© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
 Tweede Wereldoorlog - Holocaust (vervolg)
De Slag om Engeland De Britten vochten door, ondanks de verpletterende nederlaag op het Europese vasteland. Hitler wilde zijn aandacht zo snel mogelijk oostwaarts richten, maar Duitse vredesvoorstellen aan de Britten werden door dezen afgeslagen, vooral door toedoen van de nieuwe premier Winston Churchill; hij was op 10 mei 1940 Neville Chamberlain opgevolgd na de massale aanval van Duitsland op Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk. Op 16 juli 1940 gaf de Duitse opperbevelhebber (Hitler) daarom opdracht voorbereidingen te treffen voor de invasie en verovering van Groot-Brittannië (operatie Seelöwe). Over de Britse weerstand op eigen grondgebied hoefden de Duitsers zich niet al te veel zorgen te maken, maar wegens het grote overwicht van de Royal Navy over de relatief bescheiden Duitse marine zou een aanval slechts kans van slagen hebben als de Duitse strijdkrachten het luchtruim volledig beheersten, zodat de Britse schepen vanuit de lucht op afstand konden worden gehouden. De aanvallen van de Luftwaffe waren dan ook gedurende bijna twee maanden grotendeels gericht op de uitschakeling van de vliegvelden van Royal Air Force in het zuiden van Engeland. Toen op 24 augustus 1940 voor het eerst, al was het per ongeluk, Duitse bommen op het oosten van Londen vielen, leidde dat tot een Britse vergeldingsaanval op Berlijn. De woedende Hitler eiste onmiddellijk een afstraffing van 'deze brutaliteit' door een massaal bombardement van Londen. Het idee dat het met de Britse luchtverdediging grotendeels was gedaan droeg ook bij tot deze fundamentele wijziging van de Duitse strategie. Vanaf 7 september 1940 werd getracht de Britse oorlogswil te breken door stelselmatige terreurbombardementen van de burgerbevolking, maar dit bleek een fatale vergissing. Er vielen vele burgerslachtoffers en er werd zware schade aangericht in Londen en veel andere steden, maar het moreel werd niet gebroken. Bovendien kreeg de Royal Air Force nu de gedroomde kans de onmisbare vliegvelden te herstellen en bracht de Duitsers steeds zwaardere verliezen toe. Operatie Seelöwe werd uitgesteld en uiteindelijk afgeblazen zonder dat het doel, veiligheid in het westen, bereikt was. De Luftwaffe was meer dan 1500 vliegtuigen kwijt geraakt, en aan het oostfront zou de Duitse oorlogscapaciteit nooit volledig kunnen worden ingezet door de voortdurende dreiging in het westen. De Slag om de Atlantische Oceaan De Kriegsmarine trachtte vooral met onderzeeërs de scheepvaart op de Atlantische Oceaan onmogelijk te maken en op die manier de Britse aanvoerlijnen vanuit de Verenigde Staten af te snijden. De Duitsers voerden daarom Operatie Paukenschlag uit om de Amerikaanse kustvaart te treffen. Hoewel de onderzeeërs in de eerste jaren een ernstige bedreiging vormden voor de geallieerde scheepvaart in het algemeen, en de aanvoer naar Groot-Brittannië in het bijzonder, werd deze uitputtingsslag door de samenloop van een aantal factoren vanaf 1943 beslecht in het voordeel van de geallieerden: er kwamen meer technische mogelijkheden om onderzeeërs op te sporen en te vernietigen, de Enigmacodes voor de versleuteling van de Duitse militaire communicatie werden gekraakt, en bovenal werd het productief vermogen van de Verenigde Staten groter dan de vernietigingskracht van de Duitsers. De Balkan Albanië was reeds in april 1939 door de Italianen bezet en Mussolini, geïrriteerd door de Duitse successen, liet op 28 oktober 1940 zijn troepen Griekenland binnenvallen. Hoewel het Griekse leger geen noemenswaardige luchtmacht had en slecht was voorbereid, bleken de Italianen niet tot veel in staat. De Italiaanse strijdkrachten beschikten wel over aanvalsvliegtuigen, maar deze konden door de slechte weersomstandigheden niet worden ingezet. Ook was het moeilijk begaanbare terrein in het voordeel van de verdedigers. Het Griekse tegenoffensief van 14 november 1940 wierp de Italianen vervolgens ver terug tot over de grenzen van het reeds bezette Albanië. Britse troepen landden op Kreta en verleenden de Grieken luchtsteun, waarmee voor Duitsland een ernstige bedreiging ontstond. De Britten waren nu namelijk in staat vanuit Griekenland de Roemeense olievelden te bombarderen en zo de Duitse brandstofvoorziening in gevaar te brengen. Op de Balkan hadden de meeste landen inmiddels hun posities bepaald. Hongarije, Roemenië, en Bulgarije hadden zich bij de As aangesloten, terwijl op 27 maart 1941 een staatsgreep in Joegoslavië een bewind aan de macht bracht dat gekant was tegen de asmogendheden, waarmee een bedreiging vanuit de Balkan ontstond. De Duitsers, geholpen door Italiaanse, Hongaarse en Bulgaarse troepen, vielen daarom op 6 april 1941 van alle kanten Joegoslavië binnen. De inmiddels ervaren Wehrmacht overmeesterde het land in elf dagen, mede vanwege de onbeholpen strategie van de Joegoslaven die overal stand wilden houden, waardoor de verdediging volledig werd versnipperd. Tegelijkertijd waren de Duitse strijdkrachten Griekenland vanuit Bulgarije binnengedrongen. De gecombineerde Grieks- Britse defensie was in geen enkel opzicht opgewassen tegen de numeriek grotere en zwaarder bewapende overmacht. Op 27 april 1941 viel Athene, en op 20 mei voerden Duitse parachutisten een landing op Kreta uit, dat zij na 10 dagen van zware gevechten op de Britten wisten te veroveren. De asmogendheden hadden daarmee de Balkan onder controle, maar zouden in Joegoslavië, Albanië en Griekenland te maken krijgen met een felle partisanenoorlog, die door de westelijke geallieerden gesteund werd. Het Griekse verzet tegen de Italiaanse, Bulgaarse en Duitse bezetters werd ernstig verzwakt door de in 1942 uitgebroken Griekse Burgeroorlog tussen het communistische en het monarchistische verzet, die tot 1949 zou duren. Dit kan gezien worden als een voorbode van de Koude Oorlog, die al snel na de Tweede Wereldoorlog de internationale verhoudingen ging bepalen. In Joegoslavië en Albanië was het communistisch geïnspireerde verzet sterk genoeg om de Duitsers min of meer op eigen kracht te verdrijven, zodat zij in het naoorlogse communistische 'blok' buitenbeentjes konden blijven. In Griekenland trokken de Duitsers zich eind 1944 uit eigen beweging terug, toen het oprukkende Rode Leger een directe bedreiging voor Duitsland zelf werd. De Duitse aanval op Nederland De Duitse aanval op Nederland in de meidagen van 1940 begon op 10 mei en betekende voor Nederland het begin van de Tweede Wereldoorlog. Duitsland viel gelijktijdig ook Luxemburg en België binnen als onderdeel van Fall Gelb. Op 14 mei eisten de Duitsers de overgave van Rotterdam; de stad werd daarop overgegeven, maar werd toch gebombardeerd. Na dit bombardement besloot het Nederlandse leger te capituleren. Deze capitulatie vond plaats op de nacht van woensdag 15 mei in het dorpje Rijsoord (gemeente Ridderkerk, gelegen ten zuiden van Rotterdam) in een school die dienst had gedaan als hoofdkwartier van generaal Kurt Student, bevelhebber over het Luftlandekorps. Tegenwoordig is de school een museum. Opperbevelhebber generaal Henri Winkelman tekende voor capitulatie. Aan Duitse zijde was generaal Georg von Küchler de hoogste officier. De capitulatie gold niet voor de provincie Zeeland, waar nog enkele dagen strijd werd geleverd totdat een bombardement op Middelburg ook de overgave van Zeeland forceerde. Om veiligheidsredenen (op aandringen van de regering) vluchtte Koningin Wilhelmina met Prins Bernhard op 10 mei naar Engeland, en Prinses Juliana met de kinderen ging door naar Canada. In Londen gaf Wilhelmina leiding aan de Nederlandse regering in ballingschap en prees het verzet in Nederland. Wilhelmina zond ook radioboodschappen aan haar volk, via Radio Oranje. Ondanks de hierop gestelde straf, werden de uitzendingen in Nederland veel beluisterd en werd oranje de kleur van bevrijding. De hierop volgende bezetting duurde 5 jaar. De hoop was dat de Fransen en Engelsen snel Nederland weer zouden bevrijden maar na de evacuatie uit Duinkerken, waar de geallieerden maar ternauwernood aan omsingeling ontsnapten, volgde de capitulatie van Frankrijk. Spionage Voorafgaand aan de Duitse inval voerde het Duitse Rijk de spionage fors op. Ten gevolge hiervan kon bijvoorbeeld bij de inval de commandant van de 207e infanteriedivisie beschikken over een gedetailleerde kaart van de Grebbeberg, met mijnenvelden, commandoposten, kazematten en inundaties. Ook de commandanten van de Slag om Den Haag beschikten over uitmuntende kaarten van de stad, compleet met locaties van het Koninklijk Huis en de voornaamste verdedigingsposten. Spionage vond bijvoorbeeld plaats door de Duitse kapitein Kriebel, die op 23 februari 1940 per trein in Den Haag arriveerde, en vandaaruit per auto de Grebbeberg verkende. Majoor Mantey en Generaal- Majoor Zickwolf, de commandant van de Duitse 227e divisie, behoorden eveneens tot de vroegtijdige 'bezoekers' van Nederland. Voor het verkennen van de Grebbelinie maakten de Duitsers dankbaar gebruik van de uitkijktoren in Ouwehands Dierenpark. Toen minister-president De Geer op de spionage gewezen werd, achtte hij de economische betekenis van de openstelling van de toren belangrijker dan mogelijke risico's voor de staatsveiligheid. Ook op andere plaatsen gaven economische motieven vaak de doorslag. Zo werden bij de Grebbelinie en bij andere stellingen verzoeken tot het kappen van bomen afgewezen, omdat dit tot hoge schadeclaims van boeren zou kunnen leiden. In augustus 1939 werd Nederland gemobiliseerd. Op vitale punten waren bunkers gebouwd; daarmee was Nederland voldoende voorbereid, meende men. Men realiseerde zich niet dat de gemobiliseerde troepen sinds de mobilisatie vooral de eigen stellingen hadden gebouwd. Ze waren als grondwerker actief geweest, maar niet getraind als soldaat. In de periode 1937 tot mei 1940 wist het ministerie van Oorlog nog een aanzienlijke uitbreiding van de materiële sterkte van het leger te bewerkstelligen. Zo werd met name modern 47 mm antitankgeschut en modern luchtafweergeschut aangeschaft, en werden 39 moderne pantserwagens in de bewapening opgenomen. Het leger had echter een groot tekort aan moderne artillerie, aan voldoende en moderne machinegeweren, aan voldoende mortieren en vooral aan verbindingsmiddelen. Hierdoor kon men de helft van het leger niet in divisieverband opstellen omdat de artillerie daarvoor ontbrak. Het bewapeningsniveau was dat van een leger uit 1900. Ook de luchtmacht kreeg nog een zeventigtal moderne toestellen (Fokker T.V, Fokker G.I en Fokker D.XXI) in de laatste jaren voor de oorlog. De uitgaven werden echter beperkt gehouden en tevens ondervond men veel problemen met het onderbrengen van de opdrachten omdat de hele wereld aan het herbewapenen was en Nederland maar weinig eigen defensie-industrie bezat. Sommige wapenorders werden geplaatst bij Krupp in Duitsland. Hoewel de Duitse regering deze orders aanvankelijk had goedgekeurd, werden de wapens (achteraf om voor de hand liggende redenen) nooit geleverd en hielden de Duitsers de Nederlanders voortdurend aan het lijntje. Uiteindelijk, toen het te laat was om nog bij andere landen wapens te bestellen, werden de Nederlandse orders door de Duitse regering geannuleerd. Privé-initiatieven kwamen ook van de grond: onder andere in Leeuwarden, Delft en Den Haag werd op privé- of bedrijfsinitiatief luchtafweergeschut in Zwitserland aangekocht en geplaatst. Deze onderdelen werden door de Vrijwillige Luchtafweer Dienst bezet. Op 9 november werden in het Venlo-incident twee Britse geheime agenten op Nederlands grondgebied gevangengenomen door de Gestapo en naar Duitsland afgevoerd. Hierbij kwam de Nederlandse luitenant Dirk Klop om het leven. De GS IIIA (Generale Staf sectie III was de eerste moderne Nederlandse inlichtingendienst: sectie A voor het vergaren van inlichtingen over het buitenland) informeerde de Nederlandse politieke en militaire beleidsmakers begin november 1939 dat Adolf Hitler op 12 november 1939 een aanval op Nederland wilde laten uitvoeren. Aan de hand van de berichten van de GS IIIA werden een aantal maatregelen genomen om voorbereid te zijn op een eventuele Duitse aanval. De informatie van de GS IIIA was onder meer gebaseerd op de inlichtingen van majoor Bert Sas, de Nederlandse militaire attaché in Berlijn, maar ook op informatie uit andere bronnen. Op 10 januari 1940 maakte een Duits militair vliegtuigje een noodlanding bij Maasmechelen in België. De Duitse inzittenden probeerden in paniek papieren te verbranden; deze papieren bevatten het plan Fall Gelb, het Duits offensief tegen Frankrijk, België en Nederland. De GS IIIA ontving deze informatie. Men nam de dreiging wederom serieus en informeerde de beleidsmakers. Hoewel er sprake was van enige scepsis bij de beleidsmakers werden wederom maatregelen genomen om de Duitse dreiging het hoofd te kunnen bieden. De inlichtingenbron van majoor Sas was kolonel Hans Oster, werkzaam bij de Duitse contraspionagedienst Abwehr. Toen Hitler de planning van Fall Gelb wijzigde, gaf Oster verschillende malen nieuwe data door. Achteraf bleek dat de informatie van majoor Sas en kolonel Oster telkens correct was. Hoewel het beeld bestaat dat er collectief werd getwijfeld aan de informatie van Sas, blijkt uit recent onderzoek dat Sas wel degelijk serieus werd genomen. Het contact van majoor Sas was een belangrijke informant maar niet de enige die de GS IIIA informeerde over de Duitse aanvalsdata. Door het uitgebreide netwerk van GS IIIA kon deze dienst telkens de Nederlandse beleidsmakers tijdig van accurate en relevante inlichtingen omtrent de Duitse dreiging voorzien. Telkens wanneer de GS IIIA aangaf dat een Duitse aanval aanstaande was werden diverse maatregelen (verloven intrekken, verhogen paraatheid, bruggen opblazen etc.) genomen om voorbereid te zijn op de Duitse aanval. Ondanks de accurate inlichtingen en de tijdige voorbereidingen was het Nederlandse leger in mei 1940 niet opgewassen tegen het veel sterkere Duitse leger.
Terug vorige pagina Geneeskunde Terug vorige pagina Geneeskunde

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Tweede Wereldoorlog - Holocaust (vervolg) 
De Slag om Engeland De Britten vochten door, ondanks de verpletterende nederlaag op het Europese vasteland. Hitler wilde zijn aandacht zo snel mogelijk oostwaarts richten, maar Duitse vredesvoorstellen aan de Britten werden door dezen afgeslagen, vooral door toedoen van de nieuwe premier Winston Churchill; hij was op 10 mei 1940 Neville Chamberlain opgevolgd na de massale aanval van Duitsland op Nederland, België, Luxemburg en Frankrijk. Op 16 juli 1940 gaf de Duitse opperbevelhebber (Hitler) daarom opdracht voorbereidingen te treffen voor de invasie en verovering van Groot-Brittannië (operatie Seelöwe). Over de Britse weerstand op eigen grondgebied hoefden de Duitsers zich niet al te veel zorgen te maken, maar wegens het grote overwicht van de Royal Navy over de relatief bescheiden Duitse marine zou een aanval slechts kans van slagen hebben als de Duitse strijdkrachten het luchtruim volledig beheersten, zodat de Britse schepen vanuit de lucht op afstand konden worden gehouden. De aanvallen van de Luftwaffe waren dan ook gedurende bijna twee maanden grotendeels gericht op de uitschakeling van de vliegvelden van Royal Air Force in het zuiden van Engeland. Toen op 24 augustus 1940 voor het eerst, al was het per ongeluk, Duitse bommen op het oosten van Londen vielen, leidde dat tot een Britse vergeldingsaanval op Berlijn. De woedende Hitler eiste onmiddellijk een afstraffing van 'deze brutaliteit' door een massaal bombardement van Londen. Het idee dat het met de Britse luchtverdediging grotendeels was gedaan droeg ook bij tot deze fundamentele wijziging van de Duitse strategie. Vanaf 7 september 1940 werd getracht de Britse oorlogswil te breken door stelselmatige terreurbombardementen van de burgerbevolking, maar dit bleek een fatale vergissing. Er vielen vele burgerslachtoffers en er werd zware schade aangericht in Londen en veel andere steden, maar het moreel werd niet gebroken. Bovendien kreeg de Royal Air Force nu de gedroomde kans de onmisbare vliegvelden te herstellen en bracht de Duitsers steeds zwaardere verliezen toe. Operatie Seelöwe werd uitgesteld en uiteindelijk afgeblazen zonder dat het doel, veiligheid in het westen, bereikt was. De Luftwaffe was meer dan 1500 vliegtuigen kwijt geraakt, en aan het oostfront zou de Duitse oorlogscapaciteit nooit volledig kunnen worden ingezet door de voortdurende dreiging in het westen. De Slag om de Atlantische Oceaan De Kriegsmarine trachtte vooral met onderzeeërs de scheepvaart op de Atlantische Oceaan onmogelijk te maken en op die manier de Britse aanvoerlijnen vanuit de Verenigde Staten af te snijden. De Duitsers voerden daarom Operatie Paukenschlag uit om de Amerikaanse kustvaart te treffen. Hoewel de onderzeeërs in de eerste jaren een ernstige bedreiging vormden voor de geallieerde scheepvaart in het algemeen, en de aanvoer naar Groot-Brittannië in het bijzonder, werd deze uitputtingsslag door de samenloop van een aantal factoren vanaf 1943 beslecht in het voordeel van de geallieerden: er kwamen meer technische mogelijkheden om onderzeeërs op te sporen en te vernietigen, de Enigmacodes voor de versleuteling van de Duitse militaire communicatie werden gekraakt, en bovenal werd het productief vermogen van de Verenigde Staten groter dan de vernietigingskracht van de Duitsers. De Balkan Albanië was reeds in april 1939 door de Italianen bezet en Mussolini, geïrriteerd door de Duitse successen, liet op 28 oktober 1940 zijn troepen Griekenland binnenvallen. Hoewel het Griekse leger geen noemenswaardige luchtmacht had en slecht was voorbereid, bleken de Italianen niet tot veel in staat. De Italiaanse strijdkrachten beschikten wel over aanvalsvliegtuigen, maar deze konden door de slechte weersomstandigheden niet worden ingezet. Ook was het moeilijk begaanbare terrein in het voordeel van de verdedigers. Het Griekse tegenoffensief van 14 november 1940 wierp de Italianen vervolgens ver terug tot over de grenzen van het reeds bezette Albanië. Britse troepen landden op Kreta en verleenden de Grieken luchtsteun, waarmee voor Duitsland een ernstige bedreiging ontstond. De Britten waren nu namelijk in staat vanuit Griekenland de Roemeense olievelden te bombarderen en zo de Duitse brandstofvoorziening in gevaar te brengen. Op de Balkan hadden de meeste landen inmiddels hun posities bepaald. Hongarije, Roemenië, en Bulgarije hadden zich bij de As aangesloten, terwijl op 27 maart 1941 een staatsgreep in Joegoslavië een bewind aan de macht bracht dat gekant was tegen de asmogendheden, waarmee een bedreiging vanuit de Balkan ontstond. De Duitsers, geholpen door Italiaanse, Hongaarse en Bulgaarse troepen, vielen daarom op 6 april 1941 van alle kanten Joegoslavië binnen. De inmiddels ervaren Wehrmacht overmeesterde het land in elf dagen, mede vanwege de onbeholpen strategie van de Joegoslaven die overal stand wilden houden, waardoor de verdediging volledig werd versnipperd. Tegelijkertijd waren de Duitse strijdkrachten Griekenland vanuit Bulgarije binnengedrongen. De gecombineerde Grieks-Britse defensie was in geen enkel opzicht opgewassen tegen de numeriek grotere en zwaarder bewapende overmacht. Op 27 april 1941 viel Athene, en op 20 mei voerden Duitse parachutisten een landing op Kreta uit, dat zij na 10 dagen van zware gevechten op de Britten wisten te veroveren. De asmogendheden hadden daarmee de Balkan onder controle, maar zouden in Joegoslavië, Albanië en Griekenland te maken krijgen met een felle partisanenoorlog, die door de westelijke geallieerden gesteund werd. Het Griekse verzet tegen de Italiaanse, Bulgaarse en Duitse bezetters werd ernstig verzwakt door de in 1942 uitgebroken Griekse Burgeroorlog tussen het communistische en het monarchistische verzet, die tot 1949 zou duren. Dit kan gezien worden als een voorbode van de Koude Oorlog, die al snel na de Tweede Wereldoorlog de internationale verhoudingen ging bepalen. In Joegoslavië en Albanië was het communistisch geïnspireerde verzet sterk genoeg om de Duitsers min of meer op eigen kracht te verdrijven, zodat zij in het naoorlogse communistische 'blok' buitenbeentjes konden blijven. In Griekenland trokken de Duitsers zich eind 1944 uit eigen beweging terug, toen het oprukkende Rode Leger een directe bedreiging voor Duitsland zelf werd. De Duitse aanval op Nederland De Duitse aanval op Nederland in de meidagen van 1940 begon op 10 mei en betekende voor Nederland het begin van de Tweede Wereldoorlog. Duitsland viel gelijktijdig ook Luxemburg en België binnen als onderdeel van Fall Gelb. Op 14 mei eisten de Duitsers de overgave van Rotterdam; de stad werd daarop overgegeven, maar werd toch gebombardeerd. Na dit bombardement besloot het Nederlandse leger te capituleren. Deze capitulatie vond plaats op de nacht van woensdag 15 mei in het dorpje Rijsoord (gemeente Ridderkerk, gelegen ten zuiden van Rotterdam) in een school die dienst had gedaan als hoofdkwartier van generaal Kurt Student, bevelhebber over het Luftlandekorps. Tegenwoordig is de school een museum. Opperbevelhebber generaal Henri Winkelman tekende voor capitulatie. Aan Duitse zijde was generaal Georg von Küchler de hoogste officier. De capitulatie gold niet voor de provincie Zeeland, waar nog enkele dagen strijd werd geleverd totdat een bombardement op Middelburg ook de overgave van Zeeland forceerde. Om veiligheidsredenen (op aandringen van de regering) vluchtte Koningin Wilhelmina met Prins Bernhard op 10 mei naar Engeland, en Prinses Juliana met de kinderen ging door naar Canada. In Londen gaf Wilhelmina leiding aan de Nederlandse regering in ballingschap en prees het verzet in Nederland. Wilhelmina zond ook radioboodschappen aan haar volk, via Radio Oranje. Ondanks de hierop gestelde straf, werden de uitzendingen in Nederland veel beluisterd en werd oranje de kleur van bevrijding. De hierop volgende bezetting duurde 5 jaar. De hoop was dat de Fransen en Engelsen snel Nederland weer zouden bevrijden maar na de evacuatie uit Duinkerken, waar de geallieerden maar ternauwernood aan omsingeling ontsnapten, volgde de capitulatie van Frankrijk. Spionage Voorafgaand aan de Duitse inval voerde het Duitse Rijk de spionage fors op. Ten gevolge hiervan kon bijvoorbeeld bij de inval de commandant van de 207e infanteriedivisie beschikken over een gedetailleerde kaart van de Grebbeberg, met mijnenvelden, commandoposten, kazematten en inundaties. Ook de commandanten van de Slag om Den Haag beschikten over uitmuntende kaarten van de stad, compleet met locaties van het Koninklijk Huis en de voornaamste verdedigingsposten. Spionage vond bijvoorbeeld plaats door de Duitse kapitein Kriebel, die op 23 februari 1940 per trein in Den Haag arriveerde, en vandaaruit per auto de Grebbeberg verkende. Majoor Mantey en Generaal-Majoor Zickwolf, de commandant van de Duitse 227e divisie, behoorden eveneens tot de vroegtijdige 'bezoekers' van Nederland. Voor het verkennen van de Grebbelinie maakten de Duitsers dankbaar gebruik van de uitkijktoren in Ouwehands Dierenpark. Toen minister-president De Geer op de spionage gewezen werd, achtte hij de economische betekenis van de openstelling van de toren belangrijker dan mogelijke risico's voor de staatsveiligheid. Ook op andere plaatsen gaven economische motieven vaak de doorslag. Zo werden bij de Grebbelinie en bij andere stellingen verzoeken tot het kappen van bomen afgewezen, omdat dit tot hoge schadeclaims van boeren zou kunnen leiden. In augustus 1939 werd Nederland gemobiliseerd. Op vitale punten waren bunkers gebouwd; daarmee was Nederland voldoende voorbereid, meende men. Men realiseerde zich niet dat de gemobiliseerde troepen sinds de mobilisatie vooral de eigen stellingen hadden gebouwd. Ze waren als grondwerker actief geweest, maar niet getraind als soldaat. In de periode 1937 tot mei 1940 wist het ministerie van Oorlog nog een aanzienlijke uitbreiding van de materiële sterkte van het leger te bewerkstelligen. Zo werd met name modern 47 mm antitankgeschut en modern luchtafweergeschut aangeschaft, en werden 39 moderne pantserwagens in de bewapening opgenomen. Het leger had echter een groot tekort aan moderne artillerie, aan voldoende en moderne machinegeweren, aan voldoende mortieren en vooral aan verbindingsmiddelen. Hierdoor kon men de helft van het leger niet in divisieverband opstellen omdat de artillerie daarvoor ontbrak. Het bewapeningsniveau was dat van een leger uit 1900. Ook de luchtmacht kreeg nog een zeventigtal moderne toestellen (Fokker T.V, Fokker G.I en Fokker D.XXI) in de laatste jaren voor de oorlog. De uitgaven werden echter beperkt gehouden en tevens ondervond men veel problemen met het onderbrengen van de opdrachten omdat de hele wereld aan het herbewapenen was en Nederland maar weinig eigen defensie-industrie bezat. Sommige wapenorders werden geplaatst bij Krupp in Duitsland. Hoewel de Duitse regering deze orders aanvankelijk had goedgekeurd, werden de wapens (achteraf om voor de hand liggende redenen) nooit geleverd en hielden de Duitsers de Nederlanders voortdurend aan het lijntje. Uiteindelijk, toen het te laat was om nog bij andere landen wapens te bestellen, werden de Nederlandse orders door de Duitse regering geannuleerd. Privé-initiatieven kwamen ook van de grond: onder andere in Leeuwarden, Delft en Den Haag werd op privé- of bedrijfsinitiatief luchtafweergeschut in Zwitserland aangekocht en geplaatst. Deze onderdelen werden door de Vrijwillige Luchtafweer Dienst bezet. Op 9 november werden in het Venlo-incident twee Britse geheime agenten op Nederlands grondgebied gevangengenomen door de Gestapo en naar Duitsland afgevoerd. Hierbij kwam de Nederlandse luitenant Dirk Klop om het leven. De GS IIIA (Generale Staf sectie III was de eerste moderne Nederlandse inlichtingendienst: sectie A voor het vergaren van inlichtingen over het buitenland) informeerde de Nederlandse politieke en militaire beleidsmakers begin november 1939 dat Adolf Hitler op 12 november 1939 een aanval op Nederland wilde laten uitvoeren. Aan de hand van de berichten van de GS IIIA werden een aantal maatregelen genomen om voorbereid te zijn op een eventuele Duitse aanval. De informatie van de GS IIIA was onder meer gebaseerd op de inlichtingen van majoor Bert Sas, de Nederlandse militaire attaché in Berlijn, maar ook op informatie uit andere bronnen. Op 10 januari 1940 maakte een Duits militair vliegtuigje een noodlanding bij Maasmechelen in België. De Duitse inzittenden probeerden in paniek papieren te verbranden; deze papieren bevatten het plan Fall Gelb, het Duits offensief tegen Frankrijk, België en Nederland. De GS IIIA ontving deze informatie. Men nam de dreiging wederom serieus en informeerde de beleidsmakers. Hoewel er sprake was van enige scepsis bij de beleidsmakers werden wederom maatregelen genomen om de Duitse dreiging het hoofd te kunnen bieden. De inlichtingenbron van majoor Sas was kolonel Hans Oster, werkzaam bij de Duitse contraspionagedienst Abwehr. Toen Hitler de planning van Fall Gelb wijzigde, gaf Oster verschillende malen nieuwe data door. Achteraf bleek dat de informatie van majoor Sas en kolonel Oster telkens correct was. Hoewel het beeld bestaat dat er collectief werd getwijfeld aan de informatie van Sas, blijkt uit recent onderzoek dat Sas wel degelijk serieus werd genomen. Het contact van majoor Sas was een belangrijke informant maar niet de enige die de GS IIIA informeerde over de Duitse aanvalsdata. Door het uitgebreide netwerk van GS IIIA kon deze dienst telkens de Nederlandse beleidsmakers tijdig van accurate en relevante inlichtingen omtrent de Duitse dreiging voorzien. Telkens wanneer de GS IIIA aangaf dat een Duitse aanval aanstaande was werden diverse maatregelen (verloven intrekken, verhogen paraatheid, bruggen opblazen etc.) genomen om voorbereid te zijn op de Duitse aanval. Ondanks de accurate inlichtingen en de tijdige voorbereidingen was het Nederlandse leger in mei 1940 niet opgewassen tegen het veel sterkere Duitse leger.