© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Muzieknotatie (muziekschrift)
Muzieknotatie (muziekschrift) is een systeem van tekens dat gebruikt wordt om muziek op papier vast te leggen, zodat zij later gelezen en ten gehore gebracht kan worden. Het resultaat heet bladmuziek. Met vastleggen wordt bedoeld het op uniforme wijze noteren van duur, toonhoogte en uitvoeringspraktijk van de muziek. De 11e eeuwse Italiaanse monnik Guido van Arezzo wordt beschouwd als de grondlegger van de hedendaagse muzieknotatie, al onderging die in de loop der tijden wel een evolutie, zoals bij het Gregoriaans. Een voor een enkel instrument/muzikant bedoelde notatie heet partij. Alle partijen samen vormen de partituur, die vooral gebruikt wordt door een dirigent. Het ontstaan van muzieknotatie is een typisch westerse ontwikkeling. De meeste andere culturen hebben wel muziek, maar de overdracht vindt meestal van het oor van de leraar naar de leerling plaats. In West-Europa ontstond er echter tijdens het Karolingische Rijk behoefte aan een betere vastlegging van muziek. Deze behoefte was deels religieus, deels politiek. De Frankische koningen wilden graag wat meer eenheid in hun rijk aanbrengen en hun wens was nauw verbonden met de wens van de Paus om geheel Europa Katholiek te willen maken. Men wilde graag dat op dezelfde dag in heel Europa in alle kerken precies dezelfde gezangen te horen waren. Muziek wordt hedendaags doorgaans genoteerd op regels met vijf lijnen, de notenbalk. De Grieken hadden al pogingen gedaan om muziek te noteren, maar deze kunst was grotendeels vergeten, hoewel men al wel de noten van een bepaalde toonladder aangaf met de letters A-B-C-D-E-F-G. Deze gaven echter geen informatie over de grootte van de toonafstand tussen twee tonen en dus ook niet over welke modus of toonladder het ging. Het begin van de West-Europese ontwikkeling is het "neumenschrift". Dit was een stelsel tekentjes dat aangaf hoe een bepaalde gezongen lettergreep onderverdeeld werd, of een noot lang was, of hij de klemtoon had en ook, tot op zekere hoogte, of een melodie omhoog of omlaag ging. Een latere ontwikkeling was de toevoeging van een lijn aan het neumenschrift. De neumen werden dan boven of onder die lijn geschreven, hetgeen al iets meer informatie over de melodie gaf. Later werden er drie of vier lijnen getrokken, en daaruit is de huidige notenbalk met zijn vijf lijnen ontstaan. Met het ontstaan van meerstemmige muziek ontstond er behoefte aan een betere vastlegging van de onderlinge toonhoogtes. Men ontwikkelde daarom muzieksleutels. Er waren drie sleutels: 1. een lage (F-sleutel of Bas-sleutel), 2. een middensleutel (C-sleutel of Tenor-sleutel) en 3. een hoge sleutel (G-sleutel of Viool-sleutel). Deze sleutels konden aanvankelijk op ieder van de vijf lijnen geschreven worden en om het gebruik van hulplijntjes te beperken wisselde de positie van de sleutel ook vaak. Vanaf de Barok tot in de Klassieke tijd, werd de positie van de sleutel uiteindelijk gestandaardiseerd tot een G-sleutel op de tweede lijn en een F- sleutel op de vierde lijn. De C-sleutel op de derde lijn wordt nog gebruikt voor muziek voor altviool, alttrombone en (soms) voor de zangstemmen alt; de C sleutel op de vierde lijn wordt nog gebruikt voor tenortrombone, soms voor de cello (wanneer deze in een hogere ligging moet spelen), fagot (om dezelfde reden) en (soms) voor de tenor. Pas in de 11e eeuw ontstond er een notatie om het verschil tussen hele- en halve-toonafstanden vast te leggen (anders dan als vast deel van de gebruikte modus of toonsoort). Deze uitvinding is te danken aan Guido van Arezzo. Hij voerde het hexachord in met de Guidonische lettergrepen: ut – re – mi - fa – sol – la. Deze lettergrepen komen van de beginlettergrepen van een hymne waarvan de eerste noot van iedere regel steeds een toon hoger begint. Het slimme van het hexachord is dat er maar op één plaats een halve-toonafstand in voorkomt, nl. tussen mi en fa. Halve-toonafstanden konden dus nu aangeduid worden door de onderste toon mi te noemen of de bovenste fa. Het werd al gauw duidelijk dat de toon B, afhankelijk van de toonreeks waarin hij voorkwam ofwel als mi, ofwel als fa fungeerde. Men noemde de eerste een vierkante b (b quadratum), de laatste een ronde b (b rotundum). Vanuit deze twee tekens hebben zich de huidige kruisen (en herstellingstekens) en mollen ontwikkeld. Hoewel oorspronkelijk deze tekentjes alleen gebruikt werden om aan te geven of een B nu mi of fa was, begon men ze al snel ook voor andere tonen te gebruiken. In de tijd van de 'Ars Antiqua' (voor 1300) experimenteerde men al met aanduidingen van de lengteduur van een noot en had men al aanduidingen van bepaalde metrische verhoudingen (een steeds weerkerende nadruk op de zoveelste tel). Men kende in die tijd al een onderverdeling in tijdsduur van maxima - longa - brevis. Overigens pasten er drie, dan wel twee breves in een longa. Hetzelfde gold voor de verhouding maxima - longa. In die tijd was mogelijk de longa de meestgebruikte teleenheid, maar dat zou niet zo blijven. Er werd namelijk een langzaam proces van inflatie van notenwaarden in gang gezet, dat tot op de huidige dag voortduurt. Met de komst van de 'Ars Nova' (na 1300) barstte het experimenteren met nieuwe ideeën en notaties pas goed los. Er was al lang een onderverdeling van de brevis in twee of drie semibreves (onze 'hele noot'). Zo ontstonden er vier hoofd -tijdsaanduidingen, waarbij de tempus de verhouding brevis-semibrevis beschreef, en de prolatio die tussen semibrevis en minima. De verhouding van de brevis tot de longa werd overigens aangeduid met het begrip modus. Een perfect tempus werd aangeduid door een cirkel, een imperfecte door een halve cirkel. Deze laatste bestaat nog in ons notatiesysteem als C. De grote prolaties werden aangeduid door een punt in het midden van de cirkel. In later tijden, toen de notenwaardeninflatie weer verder was doorgezet, werden deze tekens ook nog eens voorzien van een verticale streep. Dit duidde aan dat alles twee keer zo snel ging. Later verscheen aan deze streep nog een vlag, een dubbele vlag, enz. In de 14e eeuw was er een ware explosie van diverse tijdsaanduidingen. Er werden nog kortere notenwaarden ingevoerd, zoals de minima (onze halve noot) en men begon kleur te gebruiken. Er werden zwarte noten naast witte (open) noten ingevoerd en er waren zelfs rode noten. Men gaf hier bijvoorbeeld mee aan, dat op de tijdsduur van twee noten nu drie noten gedacht moesten worden. Vooral in de tijd van de Ars Subtilior (na Ars Nova) leidde dit tot een zodanig ingewikkelde notatie, dat het notatie-lezen op zich al als een kunstvorm gezien werd. De verschillende stemmen van de polyfone muziek werden meestal niet onder elkaar geschreven, maar apart naast elkaar. Met de komst van de boekdrukkunst veranderde dat en verscheen koormuziek met vier of meer balken onder elkaar samengepakt. Het notatiesysteem werd in het algemeen een stuk eenvoudiger, hoewel er nog steeds ligaturen gebruikt werden die hun oorsprong nog in het neumensysteem hadden. Inmiddels was de hele noot de teleenheid geworden of zelfs de halve noot, en was er een kwartnoot en soms zelfs een achtste noot verschenen. Onderverdelingen gingen nu voornamelijk met factoren twee. In de vroege barok wordt muziek steeds meer met maatstrepen geschreven (oorspronkelijk een metrische betekenis). De noot vlak na de streep heeft een grote nadruk. In later tijden, zeker in de 20e eeuw is deze betekenis hoe langer hoe meer vervaagd. Vandaag is de maatstreep niet veel meer dan een grafisch hulpmiddel om aan te geven welke noten tegelijkertijd gespeeld of gezongen worden. Meer tekens erbij Er beginnen in deze tijd ook wat tekens bij te komen. In de Franse Barok zijn dat bijvoorbeeld aanduidingen van trillers, mordenten enz. Er is ook een fermata, hoewel weinig gebruikt. Ook ziet men een enkele keer tekens als f forte) en p (piano) om aan te geven dat een herhaald motief de tweede keer zachter moet worden gespeeld dan de eerste keer. In de oudere Barok komen nog steeds C-sleutels voor, vooral in koormuziek, maar in moderne uitgaven worden zij vaak omgezet in moderne notatie. Er waren al wel wat tempo-aanduidingen zoals Allegro, maar deze hebben niet noodzakelijkerwijs dezelfde betekenis die ze nu hebben. Allegro betekende gewoon vrolijk en niet een bepaald getal op een metronoom. Met de Romantiek beginnen componisten in steeds grotere details voor te schrijven hoe hun muziek precies gespeeld moest worden. Er ontstonden allerlei bijtekens, soms geschreven zoals rallentando of sforzando. Ook aanduidingen van langdurige crescendi en decrescendi worden populair. In de 20e eeuw kwam daar een reactie op. Deze hele eeuw was een tijd van experimenteren, volgens sommigen ten koste van de schoonheid en het plezier van de toehoorder. Er ontstonden veel nieuwe notaties, onder andere grafische notaties waarin maar zeer summier een suggestie gegeven wordt aan de musicus wat hem precies te doen staat, en diverse vormen van 'vrije' notatie (zonder toonhoogten, maatstrepen en/of duur). Kenmerkend van de latere 20e eeuw is ook, dat veel van de oude notatiesysteem weer in omloop gekomen zijn door de drang naar 'authentieke' beoefening van oudere muzieksoorten. Verklaring notatie De verticale plaats van de nootbolletjes bepaalt - met sleutel en voortekens - de toonhoogte. De basis voor de nootwaarde is de hele noot. De lengte van noten wordt dan alsvolgt aangegeven: een open ovaal (bolletje). De helft daarvan, de halve noot, krijgt een stok. De kwartnoot krijgt een stok en een gesloten bolletje. De achtste noot krijgt een vlaggetje aan de stok, de zestiende noot twee vlaggetjes, enz. Door een of meerdere verlengingspunten wordt de nootduur steeds met de helft van de genoteerde duur verlengd. Door een groeperingsteken met een cijfer erbij kan de duur zodanig veranderd worden dat er ook afwijkende nootwaarden mogelijk worden. Hiermee worden triool, kwintool enz. genoteerd. Analoog aan de notatie van de duur van de noot bestaat er een systeem om de duur van de rust (stilte) aan te duiden. Muzieknotatie beschrijft niet alleen de toonhoogte en duur maar ook de plaats van de noot in de melodielijn en in het metrum. De maatsoort geeft het aantal tellen in de maat weer, en wordt vooraan (of telkens als de maatsoort wijzigt) in ieder muziekstuk geschreven met twee getallen; het bovenste cijfer geeft het aantal tellen, het onderste de duur van die tellen. Op de notenbalk wordt met maatstrepen aangegeven wanneer de maat vol is(volgens de maatsoort). De snelheid (tempo) waarmee een muziekstuk moet worden gespeeld wordt strikt genomen niet door de notatie aangeduid, maar door een doorgaans Italiaanse muziekterm zoals allegro, moderato, ... tenzij men het cijfer van de metronoom-aanduiding op de partituur schrijft.
Auteur: Samual E. Brown (d ca. 1860), published by Hall and Whiting of Boston Houtgravure, 1868. Bron: Bibliothèque nationale de France Auteur: Ferbr1 Een leeg muziekblad. Auteur: Tjako van Schie Bron: npj.com Bron: Asian Collection.  Wellcome blog post (archive) Library reference: Or Tibetan MS 42.  L0032693

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Muzieknotatie (muziekschrift)
Muzieknotatie (muziekschrift) is een systeem van tekens dat gebruikt wordt om muziek op papier vast te leggen, zodat zij later gelezen en ten gehore gebracht kan worden. Het resultaat heet bladmuziek. Met vastleggen wordt bedoeld het op uniforme wijze noteren van duur, toonhoogte en uitvoeringspraktijk van de muziek. De 11e eeuwse Italiaanse monnik Guido van Arezzo wordt beschouwd als de grondlegger van de hedendaagse muzieknotatie, al onderging die in de loop der tijden wel een evolutie, zoals bij het Gregoriaans. Een voor een enkel instrument/muzikant bedoelde notatie heet partij. Alle partijen samen vormen de partituur, die vooral gebruikt wordt door een dirigent. Het ontstaan van muzieknotatie is een typisch westerse ontwikkeling. De meeste andere culturen hebben wel muziek, maar de overdracht vindt meestal van het oor van de leraar naar de leerling plaats. In West-Europa ontstond er echter tijdens het Karolingische Rijk behoefte aan een betere vastlegging van muziek. Deze behoefte was deels religieus, deels politiek. De Frankische koningen wilden graag wat meer eenheid in hun rijk aanbrengen en hun wens was nauw verbonden met de wens van de Paus om geheel Europa Katholiek te willen maken. Men wilde graag dat op dezelfde dag in heel Europa in alle kerken precies dezelfde gezangen te horen waren. Muziek wordt hedendaags doorgaans genoteerd op regels met vijf lijnen, de notenbalk. De Grieken hadden al pogingen gedaan om muziek te noteren, maar deze kunst was grotendeels vergeten, hoewel men al wel de noten van een bepaalde toonladder aangaf met de letters A-B-C-D-E-F-G. Deze gaven echter geen informatie over de grootte van de toonafstand tussen twee tonen en dus ook niet over welke modus of toonladder het ging. Het begin van de West-Europese ontwikkeling is het "neumenschrift". Dit was een stelsel tekentjes dat aangaf hoe een bepaalde gezongen lettergreep onderverdeeld werd, of een noot lang was, of hij de klemtoon had en ook, tot op zekere hoogte, of een melodie omhoog of omlaag ging. Een latere ontwikkeling was de toevoeging van een lijn aan het neumenschrift. De neumen werden dan boven of onder die lijn geschreven, hetgeen al iets meer informatie over de melodie gaf. Later werden er drie of vier lijnen getrokken, en daaruit is de huidige notenbalk met zijn vijf lijnen ontstaan. Met het ontstaan van meerstemmige muziek ontstond er behoefte aan een betere vastlegging van de onderlinge toonhoogtes. Men ontwikkelde daarom muzieksleutels. Er waren drie sleutels: 1. een lage (F-sleutel of Bas- sleutel), 2. een middensleutel (C-sleutel of Tenor- sleutel) en 3. een hoge sleutel (G-sleutel of Viool- sleutel). Deze sleutels konden aanvankelijk op ieder van de vijf lijnen geschreven worden en om het gebruik van hulplijntjes te beperken wisselde de positie van de sleutel ook vaak. Vanaf de Barok tot in de Klassieke tijd, werd de positie van de sleutel uiteindelijk gestandaardiseerd tot een G-sleutel op de tweede lijn en een F-sleutel op de vierde lijn. De C-sleutel op de derde lijn wordt nog gebruikt voor muziek voor altviool, alttrombone en (soms) voor de zangstemmen alt; de C sleutel op de vierde lijn wordt nog gebruikt voor tenortrombone, soms voor de cello (wanneer deze in een hogere ligging moet spelen), fagot (om dezelfde reden) en (soms) voor de tenor. Pas in de 11e eeuw ontstond er een notatie om het verschil tussen hele- en halve-toonafstanden vast te leggen (anders dan als vast deel van de gebruikte modus of toonsoort). Deze uitvinding is te danken aan Guido van Arezzo. Hij voerde het hexachord in met de Guidonische lettergrepen: ut – re – mi - fa – sol – la. Deze lettergrepen komen van de beginlettergrepen van een hymne waarvan de eerste noot van iedere regel steeds een toon hoger begint. Het slimme van het hexachord is dat er maar op één plaats een halve-toonafstand in voorkomt, nl. tussen mi en fa. Halve-toonafstanden konden dus nu aangeduid worden door de onderste toon mi te noemen of de bovenste fa. Het werd al gauw duidelijk dat de toon B, afhankelijk van de toonreeks waarin hij voorkwam ofwel als mi, ofwel als fa fungeerde. Men noemde de eerste een vierkante b (b quadratum), de laatste een ronde b (b rotundum). Vanuit deze twee tekens hebben zich de huidige kruisen (en herstellingstekens) en mollen ontwikkeld. Hoewel oorspronkelijk deze tekentjes alleen gebruikt werden om aan te geven of een B nu mi of fa was, begon men ze al snel ook voor andere tonen te gebruiken. In de tijd van de 'Ars Antiqua' (voor 1300) experimenteerde men al met aanduidingen van de lengteduur van een noot en had men al aanduidingen van bepaalde metrische verhoudingen (een steeds weerkerende nadruk op de zoveelste tel). Men kende in die tijd al een onderverdeling in tijdsduur van maxima - longa - brevis. Overigens pasten er drie, dan wel twee breves in een longa. Hetzelfde gold voor de verhouding maxima - longa. In die tijd was mogelijk de longa de meestgebruikte teleenheid, maar dat zou niet zo blijven. Er werd namelijk een langzaam proces van inflatie van notenwaarden in gang gezet, dat tot op de huidige dag voortduurt. Met de komst van de 'Ars Nova' (na 1300) barstte het experimenteren met nieuwe ideeën en notaties pas goed los. Er was al lang een onderverdeling van de brevis in twee of drie semibreves (onze 'hele noot'). Zo ontstonden er vier hoofd -tijdsaanduidingen, waarbij de tempus de verhouding brevis- semibrevis beschreef, en de prolatio die tussen semibrevis en minima. De verhouding van de brevis tot de longa werd overigens aangeduid met het begrip modus. Een perfect tempus werd aangeduid door een cirkel, een imperfecte door een halve cirkel. Deze laatste bestaat nog in ons notatiesysteem als C. De grote prolaties werden aangeduid door een punt in het midden van de cirkel. In later tijden, toen de notenwaardeninflatie weer verder was doorgezet, werden deze tekens ook nog eens voorzien van een verticale streep. Dit duidde aan dat alles twee keer zo snel ging. Later verscheen aan deze streep nog een vlag, een dubbele vlag, enz. In de 14e eeuw was er een ware explosie van diverse tijdsaanduidingen. Er werden nog kortere notenwaarden ingevoerd, zoals de minima (onze halve noot) en men begon kleur te gebruiken. Er werden zwarte noten naast witte (open) noten ingevoerd en er waren zelfs rode noten. Men gaf hier bijvoorbeeld mee aan, dat op de tijdsduur van twee noten nu drie noten gedacht moesten worden. Vooral in de tijd van de Ars Subtilior (na Ars Nova) leidde dit tot een zodanig ingewikkelde notatie, dat het notatie-lezen op zich al als een kunstvorm gezien werd. De verschillende stemmen van de polyfone muziek werden meestal niet onder elkaar geschreven, maar apart naast elkaar. Met de komst van de boekdrukkunst veranderde dat en verscheen koormuziek met vier of meer balken onder elkaar samengepakt. Het notatiesysteem werd in het algemeen een stuk eenvoudiger, hoewel er nog steeds ligaturen gebruikt werden die hun oorsprong nog in het neumensysteem hadden. Inmiddels was de hele noot de teleenheid geworden of zelfs de halve noot, en was er een kwartnoot en soms zelfs een achtste noot verschenen. Onderverdelingen gingen nu voornamelijk met factoren twee. In de vroege barok wordt muziek steeds meer met maatstrepen geschreven (oorspronkelijk een metrische betekenis). De noot vlak na de streep heeft een grote nadruk. In later tijden, zeker in de 20e eeuw is deze betekenis hoe langer hoe meer vervaagd. Vandaag is de maatstreep niet veel meer dan een grafisch hulpmiddel om aan te geven welke noten tegelijkertijd gespeeld of gezongen worden. Meer tekens erbij Er beginnen in deze tijd ook wat tekens bij te komen. In de Franse Barok zijn dat bijvoorbeeld aanduidingen van trillers, mordenten enz. Er is ook een fermata, hoewel weinig gebruikt. Ook ziet men een enkele keer tekens als f forte) en p (piano) om aan te geven dat een herhaald motief de tweede keer zachter moet worden gespeeld dan de eerste keer. In de oudere Barok komen nog steeds C-sleutels voor, vooral in koormuziek, maar in moderne uitgaven worden zij vaak omgezet in moderne notatie. Er waren al wel wat tempo-aanduidingen zoals Allegro, maar deze hebben niet noodzakelijkerwijs dezelfde betekenis die ze nu hebben. Allegro betekende gewoon vrolijk en niet een bepaald getal op een metronoom. Met de Romantiek beginnen componisten in steeds grotere details voor te schrijven hoe hun muziek precies gespeeld moest worden. Er ontstonden allerlei bijtekens, soms geschreven zoals rallentando of sforzando. Ook aanduidingen van langdurige crescendi en decrescendi worden populair. In de 20e eeuw kwam daar een reactie op. Deze hele eeuw was een tijd van experimenteren, volgens sommigen ten koste van de schoonheid en het plezier van de toehoorder. Er ontstonden veel nieuwe notaties, onder andere grafische notaties waarin maar zeer summier een suggestie gegeven wordt aan de musicus wat hem precies te doen staat, en diverse vormen van 'vrije' notatie (zonder toonhoogten, maatstrepen en/of duur). Kenmerkend van de latere 20e eeuw is ook, dat veel van de oude notatiesysteem weer in omloop gekomen zijn door de drang naar 'authentieke' beoefening van oudere muzieksoorten. Verklaring notatie De verticale plaats van de nootbolletjes bepaalt - met sleutel en voortekens - de toonhoogte. De basis voor de nootwaarde is de hele noot. De lengte van noten wordt dan alsvolgt aangegeven: een open ovaal (bolletje). De helft daarvan, de halve noot, krijgt een stok. De kwartnoot krijgt een stok en een gesloten bolletje. De achtste noot krijgt een vlaggetje aan de stok, de zestiende noot twee vlaggetjes, enz. Door een of meerdere verlengingspunten wordt de nootduur steeds met de helft van de genoteerde duur verlengd. Door een groeperingsteken met een cijfer erbij kan de duur zodanig veranderd worden dat er ook afwijkende nootwaarden mogelijk worden. Hiermee worden triool, kwintool enz. genoteerd. Analoog aan de notatie van de duur van de noot bestaat er een systeem om de duur van de rust (stilte) aan te duiden. Muzieknotatie beschrijft niet alleen de toonhoogte en duur maar ook de plaats van de noot in de melodielijn en in het metrum. De maatsoort geeft het aantal tellen in de maat weer, en wordt vooraan (of telkens als de maatsoort wijzigt) in ieder muziekstuk geschreven met twee getallen; het bovenste cijfer geeft het aantal tellen, het onderste de duur van die tellen. Op de notenbalk wordt met maatstrepen aangegeven wanneer de maat vol is(volgens de maatsoort). De snelheid (tempo) waarmee een muziekstuk moet worden gespeeld wordt strikt genomen niet door de notatie aangeduid, maar door een doorgaans Italiaanse muziekterm zoals allegro, moderato, ... tenzij men het cijfer van de metronoom- aanduiding op de partituur schrijft.
Auteur: Samual E. Brown (d ca. 1860), published by Hall and Whiting of Boston Houtgravure, 1868. Bron: Bibliothèque nationale de France Auteur: Ferbr1 Een leeg muziekblad. Auteur: Tjako van Schie Bron: npj.com Bron: Asian Collection.  Wellcome blog post (archive) Library reference: Or Tibetan MS 42.  L0032693