© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Dr. Willem Drees - Verzorgingsstaat - AOW - (vervolg)
Een verzorgingsstaat is een sociaal systeem waarin de staat primaire verantwoordelijkheid draagt voor het welzijn van zijn burgers, zoals in kwesties van gezondheidszorg, onderwijs, werkgelegenheid en sociale zekerheid. In een verzorgingsstaat zijn veel zaken geheel of gedeeltelijk door de overheid gereguleerd. Het tegengestelde is een nachtwakersstaat, waarin de overheid zich zo weinig mogelijk met burgers bemoeit. Sociale zekerheid is een publiek stelsel dat bedoeld is om inkomen en/of verzorging te garanderen voor natuurlijke personen of gezinnen (of andere samenlevingsvormen) die, tijdelijk of blijvend, niet (langer) in staat worden geacht om zelf in (voldoende) inkomen en/of verzorging te voorzien. Dat geldt bijvoorbeeld bij pensioen (leeftijd), ziekte, arbeidsongeschiktheid, overlijden van naasten of werkloosheid. Sociale zekerheid kan de vorm aannemen van een uitkering, een meestal periodiek verstrekte som geld, of van een voorziening, die uit een dienst (zoals verzorging) of een product (zoals een rolstoel) kan bestaan. Een uitkering kan het karakter hebben van een verzekering tegen loonderving of van een bestaansgarantie. Combinaties van beide komen ook voor. Aan een uitkering is doorgaans de voorwaarde verbonden dat de ontvanger al het mogelijke doet om weer zelf in zijn inkomen te gaan voorzien. Bij een bestaansgarantie wordt veelal getoetst of de ontvanger eigen vermogen heeft. Ook kan van belang zijn of men met iemand anders een gezamenlijke huishouding voert. Ook kan het bedrag verschillen per woonsituatie. Van oudsher waren de kerkelijke instellingen, de adel en particuliere instellingen hoofdverantwoordelijk voor de armenzorg. Dat gebeurde op basis van liefdadigheid. Thorbecke begreep de noden van zijn tijd. In de Grondwet van 1848 had hij een passage opgenomen die voorzag in een armenwet. Armenzorg moest centraal worden geregeld. Deze gedachte was niet nieuw. Eerdere pogingen om tot een landelijke regeling te komen, stuitten echter op verzet van de kerken en op een lege schatkist. Als gevolg daarvan werd de Eerste armenwet (28 juni 1854) opgesteld, die ertoe dwong de armenzorg wettelijk te regelen. Op basis van de armenwet kregen hulpbehoevenden die niet tot een kerkelijke gezindte behoorden in geval van 'volstrekte onvermijdelijkheid' recht op bedeling door een overheidsorgaan (in de praktijk de gemeente). De armenwet was de opvolger van het Armenwetje van 1818. In 1912 werd een herziene wet ingevoerd door minister Heemskerk. Bijstand  De Algemene bijstandswet kwam in 1965 in de plaats van de Armenwet die dateerde van 1854 en in 1912 slechts iets was aangepast. Een volksverzekering is in Nederland een verplichte, publiekrechtelijke verzekering voor iedere natuurlijke persoon die legaal ingezetene van Nederland is. Ook een niet-ingezetene van Nederland die ter zake van een in Nederland verrichte arbeidsovereenkomst aan de loonbelasting is onderworpen, is in beginsel verzekerd voor de volksverzekeringen. Degene die verzekerd is voor de volksverzekeringen wordt aangeduid als "verzekerde". De volksverzekeringen zijn één van de twee categorieën van Nederlandse publiekrechtelijke verzekeringen (ook wel met de term sociale verzekeringen aangeduid). De andere categorie wordt aangeduid met de term werknemersverzekeringen. De Algemene Ouderdomswet (AOW) regelt in Nederland het verplichte, collectieve ouderdomspensioen dat als algemene basis dient voor Nederlandse ouderdomspensioenen. De AOW is een van de zogenoemde volksverzekeringen. De Belastingdienst int de premies volksverzekeringen tegelijk met de inkomstenbelasting bij de verzekerden jonger dan de AOW-leeftijd (2015: 65 jaar en 3 maanden). De Sociale Verzekeringsbank (SVB) keert de AOW uit aan de verzekerden vanaf het bereiken van de AOW-leeftijd. De AOW-premieplicht eindigt op de eerste van de betreffende maand. Hoe de AOW tot stand kwam De Noodwet Ouderdomsvoorziening zorgde in Nederland van 1947 tot 1957 voor de verstrekking van een uitkering aan mannen en alleenstaande vrouwen van 65 jaar en ouder zonder voldoende eigen inkomsten. Omdat zij door Willem Drees als minister van Sociale Zaken werd ingediend werd zij ook wel noodwet-Drees genoemd. Zij was uitdrukkelijk bedoeld als een noodoplossing zolang de definitieve regeling nog niet tot stand gekomen was. In 1957 werd zij vervangen door de AOW. Hoewel de noodwet om politieke redenen niet zo mocht heten had zij alle eigenschappen van een staatspensioen. De uitkering was geen gunst maar een recht: zij kon niet worden verhaald op de kinderen, die daarvóór verplicht waren hun ouders te onderhouden. Zij werd alleen verstrekt aan: Nederlanders die al geruime tijd in Nederland woonden Zonder of met een klein eigen inkomen Die nuttige leden van de maatschappij waren geweest Tenslotte vermeldden de regels dat landlopers en andere onmaatschappelijke lieden waren uitgesloten. Ook werd geen uitkering gegeven aan gevangenen en kon de uitkering bij misbruik van sterkedrank worden ingetrokken. De uitsluiting betrof dus een veel kleinere groep dan de prostituees, alcoholici en ontvangers van liefdadigheidsuitkeringen die bij vroegere buitenlandse regels voor het staatspensioen werden buitengesloten. De AOW is in 1957 geïntroduceerd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid J. G. Suurhoff. De AOW is de opvolger van de door Willem Drees als minister van Sociale Zaken in 1947 ingevoerde Noodwet Ouderdomsvoorziening, die uitdrukkelijk als tijdelijk bedoeld was. De eerste algemene pensioenregeling in Europa was de ouderdomsverzekering die in 1889 in Duitsland werd ingevoerd. Denemarken voerde in 1891 als eerste land een staatspensioen in. Het Verenigd Koninkrijk, waartoe toen ook geheel Ierland behoorde, volgde in 1908 met de Old Age Pension Act. Het staatspensioen was uitdrukkelijk bedoeld om te voorkomen dat ouderen die hun hele leven hard gewerkt hadden aangewezen waren op liefdadigheid. Zowel in Denemarken als in het Verenigd Koninkrijk werd het staatspensioen dan ook alleen uitgekeerd aan ouderen die onvoldoende eigen inkomsten hadden. Ook voormalige bedeelden, bedelaars, veroordeelden en mensen die hun vermogen verkwist of weggegeven hadden kregen geen staatspensioen. Bij onze AOW krijgt iedereen, ook de welgestelden, een pensioen uitgekeerd. Dus niet allen voor hen die geen inkomen hebben. Overigens de enige manier om politiek rechts mee te laten doen: de armen geld, dan wij ook.
Schilder: Albrecht Samuel Anker. In Kunstmuseum Bern Collectie SPAARNESTAD PHOTO/NA/Anefo/Fotograaf onbekend (CC BY-SA 3.0 NL) Terug vorige pagina Geneeskunde

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Dr. Willem Drees - Verzorgingsstaat - AOW - (vervolg)
Een verzorgingsstaat is een sociaal systeem waarin de staat primaire verantwoordelijkheid draagt voor het welzijn van zijn burgers, zoals in kwesties van gezondheidszorg, onderwijs, werkgelegenheid en sociale zekerheid. In een verzorgingsstaat zijn veel zaken geheel of gedeeltelijk door de overheid gereguleerd. Het tegengestelde is een nachtwakersstaat, waarin de overheid zich zo weinig mogelijk met burgers bemoeit. Sociale zekerheid is een publiek stelsel dat bedoeld is om inkomen en/of verzorging te garanderen voor natuurlijke personen of gezinnen (of andere samenlevingsvormen) die, tijdelijk of blijvend, niet (langer) in staat worden geacht om zelf in (voldoende) inkomen en/of verzorging te voorzien. Dat geldt bijvoorbeeld bij pensioen (leeftijd), ziekte, arbeidsongeschiktheid, overlijden van naasten of werkloosheid. Sociale zekerheid kan de vorm aannemen van een uitkering, een meestal periodiek verstrekte som geld, of van een voorziening, die uit een dienst (zoals verzorging) of een product (zoals een rolstoel) kan bestaan. Een uitkering kan het karakter hebben van een verzekering tegen loonderving of van een bestaansgarantie. Combinaties van beide komen ook voor. Aan een uitkering is doorgaans de voorwaarde verbonden dat de ontvanger al het mogelijke doet om weer zelf in zijn inkomen te gaan voorzien. Bij een bestaansgarantie wordt veelal getoetst of de ontvanger eigen vermogen heeft. Ook kan van belang zijn of men met iemand anders een gezamenlijke huishouding voert. Ook kan het bedrag verschillen per woonsituatie. Van oudsher waren de kerkelijke instellingen, de adel en particuliere instellingen hoofdverantwoordelijk voor de armenzorg. Dat gebeurde op basis van liefdadigheid. Thorbecke begreep de noden van zijn tijd. In de Grondwet van 1848 had hij een passage opgenomen die voorzag in een armenwet. Armenzorg moest centraal worden geregeld. Deze gedachte was niet nieuw. Eerdere pogingen om tot een landelijke regeling te komen, stuitten echter op verzet van de kerken en op een lege schatkist. Als gevolg daarvan werd de Eerste armenwet  (28 juni 1854) opgesteld, die ertoe dwong de armenzorg wettelijk te regelen. Op basis van de armenwet kregen hulpbehoevenden die niet tot een kerkelijke gezindte behoorden in geval van 'volstrekte onvermijdelijkheid' recht op bedeling door een overheidsorgaan (in de praktijk de gemeente). De armenwet was de opvolger van het Armenwetje van 1818. In 1912 werd een herziene wet ingevoerd door minister Heemskerk. Bijstand  De Algemene bijstandswet kwam in 1965 in de plaats van de Armenwet die dateerde van 1854 en in 1912 slechts iets was aangepast. Een volksverzekering is in Nederland een verplichte, publiekrechtelijke verzekering voor iedere natuurlijke persoon die legaal ingezetene van Nederland is. Ook een niet-ingezetene van Nederland die ter zake van een in Nederland verrichte arbeidsovereenkomst aan de loonbelasting is onderworpen, is in beginsel verzekerd voor de volksverzekeringen. Degene die verzekerd is voor de volksverzekeringen wordt aangeduid als "verzekerde". De volksverzekeringen zijn één van de twee categorieën van Nederlandse publiekrechtelijke verzekeringen (ook wel met de term sociale verzekeringen aangeduid). De andere categorie wordt aangeduid met de term werknemersverzekeringen. De Algemene Ouderdomswet (AOW) regelt in Nederland het verplichte, collectieve ouderdomspensioen dat als algemene basis dient voor Nederlandse ouderdomspensioenen. De AOW is een van de zogenoemde volksverzekeringen. De Belastingdienst int de premies volksverzekeringen tegelijk met de inkomstenbelasting bij de verzekerden jonger dan de AOW-leeftijd (2015: 65 jaar en 3 maanden). De Sociale Verzekeringsbank (SVB) keert de AOW uit aan de verzekerden vanaf het bereiken van de AOW-leeftijd. De AOW- premieplicht eindigt op de eerste van de betreffende maand. Hoe de AOW tot stand kwam De Noodwet Ouderdomsvoorziening zorgde in Nederland van 1947 tot 1957 voor de verstrekking van een uitkering aan mannen en alleenstaande vrouwen van 65 jaar en ouder zonder voldoende eigen inkomsten. Omdat zij door Willem Drees als minister van Sociale Zaken werd ingediend werd zij ook wel noodwet- Drees genoemd. Zij was uitdrukkelijk bedoeld als een noodoplossing zolang de definitieve regeling nog niet tot stand gekomen was. In 1957 werd zij vervangen door de AOW. Hoewel de noodwet om politieke redenen niet zo mocht heten had zij alle eigenschappen van een staatspensioen. De uitkering was geen gunst maar een recht: zij kon niet worden verhaald op de kinderen, die daarvóór verplicht waren hun ouders te onderhouden. Zij werd alleen verstrekt aan: Nederlanders die al geruime tijd in Nederland woonden Zonder of met een klein eigen inkomen Die nuttige leden van de maatschappij waren geweest Tenslotte vermeldden de regels dat landlopers en andere onmaatschappelijke lieden waren uitgesloten. Ook werd geen uitkering gegeven aan gevangenen en kon de uitkering bij misbruik van sterkedrank worden ingetrokken. De uitsluiting betrof dus een veel kleinere groep dan de prostituees, alcoholici en ontvangers van liefdadigheidsuitkeringen die bij vroegere buitenlandse regels voor het staatspensioen werden buitengesloten. De AOW is in 1957 geïntroduceerd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid J. G. Suurhoff. De AOW is de opvolger van de door Willem Drees als minister van Sociale Zaken in 1947 ingevoerde Noodwet Ouderdomsvoorziening, die uitdrukkelijk als tijdelijk bedoeld was. De eerste algemene pensioenregeling in Europa was de ouderdomsverzekering die in 1889 in Duitsland werd ingevoerd. Denemarken voerde in 1891 als eerste land een staatspensioen in. Het Verenigd Koninkrijk, waartoe toen ook geheel Ierland behoorde, volgde in 1908 met de Old Age Pension Act. Het staatspensioen was uitdrukkelijk bedoeld om te voorkomen dat ouderen die hun hele leven hard gewerkt hadden aangewezen waren op liefdadigheid. Zowel in Denemarken als in het Verenigd Koninkrijk werd het staatspensioen dan ook alleen uitgekeerd aan ouderen die onvoldoende eigen inkomsten hadden. Ook voormalige bedeelden, bedelaars, veroordeelden en mensen die hun vermogen verkwist of weggegeven hadden kregen geen staatspensioen. Bij onze AOW krijgt iedereen, ook de welgestelden, een pensioen uitgekeerd. Dus niet allen voor hen die geen inkomen hebben. Overigens de enige manier om politiek rechts mee te laten doen: de armen geld, dan wij ook.
Schilder: Albrecht Samuel Anker. In Kunstmuseum Bern Collectie SPAARNESTAD PHOTO/NA/Anefo/Fotograaf onbekend (CC BY-SA 3.0 NL)