ontving Willibrord bezoek van Bonifatius, die na een verblijf van drie jaar naar de Germaanse landen vertrok om daar te gaan kerstenen (mensen bekeren tot het christelijk geloof). Willibrord stelde zich bij zijn missie in dienst van het naar expansie strevende katholieke Frankische rijk van Pepijn van Herstal. In de voetsporen van diens veroveringen probeerde Willibrord in de veroverde gebieden het katholicisme te verspreiden. Daarbij gebruikte hij desnoods geweld. Bonifatius, ook wel Bonifacius, geboortenaam: Wynfreth (Winfried) (nabij Exeter in Zuidwest- Engeland, gedood bij Dokkum, 5 juni 754 of misschien in 755, was een van de belangrijkste missionarissen en kerkhervormers in het Frankische rijk, bisschop, martelaar en heilig verklaarde. Bonifatius wordt ook de Apostel van de Duitsers genoemd. Meer nog dan missionaris was hij de inrichter van de kerkelijke structuren in het gebied van het huidige Duitsland en, wat evenzeer cruciaal is geweest, de binding daarvan aan de Heilige Stoel (de Paus). Bonifatius werd zo de architect van het christelijke West-Europa, omdat hij een groot aandeel had in de grondvesting van de kerk van Rome en in de groei naar culturele eenheid van West-Europa. Er zijn verscheidene werken geschreven over het leven van Bonifatius, van kort na zijn dood tot ongeveer 1100. Volgens de door Willibald geschreven vita, ongeveer dertien jaar na zijn dood, werd Bonifatius als Winfrid of Wynfrith geboren in een adellijke familie. Als familieleden van Bonifatius wordt ook wel vermeld Richard van Wessex, Willibald van Eichstätt, Winnibald en Walburga. Waarschijnlijk was Crediton in Devonshire zijn geboorteplaats. Willibald beschrijft hoe de jonge Winfried zich tegen de wil van zijn vader al wilde wijden aan het kloosterleven. Toen zijn vader dodelijk ziek werd en bijna overleed, zag hij dat als een teken, gaf hij toe en vertrouwde de zevenjarige Winfried als puer oblatus (opvoeding en later intreden) toe aan het klooster. Hij kreeg zijn opvoeding en theologische scholing in de abdijen van Exeter en Nhutscelle (Nutshalling, nu Nursling bij Southampton), waarna hij toetrad tot de Benedictijner orde. Op zijn dertigste, rond 705, werd hij tot priester gewijd. Hij werd hoofd van de kloosterschool en maakte naam als leraar, exegeet, historicus, grammaticus en literator. De eerste Latijnse grammatica in het Engels was van zijn hand. Hij was bestemd om abt te worden, maar de missie was zijn grote doel. In 716 verliet Winfried Engeland om een eerste missie-expeditie naar Friesland te ondernemen. Hij wilde de bewoners bekeren tot het christendom door in hun eigen taal tot hen te prediken. Zijn eigen Oudengels of Angelsaksisch was immers verwant aan het Oudfries. Deze eerste zendingsreis werd een mislukking door de politieke omstandigheden: onder leiding van koning Radboud konden de Friezen in deze korte periode profiteren van de Frankische Burgeroorlog, die uitbrak na de dood van Pepijn van Herstal. Zij brachten de Franken, die onder leiding stonden van de latere hofmeier Karel Martel, in samenwerking met de Neustriërs een nederlaag toe in de Slag bij Keulen. Juist de Frankische steun was cruciaal bij de kerstening. Winfried werd door deze gebeurtenissen gedwongen huiswaarts te keren. In 718 reisde hij eerst met aanbevelingsbrieven van de bisschop van Winchester naar Rome, om goedkeuring te verzoeken aan paus Gregorius II. De paus verleende hem het recht om onder de Germanen ten oosten van de Rijn te bekeren tot het christendom en gaf Winfried een nieuwe naam: Bonifatius (hij die het goede doet). Na de dood van Radboud in 719 kon Karel Martel de Friezen terugdringen en kon bisschop Willibrord zijn missioneringswerk voortzetten. Bonifatius assisteerde hem hierbij vanuit zijn bases Antwerpen en Utrecht. Willibrord wilde hem aanwijzen als opvolger van de bisschopszetel, maar Bonifatius gaf de voorkeur aan het missioneringswerk en weigerde. Hierop ging hij in 722 voor de tweede maal naar Rome, waar de paus hem benoemde tot bisschop-missionaris van de Germaanse gebieden om deze zo onder het gezag te brengen van de kerk van Rome. Bonifatius werkte vijf jaar in Hessen, Thüringen en Friesland. In 732 benoemde paus Gregorius III Bonifatius tot aartsbisschop - zij het in eerste instantie zonder zetel - en tot pauselijk vicaris voor het oostelijke deel van het rijk der Franken. Bovendien verleende hij hem toestemming om bisdommen te gaan stichten. Tot aan 736 werkte hij in Beieren, waar hij de Kerk reorganiseerde, onder andere door het stichten van bisdommen in Regensburg, Passau, Salzburg en Freising. Van 736 tot aan 753 bleef Bonifatius voornamelijk als kerkhervormer aan het werk in het Frankische rijk aan beide zijden van de Rijn. Zo organiseerde hij de grote Austrasische synoden van 742 (Concilium Germanicum, plaats onbekend) en 743 (Les Estinnes) en de Neustrische synode van 744 (Soissons). Willibrord stierf op 81-jarige leeftijd en werd op eigen verzoek begraven in Echternach. Heden ligt Willibrords graf in de crypte van de basiliek van de Abdij van Echternach.  In 744 liet Bonifatius Sturmius, de abdij van Fulda, stichten. Dit groeide uit tot een plaats van Europese betekenis. In 745 werd Bonifatius aartsbisschop-metropoliet met zetel te Mainz. Bonifatius genoot al vanaf 723 de steun van de christelijke Frankische koningen. Dezen streefden ernaar de niet-christelijke Saksen te onderwerpen en de Saksische gebieden binnen hun groeiende rijk te brengen. Bonifatius verzekerde zich van de steun van zowel de paus als van de hertog van Beieren. Hij benoemde uitsluitend eigen volgelingen als bisschop. Omhakken van de heilige boom Om de overmacht van christenen en het Frankische gezag te bewijzen, hakte Bonifatius volgens Willibalds hagiografie in 723 de heilige Donareik om. Deze stond in Geismar nabij Fritzlar op de grens van het gedeeltelijk christelijke Hessen en het grotendeels niet- christelijke Nedersaksen, niet ver van de Frankische vesting Büraburg. Toen er geen wraak volgde van de vereerde goden, namen veel van de Germanen het christelijk geloof aan. Het omhakken van de eik wordt door velen beschouwd als het begin van de kerstening onder de Noord- en Middelduitse Germanen. Van het hout bouwde Bonifatius een kapel, gewijd aan St. Petrus; de kapel werd de kiemcel van het latere klooster in Fritzlar. Later vestigde hij daar het eerste bisdom in de Germaanse landen ten noorden van de oude Romeinse rijksgrens (limes). Tot 732 werkte Bonifatius in Hessen en Thüringen. Ondanks zijn rigoureuze handelen zocht Bonifatius aansluiting bij de denkwereld van de Germanen door de lokale, traditionele feestdagen een christelijk equivalent te geven. Een groter probleem was echter dat het Ierse christendom, dat wezenlijk afweek van het Romeinse christendom, al enige voet aan de grond had gekregen in de Germaanse gebieden. Daarnaast waren veel bisschopszetels in handen van leken, edelen die zelfs bisschopsdynastieën hadden gevestigd. De Frankische adel zag niet graag dat Bonifatius het primaat van Rome oplegde aan bisdommen die al sinds eeuwen in handen van de adel waren; zij had problemen met het celibaat en het verbod op de jacht. Om hier verandering in aan te brengen had hij de hulp nodig van Karel Martel, maar die hield zich bezig met Arabische en Langobardische invallers. Nadat Karel Martel in 741 overleed, kwamen zijn zonen Pepijn en Carloman aan de macht als hofmeier. Beiden waren opgegroeid in een klooster en meer bereid om Bonifatius te steunen in zijn hervormingen. In 742 hield Carloman de concilium Germanicum, waarbij Bonifatius aangesteld werd als hoofd van de Austrasische Kerk, aartsbisschop en gezant van Petrus. Deze periode vormde een hoogtepunt in zijn leven. Het was mogelijk Bonifatius die in 751 Pepijn de Korte tot koning zalfde. Zijn invloed nam echter aan het einde van zijn leven af. Ondanks de steun van de paus werd hij niet de bisschop van Keulen. In 753 was de bisschopszetel van Utrecht een twistappel tussen Bonifatius en de bisschop van Keulen geworden. In een brief aan paus Stephanus II legde Bonifatius uit dat Keulen Utrecht als suffragaanbisdom van Keulen beschouwde op grond van een schenking door de vroegere (antiquus) koning Dagobert I, Merovingisch koning tussen 623 en 639. Keulen zou het Utrechtse castellum Traiectum met het eerder genoemde kerkje in eigendom hebben gekregen, mits het de Friezen zou kerstenen. Bonifatius betoogde echter dat Keulen niets aan deze missionering had gedaan en de schenking dus vervallen was. Bonifatius toog vervolgens zelf naar de Friese Oostergouw om daar de bekeringen tot het christendom voort te zetten. Bonifatius had nooit de hoop opgegeven om ook de Friezen te bekeren tot het christendom. Als hoogbejaarde kerkelijk leider trok hij in 754 met een gevolg, militairen en bewakers, opnieuw naar Friesland. Hij doopte daar grote aantallen Friezen. Ook belegde hij een grote bijeenkomst om nieuw bekeerden tot het christendom gemeenschappelijk het sacrament van het heilig vormsel toe te dienen, die te Dokkum zou plaatsvinden. Hij sloeg daar zijn kamp op. Maar in plaats van daar zijn bekeerlingen te treffen, werd hij er de volgende ochtend overvallen door een groep gewapende Friezen die onder Bonifatius' missiecompagnie een slachtpartij aanrichtten. Op 5 juni 754 werd hij gedood, samen met zijn 52 metgezellen, onder wie zijn hulpbisschop Eoban. De oude geschiedschrijving spreekt over moord, maar een aantal hedendaagse historici plaatst daar kanttekeningen bij of verwerpt kwalificatie als moord geheel. Moord geldt in de Germaanse rechtsopvatting als een zeer oneervolle daad. Bonifatius met zijn gevolg is niet onverhoeds overvallen, maar kwam bij een openlijk gewapend treffen om het leven. Geen moord dus maar doodslag. De aanval vond niet plaats in het donker van de nacht maar bij het aanbreken van de dag waarop gewoonlijk veldslagen werden uitgevochten. Bonifatius wordt als grote heilige vereerd onder de rooms-katholieken en oosters-orthodoxen. Hij is los daarvan ook een bekende figuur in de Nederlandse geschiedenis, hoewel zijn rol daarin op zichzelf klein is geweest. Hij zou die bekendheid in onze gewesten niet gekregen en gehouden hebben als hij niet door de voor- christelijke Friezen gedood was op Nederlandse bodem wegens zijn heiligschennis aan hun eikheiligdommen. Bonifatius was een hervormer en organisator van formaat. Zijn betekenis voor de christelijke kerk in Europa is enorm. Als missionaris wordt zijn betekenis wel geringer ingeschat dan die van zijn voorganger Willibrord en zijn opvolgers Willehad en Liudger.
Kaart van het Frankische Rijk. File:Frankish Empire 481 to 814-de.svg, itself from from the Historical Atlas by William R. Shepherd (Shepherd, William. Historical Atlas. New York: Henry Holt and Company, 1911.) Bewerking: Druifkes (CC BY-SA 3.0) Sint Willibrord. Der Heilige Willibrord. Buchmalerei, Trier um 1000. Einzelblatt (Paris, Bibliothèque National, Lat. 10510). Kaart van Magna (groot) Frisia (Friesland), in het Latijn rond 716. Cropped to the low countries area. The original can be viewed here: Frankish Empire 481 to 814-fr.svg.  Modifications made by Richardprins. Bonifatiusbeeld op sokkel (h=260 cm), 19e eeuw. Foto: Jim van der Mee (CC BY-SA 2.0) St. Bonifatius het H. Doopsel toedienend (boven) en zijn marteldood (onder), uit het Sacramentarium van Fulda. Bonifatius laat volgens deze voorstelling de eik omhakken. Bild von 1737 befindet sich in der St.Martinskirche von Westenhofen bei Schliersee.

 Museum JoCas 

Willibrord - Bonifatius