© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
VOC Verenigde Oost-Indische Compagnie (vervolg)
De Heren XVII of Heren Zeventien en in de oorspronkelijke schrijfwijze Heeren XVII, was de naam van het centrale bestuur van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). De Heren XVII was een wisselend college. Het bestond uit zeventien bewindhebbers, waaraan de naam van het college ontleend is en afkomstig uit de vier VOC-afdelingen. Daarnaast hadden vanaf 1614 zitting de advocaat van de VOC (dat kon er meer dan één zijn) en vanaf 1623 zes beëdigde hoofdparticipanten. Deze laatsten hadden een adviserende stem. De Generale Vergadering van de VOC vertegenwoordigde vier afdelingen met totaal zes kantoren die de naam van kamer hadden. Te weten: Amsterdam, belast met de helft van de activiteiten; Zeeland (Middelburg), verantwoordelijk voor een vierde van de activiteiten; Noorderkwartier of West-Friesland (Enkhuizen en Hoorn), zorgde voor een achtste van de activiteiten; Maaze (Delft en Rotterdam), ook een achtste van de activiteiten Gespecificeerd was de verdeling van de afgevaardigden voor de Heren XVII als volgt: Kamer Amsterdam (acht), Kamer Zeeland (vier), Kamer Delft (één), Kamer Rotterdam (één), Kamer Hoorn (één) en Kamer Enkhuizen (één). Het zeventiende lid werd bij toerbeurt afgevaardigd door Zeeland en één van de vier kleine kamers. Daarmee werd voorkomen dat Amsterdam een absolute meerderheid kreeg. De vergaderingen van de Heren XVII werden eerst twee keer per jaar en later drie keer per jaar gehouden. Ze vonden plaats in een cyclus van acht jaar, waarbij ze zes jaar in Amsterdam gehouden werden en vervolgens twee jaar in Middelburg. De bijeenkomsten namen meerdere weken in beslag. De bewindhebbers van de afzonderlijke kamers, waar vandaan de zeereizen georganiseerd werden, zagen elkaar vaker en waren verantwoordelijk voor het uitvoeren van het beleid van de Heren XVII. Omdat er in Azië weinig interesse bestond voor Europese producten, voeren de schepen aanvankelijk met een ballast van bakstenen en werd de handel veelal betaald met goud en zilver, aangevoerd vanuit Europa, Arabië, Zuid-Amerika of Japan, of met textiel en zijde die in India waren gekocht. Zo bouwde de VOC voort op een bestaand handelsnetwerk dat werd uitgebreid met factorijen die zilver, tin, hout, huiden, koper, salpeter, ivoor, betelnoten en opium leverden. Het opzetten van een netwerk van ruilhandel, dat de "Indische buitenhandel" werd genoemd, is gepropageerd door gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen (1587-1629) om het tekort aan edele metalen en contanten te ondervangen. Hij was ervan overtuigd dat met deze intra-Aziatische handel de VOC zich volledig zou kunnen bedruipen en geen geld uit de republiek meer nodig zou hebben om handelsgoederen in te kopen. Om dat mede te realiseren wilde hij vele Nederlanders naar de Indische archipel laten emigreren. Voor dat laatste ontbrak het aan belangstelling. Tussen circa 1635 en 1690 maakte de VOC inderdaad winst met de door Coen ingestelde interne handel. Het ruilen van Chinese zijde tegen Japans zilver bleek uitermate winstgevend. Pattani op het Maleise schiereiland werd al snel een centrum voor de inter-Aziatische handel; in het bijzonder voor de handel op China. De intra-Aziatische handel, in het begin zeer winstgevend voor de VOC, bracht vanaf het einde van de zeventiende eeuw geen winst meer op. De handel met Japan via Dejima droogde grotendeels op en de export van zilver en goud uit Japan werd verboden. In de tweede helft van de achttiende eeuw verschoof bovendien de handel van dure luxegoederen naar goedkopere massagoederen. Dat ging ten koste van de winstmarge. Een andere belangrijke reden was de toenemende Britse en Franse invloed via de Engelse Oostindische Compagnie en de Franse Oost-Indische Compagnie. In een vroege poging de smokkel van opium tegen te gaan, werd in 1745 de Amfioensociëteit opgericht. Deze kreeg het monopolie op de opiumhandel op Java en nam tegen een vastgestelde prijs van de VOC een bepaalde hoeveelheid opium af. De sociëteit werd gerund door VOC-bestuurders. De winsten waren voor hen persoonlijk. De opiumsmokkel kon echter niet uitgeroeid worden. Toen de Engelsen in 1757 Calcutta op de plaatselijke vorst veroverden, kregen die het monopolie op de opiumhandel. De VOC moest voortaan de opium tegen een forse prijs van de Engelsen inkopen, waardoor de winst terugliep. Vanaf dat moment was de VOC niet meer heer en meester in 'haar' handelsgebied. In 1758 moest de VOC haar positie in Suratte afstaan aan de Engelsen. Vanaf 1767 werd ook de handel met Ayutthaya minder winstgevend. Van de handel met Kanton bestond 80% uit thee. Die werd betaald met handelsgoederen die ter plekke eerst verkocht moesten worden om de thee te kunnen inkopen. Als dat gebeurd was, hadden de concurrenten de beste kwaliteit thee al opgekocht. Een belangrijke schadepost was de particuliere handel of "morshandel" die bedreven werd door de personeelsleden van de compagnie die pover werden betaald en zich op deze manier wisten te verrijken. Repatriërende VOC-dienaren brachten vaak grote fortuinen die ze zonder toestemming van hun werkgever voor eigen rekening hadden vergaard, mee naar het vaderland. Het einde van de VOC had vele oorzaken en was een langzaam verlopend proces dat bijna de gehele achttiende eeuw in beslag nam. De vaste kosten bleven hoog vanwege de vele garnizoenen die bemand moesten worden en de sterke oorlogsvloot die nodig was om het handelsgebied van de VOC te verdedigen. Aan het eind van zijn bestaan werd de VOC bestuurd door mensen die te weinig commerciële ervaring hadden, geen reder waren en die meestal ook nog nooit in Indië waren geweest. Bovendien ontbrak het aan een doorzichtig boekhoudsysteem, zodat men in Amsterdam geen goed zicht had op het verloop van de geldstromen. Een winst- en verliesrekening werd nooit opgemaakt en de vorming van een reservefonds werd nagelaten.Volgens raadpensionaris Laurens Pieter van de Spiegel was de VOC een lichaam zonder directie, orde of spaarzaamheid. Vastgesteld kan worden dat de gehele organisatie te rigide (onbeweegbaar / stijf) was om zich aan te passen. De bedrijfsresultaten daalden tot 1775 scherp, daarna trad een licht herstel in. Bergafwaarts Toen door de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog retourschepen de Republiek niet meer konden bereiken, ging het snel bergafwaarts. Twee jaar lang lag de handel stil. Grote voorraden handelsgoederen in de factorijen in Voor-Indië (Nagapattinam) waren door de Engelsen in beslag genomen. Al in 1781 besloten de Hollandse kamers surseance van betaling aan te vragen en er is sindsdien geen dividend meer uitgekeerd. Obligaties op de VOC waren inmiddels nagenoeg onverkoopbaar. Steun van de stad Amsterdam, de Bank van Lening, de Staten-Generaal, het gewest Holland en het in 1790 organiseren van loterijen konden het tij niet keren. De privileges van de bewindhebbers kwamen onder het mes en een aantal logementen werd opgeheven. In 1793 dreigden de bewindhebbers met de schorsing van de uitbetaling en het sluiten van de werven. In 1794 kwam naar buiten dat de Amsterdamse Wisselbank voor miljoenen guldens illegaal blanco krediet had verstrekt aan de VOC. Na het in 1795 uitbreken van de oorlog met Frankrijk vielen de meeste overgebleven VOC-kantoren in Engelse handen. Alleen de bezittingen op Java en de factorijen in Dejima en Kanton bleven behouden. Nationalisatie Na de oprichting van de Bataafse Republiek in 1795 werd op 24 december van dat jaar besloten dat de VOC per 1 maart 1796 genationaliseerd werd. Alle bewindhebbers werden per die datum ontslagen. De schulden, bezittingen en administratie van de VOC gingen over op de nieuwe republiek. Het octrooi dat eind dat jaar zou aflopen, werd verlengd tot 31 december 1798 om de lopende zaken af te handelen en vervolgens voor een laatste keer tot 31 december 1799. Officieel bestond de VOC niet meer op 1 januari 1800. De afzonderlijke kamers van de VOC in Delft, Hoorn en Enkhuizen werden pas in 1803 door de Raad van Aziatische Bezittingen en Etablissementen opgeheven. In Rotterdam en Middelburg bleven verkoopkantoren bestaan. Gedurende bijna 200 jaar werden ruim 4700 schepen naar Azië uitgerust, waarvan bijna 1700 in de zeventiende en meer dan 3000 in de achttiende eeuw. Vanaf het oprichtingsjaar tot 1700 bevonden zich op deze schepen 317.000 mensen, van 1700 tot 1795 waren er dat 655.000. Daarvan keerde een derde deel terug. De archieven van de Vereenigde Oostindische Compagnie staan sinds 2003 op de Werelderfgoedlijst voor documenten van UNESCO. De VOC-archieven worden door overheidsinstellingen bewaard in Kaapstad, Chennai, Colombo, Jakarta en Den Haag. UNESCO beschouwt  het archief als het grootste en meest indrukwekkende van alle vroeg moderne Europese handelsbedrijven die actief waren in Azië. Ongeveer vijfentwintig miljoen pagina's archief zijn bewaard gebleven. Volgens de organisatie vormen die het meest uitgebreide en de meest complete bron van de vroeg moderne wereldgeschiedenis met relevante informatie over de geschiedenis van honderden lokale politieke en handelsorganisaties in Azië en Afrika. De minimumleeftijd aan boord van de schepen was dertien jaar, later opgetrokken tot zestien. Een matroos verdiende zo'n 110 gulden per jaar. Zijn eten en onderdak kreeg hij ook vergoed. Ter vergelijking: een Raad van Indië verdiende 350 gulden, de gouverneur-generaal 1.200 gulden per maand, exclusief vrije kost en inwoning. In 1682 werden er op een VOC-schip zes apen, twaalf papegaaien, twee Ambonese kaketoes, een krokodil, een Bengaals hertje en een jonge eland vervoerd. De vraag naar en aanvoer van dieren was al snel zo groot dat de VOC in Amsterdam onderkomens liet bouwen om de bijzondere en zeldzame dieren tijdelijk te huisvesten. 
Foto:  Josh at nl.wikipedia Schilder: Reinier Vinkeles. Bron: Stadsarchief Gemeente Amsterdam Ets: Coenraet Decker, 1682. Bron: Atlas van der Hagen Terug vorige pagina Geneeskunde

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

VOC Verenigde Oost-Indische Compagnie (vervolg)
De Heren XVII of Heren Zeventien en in de oorspronkelijke schrijfwijze Heeren XVII, was de naam van het centrale bestuur van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). De Heren XVII was een wisselend college. Het bestond uit zeventien bewindhebbers, waaraan de naam van het college ontleend is en afkomstig uit de vier VOC-afdelingen. Daarnaast hadden vanaf 1614 zitting de advocaat van de VOC (dat kon er meer dan één zijn) en vanaf 1623 zes beëdigde hoofdparticipanten. Deze laatsten hadden een adviserende stem. De Generale Vergadering van de VOC vertegenwoordigde vier afdelingen met totaal zes kantoren die de naam van kamer hadden. Te weten: Amsterdam, belast met de helft van de activiteiten; Zeeland (Middelburg), verantwoordelijk voor een vierde van de activiteiten; Noorderkwartier of West-Friesland (Enkhuizen en Hoorn), zorgde voor een achtste van de activiteiten; Maaze (Delft en Rotterdam), ook een achtste van de activiteiten Gespecificeerd was de verdeling van de afgevaardigden voor de Heren XVII als volgt: Kamer Amsterdam (acht), Kamer Zeeland (vier), Kamer Delft (één), Kamer Rotterdam (één), Kamer Hoorn (één) en Kamer Enkhuizen (één). Het zeventiende lid werd bij toerbeurt afgevaardigd door Zeeland en één van de vier kleine kamers. Daarmee werd voorkomen dat Amsterdam een absolute meerderheid kreeg. De vergaderingen van de Heren XVII werden eerst twee keer per jaar en later drie keer per jaar gehouden. Ze vonden plaats in een cyclus van acht jaar, waarbij ze zes jaar in Amsterdam gehouden werden en vervolgens twee jaar in Middelburg. De bijeenkomsten namen meerdere weken in beslag. De bewindhebbers van de afzonderlijke kamers, waar vandaan de zeereizen georganiseerd werden, zagen elkaar vaker en waren verantwoordelijk voor het uitvoeren van het beleid van de Heren XVII. Omdat er in Azië weinig interesse bestond voor Europese producten, voeren de schepen aanvankelijk met een ballast van bakstenen en werd de handel veelal betaald met goud en zilver, aangevoerd vanuit Europa, Arabië, Zuid- Amerika of Japan, of met textiel en zijde die in India waren gekocht. Zo bouwde de VOC voort op een bestaand handelsnetwerk dat werd uitgebreid met factorijen die zilver, tin, hout, huiden, koper, salpeter, ivoor, betelnoten en opium leverden. Het opzetten van een netwerk van ruilhandel, dat de "Indische buitenhandel" werd genoemd, is gepropageerd door gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen (1587-1629) om het tekort aan edele metalen en contanten te ondervangen. Hij was ervan overtuigd dat met deze intra- Aziatische handel de VOC zich volledig zou kunnen bedruipen en geen geld uit de republiek meer nodig zou hebben om handelsgoederen in te kopen. Om dat mede te realiseren wilde hij vele Nederlanders naar de Indische archipel laten emigreren. Voor dat laatste ontbrak het aan belangstelling. Tussen circa 1635 en 1690 maakte de VOC inderdaad winst met de door Coen ingestelde interne handel. Het ruilen van Chinese zijde tegen Japans zilver bleek uitermate winstgevend. Pattani op het Maleise schiereiland werd al snel een centrum voor de inter-Aziatische handel; in het bijzonder voor de handel op China. De intra-Aziatische handel, in het begin zeer winstgevend voor de VOC, bracht vanaf het einde van de zeventiende eeuw geen winst meer op. De handel met Japan via Dejima droogde grotendeels op en de export van zilver en goud uit Japan werd verboden. In de tweede helft van de achttiende eeuw verschoof bovendien de handel van dure luxegoederen naar goedkopere massagoederen. Dat ging ten koste van de winstmarge. Een andere belangrijke reden was de toenemende Britse en Franse invloed via de Engelse Oostindische Compagnie en de Franse Oost-Indische Compagnie. In een vroege poging de smokkel van opium tegen te gaan, werd in 1745 de Amfioensociëteit opgericht. Deze kreeg het monopolie op de opiumhandel op Java en nam tegen een vastgestelde prijs van de VOC een bepaalde hoeveelheid opium af. De sociëteit werd gerund door VOC-bestuurders. De winsten waren voor hen persoonlijk. De opiumsmokkel kon echter niet uitgeroeid worden. Toen de Engelsen in 1757 Calcutta op de plaatselijke vorst veroverden, kregen die het monopolie op de opiumhandel. De VOC moest voortaan de opium tegen een forse prijs van de Engelsen inkopen, waardoor de winst terugliep. Vanaf dat moment was de VOC niet meer heer en meester in 'haar' handelsgebied. In 1758 moest de VOC haar positie in Suratte afstaan aan de Engelsen. Vanaf 1767 werd ook de handel met Ayutthaya minder winstgevend. Van de handel met Kanton bestond 80% uit thee. Die werd betaald met handelsgoederen die ter plekke eerst verkocht moesten worden om de thee te kunnen inkopen. Als dat gebeurd was, hadden de concurrenten de beste kwaliteit thee al opgekocht. Een belangrijke schadepost was de particuliere handel of "morshandel" die bedreven werd door de personeelsleden van de compagnie die pover werden betaald en zich op deze manier wisten te verrijken. Repatriërende VOC-dienaren brachten vaak grote fortuinen die ze zonder toestemming van hun werkgever voor eigen rekening hadden vergaard, mee naar het vaderland. Het einde van de VOC had vele oorzaken en was een langzaam verlopend proces dat bijna de gehele achttiende eeuw in beslag nam. De vaste kosten bleven hoog vanwege de vele garnizoenen die bemand moesten worden en de sterke oorlogsvloot die nodig was om het handelsgebied van de VOC te verdedigen. Aan het eind van zijn bestaan werd de VOC bestuurd door mensen die te weinig commerciële ervaring hadden, geen reder waren en die meestal ook nog nooit in Indië waren geweest. Bovendien ontbrak het aan een doorzichtig boekhoudsysteem, zodat men in Amsterdam geen goed zicht had op het verloop van de geldstromen. Een winst- en verliesrekening werd nooit opgemaakt en de vorming van een reservefonds werd nagelaten.Volgens raadpensionaris Laurens Pieter van de Spiegel was de VOC een lichaam zonder directie, orde of spaarzaamheid. Vastgesteld kan worden dat de gehele organisatie te rigide (onbeweegbaar / stijf) was om zich aan te passen. De bedrijfsresultaten daalden tot 1775 scherp, daarna trad een licht herstel in. Bergafwaarts Toen door de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog retourschepen de Republiek niet meer konden bereiken, ging het snel bergafwaarts. Twee jaar lang lag de handel stil. Grote voorraden handelsgoederen in de factorijen in Voor-Indië (Nagapattinam) waren door de Engelsen in beslag genomen. Al in 1781 besloten de Hollandse kamers surseance van betaling aan te vragen en er is sindsdien geen dividend meer uitgekeerd. Obligaties op de VOC waren inmiddels nagenoeg onverkoopbaar. Steun van de stad Amsterdam, de Bank van Lening, de Staten-Generaal, het gewest Holland en het in 1790 organiseren van loterijen konden het tij niet keren. De privileges van de bewindhebbers kwamen onder het mes en een aantal logementen werd opgeheven. In 1793 dreigden de bewindhebbers met de schorsing van de uitbetaling en het sluiten van de werven. In 1794 kwam naar buiten dat de Amsterdamse Wisselbank voor miljoenen guldens illegaal blanco krediet had verstrekt aan de VOC. Na het in 1795 uitbreken van de oorlog met Frankrijk vielen de meeste overgebleven VOC-kantoren in Engelse handen. Alleen de bezittingen op Java en de factorijen in Dejima en Kanton bleven behouden. Nationalisatie Na de oprichting van de Bataafse Republiek in 1795 werd op 24 december van dat jaar besloten dat de VOC per 1 maart 1796 genationaliseerd werd. Alle bewindhebbers werden per die datum ontslagen. De schulden, bezittingen en administratie van de VOC gingen over op de nieuwe republiek. Het octrooi dat eind dat jaar zou aflopen, werd verlengd tot 31 december 1798 om de lopende zaken af te handelen en vervolgens voor een laatste keer tot 31 december 1799. Officieel bestond de VOC niet meer op 1 januari 1800. De afzonderlijke kamers van de VOC in Delft, Hoorn en Enkhuizen werden pas in 1803 door de Raad van Aziatische Bezittingen en Etablissementen opgeheven. In Rotterdam en Middelburg bleven verkoopkantoren bestaan. Gedurende bijna 200 jaar werden ruim 4700 schepen naar Azië uitgerust, waarvan bijna 1700 in de zeventiende en meer dan 3000 in de achttiende eeuw. Vanaf het oprichtingsjaar tot 1700 bevonden zich op deze schepen 317.000 mensen, van 1700 tot 1795 waren er dat 655.000. Daarvan keerde en derde deel terug. De archieven van de Vereenigde Oostindische Compagnie staan sinds 2003 op de Werelderfgoedlijst voor documenten van UNESCO. De VOC-archieven worden door overheidsinstellingen bewaard in Kaapstad, Chennai, Colombo, Jakarta en Den Haag. UNESCO beschouwt  het archief als het grootste en meest indrukwekkende van alle vroeg moderne Europese handelsbedrijven die actief waren in Azië. Ongeveer vijfentwintig miljoen pagina's archief zijn bewaard gebleven. Volgens de organisatie vormen die het meest uitgebreide en de meest complete bron van de vroeg moderne wereldgeschiedenis met relevante informatie over de geschiedenis van honderden lokale politieke en handelsorganisaties in Azië en Afrika. De minimumleeftijd aan boord van de schepen was dertien jaar, later opgetrokken tot zestien. Een matroos verdiende zo'n 110 gulden per jaar. Zijn eten en onderdak kreeg hij ook vergoed. Ter vergelijking: een Raad van Indië verdiende 350 gulden, de gouverneur-generaal 1.200 gulden per maand, exclusief vrije kost en inwoning. In 1682 werden er op een VOC-schip zes apen, twaalf papegaaien, twee Ambonese kaketoes, een krokodil, een Bengaals hertje en een jonge eland vervoerd. De vraag naar en aanvoer van dieren was al snel zo groot dat de VOC in Amsterdam onderkomens liet bouwen om de bijzondere en zeldzame dieren tijdelijk te huisvesten. 
Foto:  Josh at nl.wikipedia Schilder: Reinier Vinkeles. Bron: Stadsarchief Gemeente Amsterdam Ets: Coenraet Decker, 1682. Bron: Atlas van der Hagen