© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Watersnood van 1953 - Deltawerken -
De watersnood van 1953, meestal aangeduid als de watersnoodramp en aanvankelijk ook wel als Sint-Ignatiusvloed of Beatrixvloed, voltrok zich in de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953. De ramp werd veroorzaakt door een zware stormvloed in combinatie met springtij, waarbij het water in de trechtervormige zuidelijke Noordzee tot extreme hoogte steeg. Een stormvloed is het opstuwen van zeewater door stormwinden. Hoge windsnelheden behorende tot een storm kunnen zeewater opstuwen tot een hoger zeeniveau dan normaal. De lagedruk in de kern van de stormdepressie of tropische cycloon kan het effect licht versterken. Als de stormvloed de kust bereikt kan zij nog aangroeien, omdat de zee ondieper wordt. Een stormvloed kan extra vervelend zijn, als hij de kust bereikt samenvallend met de vloed (of nog erger springvloed). De (spring)vloed wordt dan verhoogd met de stormvloed. Dit was de oorzaak van de watersnood van 1953. Springtij is de periode van het getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater het grootst is. Niet alleen het hoogwater (springvloed) is dan hoger dan gemiddeld, het laagwater is dan ook lager dan gemiddeld. Springtij treedt eens in de ongeveer 14 dagen op en volgt gemiddeld ruim twee etmalen op het moment dat de getijkrachten van de maan en die van de zon dezelfde richting hebben en elkaar maximaal versterken. Dat laatste is het geval wanneer zon, maan en aarde in een rechte lijn staan, dus tijdens nieuwe maan en volle maan. Springtij komt daarom tweemaal per synodische (de tijd tussen twee nieuwe manen) maand voor. Springtij is het tegenovergestelde van doodtij. De watersnood in Zuidwest-Nederland op 1 februari 1953 werd veroorzaakt door een stormvloed als gevolg van een diep lagedrukgebied en daarmee gepaard gaande zware noordwesterstorm, in combinatie met springtij. Een stormvloed kan aan de kust extra gevaarlijk zijn, als hij samenvalt met de vloed, of nog erger, met een springvloed, het tweewekelijkse getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater het grootst is. De (spring)vloed wordt dan verhoogd met de stormvloed. Dit was de oorzaak van de watersnood van 1953. Een zware noordwesterstorm stuwde het water in de trechtervormige Noordzee op tot recordhoogte. In Nederland begaven de dijken in het Deltagebied het op veel plaatsen en liepen een groot deel van de provincie Zeeland, de Zuid-Hollandse eilanden en delen van West-Brabant onder water. Zo werd Nederland in de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 getroffen door een van de grootste natuurrampen uit zijn geschiedenis, de grootste zelfs sinds 1570 (derde Allerheiligenvloed). Veel dijken, vooral in het deltagebied, waren te laag en te zwak. Rijkswaterstaat onderkende dit al in de jaren 1920 en werkte aan plannen om binnenwateren van de zee af te sluiten door het aanleggen van nieuwe kunstwerken. De Afsluitdijk, die gereed kwam in 1932, was een eerste belangrijke aanzet daartoe. Pas na de crisisjaren en de oorlog werden de eerste werken in Zuidwest-Nederland uitgevoerd: de Botlek, de Brielse Maas (1950) en de Braakman (1952) werden afgedamd. Het drie eilandenplan zou daarna het volgende project zijn. De ramp van 1953 leidde tot snelle en meer ingrijpende maatregelen en vormde de directe aanleiding tot de Deltawerken. In Nederland kostte de ramp aan 1836 mensen het leven. Behalve dit enorme verlies aan mensenlevens veroorzaakte de vloed in Zuidwest-Nederland een enorm groot verlies aan dierenlevens, tienduizenden dieren verdronken. Grote schade aan woningen, gebouwen en infrastructuur. Zo'n 100.000 mensen verloren hun huis en bezittingen. 4500 huizen en gebouwen werden verwoest en 200.000 hectare grond kwam onder water te staan. Het Zuid-Hollandse dorp Oude Tonge was de plaats waar de meeste slachtoffers vielen: 305 doden. Voor veel overlevenden uit de getroffen gebieden vormen de herinneringen aan de ramp een levenslang trauma. Ook in Engeland, België en Duitsland vonden overstromingen plaats en vielen honderden slachtoffers. Op zee verloren bij schipbreuken velen het leven. In de Ardennen liet de storm een sneeuwlaag van twee meter achter. De Watersnood van 1953 werd aanvankelijk ook wel aangeduid als 'Sint-Ignatiusvloed', naar Sint Ignatius, wiens naamdag tot 1969 op 1 februari viel (maar sinds 1969 op 17 oktober). Met deze naam werd een traditie gevolgd om grote overstromingen in het Deltagebied te vernoemen naar de dag van de rooms-katholieke heiligenkalender. Onder meer de Sint-Elisabethsvloeden van 1404, 1421 en 1424, en de Allerheiligenvloeden van 1532 en 1570 zijn hier voorbeelden van. De naam 'Sint-Ignatiusvloed' vond echter niet algemeen ingang. Protestants-christelijken spraken aanvankelijk liever van Beatrixvloed, omdat de watersnood plaatsvond in de nacht na de vijftiende verjaardag van prinses Beatrix. Deze tweede naam maakte nog minder opgang. Stormramp was een meer zakelijke term, maar te weinig specifiek. Later werd steeds vaker van van 'de Watersnoodramp' gesproken, of van 'de Watersnood', of eenvoudig van 'de ramp (van 1953)' Verloop van de ramp in Nederland Zaterdagavond 31 januari 1953 stond er een zware noordwesterstorm. Rond middernacht was het aan de zuidwestkust van Nederland laagwater. Het zou daar dus op zondagmorgen 1 februari tussen 4 en 6 uur hoogwater zijn. De Stormvloedseindienst maakte vanaf zaterdagmorgen aan de op de dienst geabonneerde autoriteiten melding van de opkomende 'zeer zware noordwesterstorm'. Tijdens laagwater op die zaterdagavond stond het waterpeil ongeveer even hoog als het normaal bij hoogwater staat. Bovendien was het springtij, wat betekende dat het waterpeil nog extra zou stijgen. In de algemene weersverwachting werd die zaterdagavond gewaarschuwd voor 'gevaarlijk hoogwater'. Deze waarschuwing werd echter door velen in het rampgebied niet gehoord of verkeerd begrepen. De Grevelingen en Oosterschelde waren in 1953 nog geheel open zee-armen. Tijdens de rampnacht werd het water daar zeer hoog opgestuwd. Op de kop van het eiland Schouwen-Duiveland bereikte de waterstand het hoogste niveau van de gehele Nederlandse kustlijn. Meer landinwaarts, bij Bruinisse, kwamen het opkomende water uit de Grevelingen en de Oosterschelde samen. Zondagmorgen vroeg kwam het waterpeil daar tot NAP + 4,5 meter. Een ongeëvenaard record. Tussen 4 en 6 uur 's morgens braken er overal dijken. Vooral de noord- en oostkant van de Oosterschelde (Stavenisse, Ouwerkerk, Nieuwerkerk), van de Grevelingen (Oude-Tonge en Nieuwe-Tonge) en van het Hollandsch Diep (Schuring en 's-Gravendeel) werden zwaar getroffen. Op sommige plaatsen op Goeree-Overflakkee stroomde het water vervolgens zo hard de polders in, dat dorpen als Oude- en Nieuwe-Tonge binnen ongeveer een half uur twee tot drie meter onder water stonden. Elders verliep de overstroming geleidelijker en/of kwam het water niet zo hoog. Zo bereikte het water Ooltgensplaat, een dorp vlakbij Oude- en Nieuwe Tonge, pas rond 7 uur 's morgens, en steeg het er tot een hoogte van zo'n twee meter. Op Duiveland werd de hoogste waterstand zelfs pas in de loop van de zondagmiddag bereikt. In één nacht veranderde 165.000 hectare land in een rampgebied bedekt door de zee. De overstromingen zetten grote delen van Zuid-Holland, Zeeland en Noord-Brabant onder water. Alhoewel een groot gebied werd overstroomd, werden sommige plaatsen veel zwaarder getroffen dan andere. Op tal van andere plaatsen vielen ook slachtoffers te betreuren of vonden opvallende gebeurtenissen plaats. Op Texel verdronken zes polderarbeiders op weg naar een bedreigd dijkvak. Bij Cadzand sloeg water over de dijk en bij Kruiningen werd door de nog openstaande coupure van de veerhaven diezelfde veerhaven geheel weggeslagen. In zeer korte tijd liep de Kruiningerpolder (1400 hectare) onder water. Het water stroomde aan de noordkant van Dordrecht binnen. In Rotterdam werd een recordwaterhoogte gemeld en kwamen delen van Rotterdam-Zuid onder water te staan. Op het eiland Rozenburg waren de dijken doorgebroken. In Stellendam stond het water tot aan de zolders van de huizen. Veere stond onder water. Bij Wolphaartsdijk sloeg een gat in de dijk, en ook bij Ossenisse was de dijk doorgebroken. De Nieuwerkerkpolder en Suzannapolder overstroomden. Bij Rammekens sloegen gaten in de dijk. Reigerspolder en gedeelten van Zuid-Beveland stonden onder water. Rilland-Bath was geïsoleerd. Stavenisse stond onder water, in Zeeuws-Vlaanderen braken er een paar dijken door. Circa de helft van het totaal aantal slachtoffers viel in de nacht van zaterdag op zondag. De zondagmiddag daarop zorgde het getij in combinatie met harde wind ervoor dat vele overlevenden van de nacht tevoren toen alsnog de dood vonden. Veel huizen die de eerste vloed hadden doorstaan (met de bewoners op zolders of op de daken) stortten alsnog door de sterke stroming ineen. De hulpverlening van buiten de door het water aangetaste gebieden kwam de eerste dag nog nauwelijks op gang, de schaal van de catastrofe werd pas maandag goed duidelijk. In Zuid-Holland dreigde een dijkdoorbraak van Schielands Hoge Zeedijk bij Nieuwerkerk aan den IJssel. Dit werd ternauwernood voorkomen doordat een schipper uit Ouderkerk, Arie Evergroen, op last van de burgemeester Jaap Vogelaar zijn 18 meter lange schip 'Twee Gebroeders' dwars voor het gat in de dijk manoeuvreerde en zo het gat dichtte. Het overstromen van grote delen van Zuid-Holland werd hierdoor voorkomen. Opmerkelijk is dat in hetzelfde Nieuwerkerk aan den IJssel ook al in 1682 en 1717 bressen in Schielands Hoge Zeedijk gedicht werden door er een schip tegen te plaatsen. Een grote landelijke hulpactie kwam op gang, ondersteund door de radio. De NCRV-presentator Johan Bodegraven werd beroemd met de zeer succesvolle - en eerste massale - geldinzamelingsactie Beurzen open, dijken dicht. Zowel op lokaal, nationaal en internationaal niveau werd veel hulp geboden - in totaal zou er zo'n 138 miljoen gulden (62,5 miljoen euro) worden opgehaald voor de getroffenen. Ook werden er vanuit de hele wereld hulpgoederen (kleding, huisraad, linnengoed en voedsel) gestuurd. Het Rode Kruis ontving zoveel goederen dat ze na enige tijd niet meer wist wat ze er mee aan moesten. Een deel van de goederen is vervolgens verscheept naar andere rampgebieden of landen in de derde wereld. Al in 1953 werd begonnen met de wederopbouw van de getroffen gebieden. Vooral de Scandinavische landen leverden veel bouwmaterialen, soms zelfs hele prefab-huizen. In heel Zeeland kan men ook nu nog huizen naar Zweedse, Noorse, Deense of Finse snit zien. In de Nederlandse politiek kwam de discussie over de dijkbeveiliging op gang. De Deltacommissie werd ingesteld en het Deltaplan werd geboren, dat onder meer de afsluiting van enkele zeearmen behelsde. De wederopbouw en de totstandkoming van de Deltawerken brachten veel werkgelegenheid naar Zeeland. Bovendien was er door de hulp zoveel geld binnengekomen, dat veel slachtoffers financieel beter af waren dan voor de ramp. De provincie maakte in de jaren na de watersnood een bloeiperiode door, waardoor men in een paar jaar tijd tientallen jaren vooruitging. In Zeeland kent men daarom het cynische grapje: 'Heer, geef ons heden het dagelijks brood en elke vijf jaar een watersnood'. Voor heel Nederland groeide het bruto binnenlands product in het jaar van de ramp volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek met 8,4 procent, een ongehoord hoog percentage. De rijksoverheid schroefde de consumptie met tien procent op en de investeringen waren in 1953 zestig procent hoger dan het jaar ervoor. Dit alles gaf een krachtige positieve impuls aan de Nederlandse economie. Op 21 februari 1953, twintig dagen na de watersnoodramp, installeerde Jacob Algera, toenmalig minister van Verkeer en Waterstaat, de Deltacommissie onder leiding van A.G. Maris, directeur-generaal van Rijkswaterstaat. Deze commissie kreeg de opdracht om met plannen op tafel te komen die een dergelijke ramp in de toekomst zou moeten voorkomen. Nadat de Commissie in oktober 1955 het laatste advies had gegeven, diende ze op 16 november van datzelfde jaar een ontwerp van de Deltawet in bij de Tweede Kamer. Op 5 november 1957 aanvaardde de Tweede Kamer het wetsvoorstel, de Eerste Kamer volgde op 7 mei 1958. Een dag later ondertekende Koningin Juliana de Deltawet.
Auteur: Lencer (CC BY-SA 2.5) Dossier van het Nationale Archief en Dossier Administratie, gecatalogiseerd onder de ARC Identificatie (National Archives Identifier) 541705. Nationaal Archief: beeldbank.nationaalarchief.nl/na:col1:dat477099 Rijkswaterstaat, Data-ICT-Dienst, Beeldarchief Rijkswaterstaat.  https://beeldbank.rws.nl, Rijkswaterstaat.

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Watersnood van 1953 - Deltawerken -
De watersnood van 1953, meestal aangeduid als de watersnoodramp en aanvankelijk ook wel als Sint-Ignatiusvloed of Beatrixvloed, voltrok zich in de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953. De ramp werd veroorzaakt door een zware stormvloed in combinatie met springtij, waarbij het water in de trechtervormige zuidelijke Noordzee tot extreme hoogte steeg. Een stormvloed is het opstuwen van zeewater door stormwinden. Hoge windsnelheden behorende tot een storm kunnen zeewater opstuwen tot een hoger zeeniveau dan normaal. De lagedruk in de kern van de stormdepressie of tropische cycloon kan het effect licht versterken. Als de stormvloed de kust bereikt kan zij nog aangroeien, omdat de zee ondieper wordt. Een stormvloed kan extra vervelend zijn, als hij de kust bereikt samenvallend met de vloed (of nog erger springvloed). De (spring)vloed wordt dan verhoogd met de stormvloed. Dit was de oorzaak van de watersnood van 1953. Springtij is de periode van het getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater het grootst is. Niet alleen het hoogwater (springvloed) is dan hoger dan gemiddeld, het laagwater is dan ook lager dan gemiddeld. Springtij treedt eens in de ongeveer 14 dagen op en volgt gemiddeld ruim twee etmalen op het moment dat de getijkrachten van de maan en die van de zon dezelfde richting hebben en elkaar maximaal versterken. Dat laatste is het geval wanneer zon, maan en aarde in een rechte lijn staan, dus tijdens nieuwe maan en volle maan. Springtij komt daarom tweemaal per synodische (de tijd tussen twee nieuwe manen) maand voor. Springtij is het tegenovergestelde van doodtij. De watersnood in Zuidwest-Nederland op 1 februari 1953 werd veroorzaakt door een stormvloed als gevolg van een diep lagedrukgebied en daarmee gepaard gaande zware noordwesterstorm, in combinatie met springtij. Een stormvloed kan aan de kust extra gevaarlijk zijn, als hij samenvalt met de vloed, of nog erger, met een springvloed, het tweewekelijkse getij waarin het verschil tussen hoog- en laagwater het grootst is. De (spring)vloed wordt dan verhoogd met de stormvloed. Dit was de oorzaak van de watersnood van 1953. Een zware noordwesterstorm stuwde het water in de trechtervormige Noordzee op tot recordhoogte. In Nederland begaven de dijken in het Deltagebied het op veel plaatsen en liepen een groot deel van de provincie Zeeland, de Zuid- Hollandse eilanden en delen van West-Brabant onder water. Zo werd Nederland in de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953 getroffen door een van de grootste natuurrampen uit zijn geschiedenis, de grootste zelfs sinds 1570 (derde Allerheiligenvloed). Veel dijken, vooral in het deltagebied, waren te laag en te zwak. Rijkswaterstaat onderkende dit al in de jaren 1920 en werkte aan plannen om binnenwateren van de zee af te sluiten door het aanleggen van nieuwe kunstwerken. De Afsluitdijk, die gereed kwam in 1932, was een eerste belangrijke aanzet daartoe. Pas na de crisisjaren en de oorlog werden de eerste werken in Zuidwest-Nederland uitgevoerd: de Botlek, de Brielse Maas (1950) en de Braakman (1952) werden afgedamd. Het drie eilandenplan zou daarna het volgende project zijn. De ramp van 1953 leidde tot snelle en meer ingrijpende maatregelen en vormde de directe aanleiding tot de Deltawerken. In Nederland kostte de ramp aan 1836 mensen het leven. Behalve dit enorme verlies aan mensenlevens veroorzaakte de vloed in Zuidwest-Nederland een enorm groot verlies aan dierenlevens, tienduizenden dieren verdronken. Grote schade aan woningen, gebouwen en infrastructuur. Zo'n 100.000 mensen verloren hun huis en bezittingen. 4500 huizen en gebouwen werden verwoest en 200.000 hectare grond kwam onder water te staan. Het Zuid-Hollandse dorp Oude Tonge was de plaats waar de meeste slachtoffers vielen: 305 doden. Voor veel overlevenden uit de getroffen gebieden vormen de herinneringen aan de ramp een levenslang trauma. Ook in Engeland, België en Duitsland vonden overstromingen plaats en vielen honderden slachtoffers. Op zee verloren bij schipbreuken velen het leven. In de Ardennen liet de storm een sneeuwlaag van twee meter achter. De Watersnood van 1953 werd aanvankelijk ook wel aangeduid als 'Sint-Ignatiusvloed', naar Sint Ignatius, wiens naamdag tot 1969 op 1 februari viel (maar sinds 1969 op 17 oktober). Met deze naam werd een traditie gevolgd om grote overstromingen in het Deltagebied te vernoemen naar de dag van de rooms- katholieke heiligenkalender. Onder meer de Sint- Elisabethsvloeden van 1404, 1421 en 1424, en de Allerheiligenvloeden van 1532 en 1570 zijn hier voorbeelden van. De naam 'Sint-Ignatiusvloed' vond echter niet algemeen ingang. Protestants- christelijken spraken aanvankelijk liever van Beatrixvloed, omdat de watersnood plaatsvond in de nacht na de vijftiende verjaardag van prinses Beatrix. Deze tweede naam maakte nog minder opgang. Stormramp was een meer zakelijke term, maar te weinig specifiek. Later werd steeds vaker van van 'de Watersnoodramp' gesproken, of van 'de Watersnood', of eenvoudig van 'de ramp (van 1953)' Verloop van de ramp in Nederland Zaterdagavond 31 januari 1953 stond er een zware noordwesterstorm. Rond middernacht was het aan de zuidwestkust van Nederland laagwater. Het zou daar dus op zondagmorgen 1 februari tussen 4 en 6 uur hoogwater zijn. De Stormvloedseindienst maakte vanaf zaterdagmorgen aan de op de dienst geabonneerde autoriteiten melding van de opkomende 'zeer zware noordwesterstorm'. Tijdens laagwater op die zaterdagavond stond het waterpeil ongeveer even hoog als het normaal bij hoogwater staat. Bovendien was het springtij, wat betekende dat het waterpeil nog extra zou stijgen. In de algemene weersverwachting werd die zaterdagavond gewaarschuwd voor 'gevaarlijk hoogwater'. Deze waarschuwing werd echter door velen in het rampgebied niet gehoord of verkeerd begrepen. De Grevelingen en Oosterschelde waren in 1953 nog geheel open zee-armen. Tijdens de rampnacht werd het water daar zeer hoog opgestuwd. Op de kop van het eiland Schouwen- Duiveland bereikte de waterstand het hoogste niveau van de gehele Nederlandse kustlijn. Meer landinwaarts, bij Bruinisse, kwamen het opkomende water uit de Grevelingen en de Oosterschelde samen. Zondagmorgen vroeg kwam het waterpeil daar tot NAP + 4,5 meter. Een ongeëvenaard record. Tussen 4 en 6 uur 's morgens braken er overal dijken. Vooral de noord- en oostkant van de Oosterschelde (Stavenisse, Ouwerkerk, Nieuwerkerk), van de Grevelingen (Oude-Tonge en Nieuwe-Tonge) en van het Hollandsch Diep (Schuring en 's-Gravendeel) werden zwaar getroffen. Op sommige plaatsen op Goeree-Overflakkee stroomde het water vervolgens zo hard de polders in, dat dorpen als Oude- en Nieuwe- Tonge binnen ongeveer een half uur twee tot drie meter onder water stonden. Elders verliep de overstroming geleidelijker en/of kwam het water niet zo hoog. Zo bereikte het water Ooltgensplaat, een dorp vlakbij Oude- en Nieuwe Tonge, pas rond 7 uur 's morgens, en steeg het er tot een hoogte van zo'n twee meter. Op Duiveland werd de hoogste waterstand zelfs pas in de loop van de zondagmiddag bereikt. In één nacht veranderde 165.000 hectare land in een rampgebied bedekt door de zee. De overstromingen zetten grote delen van Zuid- Holland, Zeeland en Noord-Brabant onder water. Alhoewel een groot gebied werd overstroomd, werden sommige plaatsen veel zwaarder getroffen dan andere. Op tal van andere plaatsen vielen ook slachtoffers te betreuren of vonden opvallende gebeurtenissen plaats. Op Texel verdronken zes polderarbeiders op weg naar een bedreigd dijkvak. Bij Cadzand sloeg water over de dijk en bij Kruiningen werd door de nog openstaande coupure van de veerhaven diezelfde veerhaven geheel weggeslagen. In zeer korte tijd liep de Kruiningerpolder (1400 hectare) onder water. Het water stroomde aan de noordkant van Dordrecht binnen. In Rotterdam werd een recordwaterhoogte gemeld en kwamen delen van Rotterdam-Zuid onder water te staan. Op het eiland Rozenburg waren de dijken doorgebroken. In Stellendam stond het water tot aan de zolders van de huizen. Veere stond onder water. Bij Wolphaartsdijk sloeg een gat in de dijk, en ook bij Ossenisse was de dijk doorgebroken. De Nieuwerkerkpolder en Suzannapolder overstroomden. Bij Rammekens sloegen gaten in de dijk. Reigerspolder en gedeelten van Zuid- Beveland stonden onder water. Rilland-Bath was geïsoleerd. Stavenisse stond onder water, in Zeeuws-Vlaanderen braken er een paar dijken door. Circa de helft van het totaal aantal slachtoffers viel in de nacht van zaterdag op zondag. De zondagmiddag daarop zorgde het getij in combinatie met harde wind ervoor dat vele overlevenden van de nacht tevoren toen alsnog de dood vonden. Veel huizen die de eerste vloed hadden doorstaan (met de bewoners op zolders of op de daken) stortten alsnog door de sterke stroming ineen. De hulpverlening van buiten de door het water aangetaste gebieden kwam de eerste dag nog nauwelijks op gang, de schaal van de catastrofe werd pas maandag goed duidelijk. In Zuid-Holland dreigde een dijkdoorbraak van Schielands Hoge Zeedijk bij Nieuwerkerk aan den IJssel. Dit werd ternauwernood voorkomen doordat een schipper uit Ouderkerk, Arie Evergroen, op last van de burgemeester Jaap Vogelaar zijn 18 meter lange schip 'Twee Gebroeders' dwars voor het gat in de dijk manoeuvreerde en zo het gat dichtte. Het overstromen van grote delen van Zuid-Holland werd hierdoor voorkomen. Opmerkelijk is dat in hetzelfde Nieuwerkerk aan den IJssel ook al in 1682 en 1717 bressen in Schielands Hoge Zeedijk gedicht werden door er een schip tegen te plaatsen. Een grote landelijke hulpactie kwam op gang, ondersteund door de radio. De NCRV- presentator Johan Bodegraven werd beroemd met de zeer succesvolle - en eerste massale - geldinzamelingsactie Beurzen open, dijken dicht. Zowel op lokaal, nationaal en internationaal niveau werd veel hulp geboden - in totaal zou er zo'n 138 miljoen gulden (62,5 miljoen euro) worden opgehaald voor de getroffenen. Ook werden er vanuit de hele wereld hulpgoederen (kleding, huisraad, linnengoed en voedsel) gestuurd. Het Rode Kruis ontving zoveel goederen dat ze na enige tijd niet meer wist wat ze er mee aan moesten. Een deel van de goederen is vervolgens verscheept naar andere rampgebieden of landen in de derde wereld. Al in 1953 werd begonnen met de wederopbouw van de getroffen gebieden. Vooral de Scandinavische landen leverden veel bouwmaterialen, soms zelfs hele prefab-huizen. In heel Zeeland kan men ook nu nog huizen naar Zweedse, Noorse, Deense of Finse snit zien. In de Nederlandse politiek kwam de discussie over de dijkbeveiliging op gang. De Deltacommissie werd ingesteld en het Deltaplan werd geboren, dat onder meer de afsluiting van enkele zeearmen behelsde. De wederopbouw en de totstandkoming van de Deltawerken brachten veel werkgelegenheid naar Zeeland. Bovendien was er door de hulp zoveel geld binnengekomen, dat veel slachtoffers financieel beter af waren dan voor de ramp. De provincie maakte in de jaren na de watersnood een bloeiperiode door, waardoor men in een paar jaar tijd tientallen jaren vooruitging. In Zeeland kent men daarom het cynische grapje: 'Heer, geef ons heden het dagelijks brood en elke vijf jaar een watersnood'. Voor heel Nederland groeide het bruto binnenlands product in het jaar van de ramp volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek met 8,4 procent, een ongehoord hoog percentage. De rijksoverheid schroefde de consumptie met tien procent op en de investeringen waren in 1953 zestig procent hoger dan het jaar ervoor. Dit alles gaf een krachtige positieve impuls aan de Nederlandse economie. Op 21 februari 1953, twintig dagen na de watersnoodramp, installeerde Jacob Algera, toenmalig minister van Verkeer en Waterstaat, de Deltacommissie onder leiding van A.G. Maris, directeur-generaal van Rijkswaterstaat. Deze commissie kreeg de opdracht om met plannen op tafel te komen die een dergelijke ramp in de toekomst zou moeten voorkomen. Nadat de Commissie in oktober 1955 het laatste advies had gegeven, diende ze op 16 november van datzelfde jaar een ontwerp van de Deltawet in bij de Tweede Kamer. Op 5 november 1957 aanvaardde de Tweede Kamer het wetsvoorstel, de Eerste Kamer volgde op 7 mei 1958. Een dag later ondertekende Koningin Juliana de Deltawet.
Auteur: Lencer (CC BY-SA 2.5) Dossier van het Nationale Archief en Dossier Administratie, gecatalogiseerd onder de ARC Identificatie (National Archives Identifier) 541705. Rijkswaterstaat, Data-ICT-Dienst, Beeldarchief Rijkswaterstaat.  https://beeldbank.rws.nl, Rijkswaterstaat. Nationaal Archief: beeldbank.nationaalarchief.nl/na:col1:dat477099