© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Dorestad (vervolg)
Voedselvoorziening Via de aangetroffen restanten van dieren zoals Dorestads keukenafval in de vorm van de bij meerdere opgravingen aangetroffen botten, is er inzicht in welke dieren er in Dorestad werden gegeten. Geschreven bronnen uit de vroege middeleeuwen geven daarbij aanvullende informatie. Bijna de helft (47%) van het gewicht aan teruggevonden botten was afkomstig van runderen. Samen met varkens (31%) en schapen (10%) vormden zij de voornaamste bron van vlees. Kip en andere gevogelte, geit, wilde zoogdieren en dergelijke komen in percentages voor van ten hoogste enkele procenten, eenzelfde uitkomst is te zien onder de zoet- en zoutwatervissen zoals snoek, paling en haring en weekdieren zoals mosselen. Verval van Dorestad Aan het einde van de 9e eeuw raakte Dorestad in verval. Het is niet duidelijk wat de precieze oorzaken ervan zijn. Er zijn verschillende theorieën over het verval van Dorestad, waarin 1 of meer van de volgende elementen een rol spelen: Het verzanden en zich verplaatsen van de Rijn (864) maakte handel in Dorestad onpraktisch. Tijdens hevig noodweer in 863 zou volgens dr. R. van Luttervelt door de bevolking een nooddam in de Rijn zijn opgeworpen om het wassende water via de zijtak de Lek af te voeren. Vanwege de daardoor veroorzaakte verzanding van de riviermond in Katwijk, zou dit onomkeerbaar zijn geweest. De plunderingen door Vikingen. Verschuiving van de machtverhoudingen door de rijksdelingen na de dood van Lodewijk de Vrome, waarna het Karolingische rijk uiteenviel. De verregaande feodale desintegratie (uiteen vallen) van het Frankische Rijk aan het eind van de 9e eeuw, waardoor de koningen de macht kwijtraakten en deze in handen kwam van lokale machthebbers Het ontbreken van een kerkelijk centrum, waardoor de vorst en elite minder geïnteresseerd waren in Dorestad. Mogelijk dat al deze elementen in meer of mindere mate bijdroegen tot het verval van Dorestad. De eens zo bloeiende handelsplaats schrompelde ineen, waarna er alleen nog een agrarische nederzetting overbleef. Na het verval verschoof een deel van de handelsactiviteiten naar Tiel en Deventer en in een latere fase werd de stad Utrecht een religieus, handels- en bestuurlijk centrum. Trivia Alcuinus van York schreef in circa 782 een kort gedicht over de Rijn met Utrecht als plaats met weiden waar hij een bord pap met boter en honing kon krijgen. Dorestad kon beter links gelaten worden want ene norse Hrotberct, een gierige koopman, gaf daar waarschijnlijk geen onderdak. Volgens de Nederlandse archivaris Albert Delahaye (1915-1987) lag Dorestad niet op de plaats van het huidige Wijk bij Duurstede, maar was het de Noord-Franse plaats Audruicq. Christelijk Dorestad Bonifatius, de Engelse missionaris Winfried, stak in 716 het Kanaal over en zette dat jaar voet aan wal in Nederland in Dorestad. Zijn bedoeling was om de heidense Friezen te bekeren tot het christendom, in navolging van de mislukte pogingen van aartsbisschop Willibrord van Utrecht. Vermoedelijk speelde Dorestad een rol in de kerstening van de regio en mogelijk op een nog grotere schaal. Bij opgravingen in het grafveld op De Heul werd een gebouwtje aangetroffen dat mogelijk een kerkje was. De oorkonde uit 777 vermeldt een Bovenkerk (Upkirika) in de Bovenstad. In de gehele agglomeratie bevonden zich mogelijk nog andere kerkelijke gebouwen. Theutbertus wordt wel genoemd als bisschop van Dorestad. In oorkonden worden schenkingen van goederen aan de Utrechtse kerk vermeld. In vroegmiddeleeuwse kerkelijke bronnen wordt wel eens verhaald dat Dorestad een groot aantal kerken had. Odbert verhaalde in de 11e eeuw dat 55 kerken in Dorestad door de Vikingen waren vernietigd en tevens dat de handelsplaats daarbij was platgebrand. Ondanks de grootschalige opgravingen zijn echter nooit sporen van een grote brand of het afslachten van vee en mensen teruggevonden. De voorstelling over het platbranden van Dorestad is wel lange tijd in stand gebleven, onder meer J.H. Isings beeldde het in 1927 uit in een schoolplaat. Vikingen Doordat Dorestad zo'n succesvolle handelsplaats was, trok het in de 9e eeuw de aandacht van Vikingen die Dorestad regelmatig en in groten getale aanvielen en plunderden, de eerste keer in 834 en de laatste keer in 863. Fibula Een van de beroemdste archeologische vondsten van Nederland is de Fibula van Dorestad. Zij is in 1969 gevonden in een waterput in Dorestad. Het kostbare sieraad is waarschijnlijk in de put verborgen vanwege gevaar, bijvoorbeeld de aanvallen van Vikingen op Dorestad. Eerste archeologische opgraving  In verband met vrees voor de veepest was in 1839 het gebruik van botten van pas overleden dieren stilgelegd. Deze botten werden vaak vermalen tot beendermeel om de grond te kunnen bemesten. Direct ten noorden van Wijk bij Duurstede bevonden zich echter zeer grote hoeveelheden oude dierenbotten in de grond, die gebruikt konden worden om toch aan beendermeel te kunnen komen. Door middel van zogeheten beendergraverijen werd een vermeld aantal van minstens een half miljoen kilo botten opgegraven. Maar ook werden er daarbij grote hoeveelheden ander materiaal aangetroffen zoals scherven, munten en sieraden. Het leidde in de winter van 1841-1842 tot de eerste archeologische opgraving onder leiding van L.J.F. Janssen, destijds conservator van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Aan de hand van deze vondsten werd voor het eerst een (nog voorzichtige) wetenschappelijke link gelegd met Dorestad.
Bron: Rijksmuseum van Oudheden in Leiden en Cor Bastinck. Terug vorige pagina Geneeskunde

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Dorestad (vervolg)
Voedselvoorziening Via de aangetroffen restanten van dieren zoals Dorestads keukenafval in de vorm van de bij meerdere opgravingen aangetroffen botten, is er inzicht in welke dieren er in Dorestad werden gegeten. Geschreven bronnen uit de vroege middeleeuwen geven daarbij aanvullende informatie. Bijna de helft (47%) van het gewicht aan teruggevonden botten was afkomstig van runderen. Samen met varkens (31%) en schapen (10%) vormden zij de voornaamste bron van vlees. Kip en andere gevogelte, geit, wilde zoogdieren en dergelijke komen in percentages voor van ten hoogste enkele procenten, eenzelfde uitkomst is te zien onder de zoet- en zoutwatervissen zoals snoek, paling en haring en weekdieren zoals mosselen. Verval van Dorestad Aan het einde van de 9e eeuw raakte Dorestad in verval. Het is niet duidelijk wat de precieze oorzaken ervan zijn. Er zijn verschillende theorieën over het verval van Dorestad, waarin 1 of meer van de volgende elementen een rol spelen: Het verzanden en zich verplaatsen van de Rijn (864) maakte handel in Dorestad onpraktisch. Tijdens hevig noodweer in 863 zou volgens dr. R. van Luttervelt door de bevolking een nooddam in de Rijn zijn opgeworpen om het wassende water via de zijtak de Lek af te voeren. Vanwege de daardoor veroorzaakte verzanding van de riviermond in Katwijk, zou dit onomkeerbaar zijn geweest. De plunderingen door Vikingen. Verschuiving van de machtverhoudingen door de rijksdelingen na de dood van Lodewijk de Vrome, waarna het Karolingische rijk uiteenviel. De verregaande feodale desintegratie (uiteen vallen) van het Frankische Rijk aan het eind van de 9e eeuw, waardoor de koningen de macht kwijtraakten en deze in handen kwam van lokale machthebbers Het ontbreken van een kerkelijk centrum, waardoor de vorst en elite minder geïnteresseerd waren in Dorestad. Mogelijk dat al deze elementen in meer of mindere mate bijdroegen tot het verval van Dorestad. De eens zo bloeiende handelsplaats schrompelde ineen, waarna er alleen nog een agrarische nederzetting overbleef. Na het verval verschoof een deel van de handelsactiviteiten naar Tiel en Deventer en in een latere fase werd de stad Utrecht een religieus, handels- en bestuurlijk centrum. Trivia Alcuinus van York schreef in circa 782 een kort gedicht over de Rijn met Utrecht als plaats met weiden waar hij een bord pap met boter en honing kon krijgen. Dorestad kon beter links gelaten worden want ene norse Hrotberct, een gierige koopman, gaf daar waarschijnlijk geen onderdak. Volgens de Nederlandse archivaris Albert Delahaye (1915-1987) lag Dorestad niet op de plaats van het huidige Wijk bij Duurstede, maar was het de Noord-Franse plaats Audruicq. Christelijk Dorestad Bonifatius, de Engelse missionaris Winfried, stak in 716 het Kanaal over en zette dat jaar voet aan wal in Nederland in Dorestad. Zijn bedoeling was om de heidense Friezen te bekeren tot het christendom, in navolging van de mislukte pogingen van aartsbisschop Willibrord van Utrecht. Vermoedelijk speelde Dorestad een rol in de kerstening van de regio en mogelijk op een nog grotere schaal. Bij opgravingen in het grafveld op De Heul werd een gebouwtje aangetroffen dat mogelijk een kerkje was. De oorkonde uit 777 vermeldt een Bovenkerk (Upkirika) in de Bovenstad. In de gehele agglomeratie bevonden zich mogelijk nog andere kerkelijke gebouwen. Theutbertus wordt wel genoemd als bisschop van Dorestad. In oorkonden worden schenkingen van goederen aan de Utrechtse kerk vermeld. In vroegmiddeleeuwse kerkelijke bronnen wordt wel eens verhaald dat Dorestad een groot aantal kerken had. Odbert verhaalde in de 11e eeuw dat 55 kerken in Dorestad door de Vikingen waren vernietigd en tevens dat de handelsplaats daarbij was platgebrand. Ondanks de grootschalige opgravingen zijn echter nooit sporen van een grote brand of het afslachten van vee en mensen teruggevonden. De voorstelling over het platbranden van Dorestad is wel lange tijd in stand gebleven, onder meer J.H. Isings beeldde het in 1927 uit in een schoolplaat. Vikingen Doordat Dorestad zo'n succesvolle handelsplaats was, trok het in de 9e eeuw de aandacht van Vikingen die Dorestad regelmatig en in groten getale aanvielen en plunderden, de eerste keer in 834 en de laatste keer in 863. Fibula Een van de beroemdste archeologische vondsten van Nederland is de Fibula van Dorestad. Zij is in 1969 gevonden in een waterput in Dorestad. Het kostbare sieraad is waarschijnlijk in de put verborgen vanwege gevaar, bijvoorbeeld de aanvallen van Vikingen op Dorestad. Eerste archeologische opgraving  In verband met vrees voor de veepest was in 1839 het gebruik van botten van pas overleden  dieren stilgelegd. Deze botten werden vaak vermalen tot beendermeel om de grond te kunnen bemesten. Direct ten noorden van Wijk bij Duurstede bevonden zich echter zeer grote hoeveelheden oude dierenbotten in de grond, die gebruikt konden worden om toch aan beendermeel te kunnen komen. Door middel van zogeheten beendergraverijen werd een vermeld aantal van minstens een half miljoen kilo botten opgegraven. Maar ook werden er daarbij grote hoeveelheden ander materiaal aangetroffen zoals scherven, munten en sieraden. Het leidde in de winter van 1841-1842 tot de eerste archeologische opgraving onder leiding van L.J.F. Janssen, destijds conservator van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Aan de hand van deze vondsten werd voor het eerst een (nog voorzichtige) wetenschappelijke link gelegd met Dorestad.
Bron: Rijksmuseum van Oudheden in Leiden en Cor Bastinck.