© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Willem II - Grondwet 1848 - Industrie (vervolg)
De commissie was op 11 april 1848 gereed met haar werkzaamheden. De voorstellen gingen deels verder dan hetgeen de conservatieve Tweede Kamer wilde. Zo stelde de commissie voor de Tweede Kamer, maar ook Gemeenteraden en Provinciale Staten, rechtstreeks te laten kiezen door burgers die een bepaald bedrag aan belasting betalen. De Eerste Kamer moest volgens de commissie worden afgeschaft. De Tweede Kamer wilde dit niet. Het compromis was dat de Eerste Kamer bleef bestaan en zou worden gekozen door de Provinciale Staten. Kroonprins Willem keerde zich in 1848 tegen het besluit van zijn vader om een liberale Grondwet in te voeren. Bovendien verzocht hij op 19 oktober 1848 schriftelijk aan koning Willem II hem afstand te verlenen van zijn rechten als prins van Oranje en als erfgenaam der Kroon. De koning weigerde dit verzoek. Na het overlijden van Willem II op 17 maart 1849 werd koning Willem III, naar eigen zeggen, geconfronteerd met de nieuwe Grondwet: de bepalingen daarin hadden hem de handen gebonden. “Hij droeg daarvoor geen verantwoording, daar hij in 1848 als Prins van Oranje daarover niet gekend was, die Grondwet bij zijn troonsbeklimming zo had gevonden en had moeten bezweren, en daardoor in deze weinig vermocht.”  Willem III distantieerde zich tijdens de audiëntie op 15 april 1853 in het openbaar van de grondwet van 1848. Hij wist dat de ministers zijn constitutionele boutade niet voor hun verantwoording konden nemen en dat hij hen in een onmogelijke positie bracht. Hij maakte doelbewust gebruik van de Aprilbeweging om zich van Thorbecke en de zijnen te ontdoen. De ironie wil echter dat hun opvolgers, Van Hall c.s., de liberale grondwet niet wilden of durfden wijzigen. Willem III keerde zich in 1853 openlijk tegen het herstel van de rooms-katholieke kerkelijke hiërarchie in Nederland en negeerde daarbij de door het kabinet opgestelde reactie. De conflicten tussen koning Willem III en de liberalen in de Tweede Kamer zouden de gehele 19e eeuw een rol spelen. In 1867 leidde de Luxemburgse kwestie tot de staatsrechtelijk belangrijke vertrouwensregel. Vanaf dat moment zou geen enkel kabinet meer tegen de wens van een Kamermeerderheid blijven zitten en dus aftreden (vallen). Industrie: alle fabrieken die goederen produceren. Een fabriek is een werkplaats waarin iets wordt 'gefabriceerd', dat is iets maken met behulp van machines ofwel produceren: grondstoffen gaan er in, worden bewerkt en producten komen er uit. Soms is het product weer de 'grondstof' voor een andere fabriek. Bijvoorbeeld: ijzererts wordt in een hoogoven tot staalplaat verwerkt. Dit staalplaat is weer de grondstof waarvan een autofabriek auto's maakt. De producten kunnen variëren van heel klein (microchips) tot enorme afmetingen (maken van een complete elektriciteitscentrale, of een scheepswerf). Tot het begin van de 19e eeuw vond de productie vooral plaats thuis in het woonhuis met handkracht (huisnijverheid). Andere voorlopers van de fabriek zijn werkhuizen zoals spinhuizen en weefhuizen, en ambachtelijke werkplaatsen. Een overgangsvorm naar de fabriek was de manufactuur (tussen huisnijverheid en fabriek in). Vooral het gebruik van de stoommachine, als krachtbron om de machines aan te drijven, heeft de productie in fabrieken sterk gestimuleerd. Grondstoffen: materialen die uit de natuur gehaald worden om er iets van te maken of te fabriceren; denk ook aan: aardolie, gas, hout, klei, steen, metalen, zand (glas maken) enz. Industriële revolutie: is de omschakeling van handmatig naar machinaal vervaardigde goederen, in grotere aantallen en tegen lagere (voor meer mensen bereikbare) prijzen. De industriële revolutie begon eind 18e eeuw in Engeland en begin 19e eeuw ook in andere landen. De toepassing van de stoommachine gaf een enorme impuls aan de ontwikkeling van vervaardiging van producten. Ambachtelijke en kleinschalige werkplaatsen groeiden uit tot grote fabrieken en vormden samen een grootschalige industrie. Door die groei daalde de prijs van de producten enorm, waardoor steeds meer mensen zich konden veroorloven die producten te kopen. Hiermee brak een belangrijke periode voor Europa en later de rest van de wereld aan. Het was een trendbreuk in vergelijking met vroegere tijden en dus daarmee een 'revolutie' (omwenteling). Het betrof de snelle ontwikkeling van nieuwe technieken voor de industrie. Er kon nu ook veel meer textiel worden geproduceerd. Dat was hard nodig, want de bevolking was sterk gegroeid. In 1750 had Europa 130 miljoen inwoners, in 1850 was dit aantal verdubbeld. Dankzij de machines werd er sneller en goedkoper geproduceerd en bleven de loonkosten laag. De uitvinding van de stoomtrein in 1824 maakte het vervoer van de geproduceerde goederen gemakkelijker, en hierdoor versnelde de industrialisatie nog verder. Cultuurstelsel: een belastingvorm die in 1830 in Nederlands-Indië werd in ingevoerd en duurde tot circa 1870. Die hield in, dat bij wijze van pacht (soort huur) de inheemse bevolking, als de grond daarvoor geschikt was, 20% van hun grond moest gebruiken voor gouvernementsproducten: producten voor de Europese markt (verkoop). Deze producten waren onder meer indigo (gewilde mooie blauwe verfstof voor textiel), thee en suiker, en werden door de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Europa verkocht. Boeren die geen geschikte grond hadden, moesten 66 dagen per jaar voor het gouvernement (bestuur namens Nederland) werken (de zogenaamde herendiensten). Het stelsel werd veelvuldig misbruikt; boeren werd bijvoorbeeld voorgeschreven meer dan de 20% af te dragen. De inlandse vorsten kregen cultuurprocenten: als de gronden in hun gebied meer opbrachten voor Nederland, dan kregen zij extra geld. Dit leidde tot sterke uitbuiting van de inheemse bevolking door die inlandse vorsten. In de laatste helft 19e eeuw nam het verzet daar tegen steeds meer toe. Vanaf 1848 begonnen meer mensen te pleiten voor de afschaffing. Multatuli schreef in 1860 zijn roman Max Havelaar, waarin gewezen werd op de misstanden van het kolonialisme. Dit boek speelde een belangrijke rol in het afschaffen van het cultuurstelsel. De oudst bekende democratie was die in Athene, in de Griekse oudheid, waarin leden van de bevolking zelf direct politieke besluiten namen. In Nederland hebben we de Parlementaire Democratie (ofwel representatieve democratie). Dit is een regeringsvorm waarbij de bevolking een aantal volksvertegenwoordigers (via politieke partijen) kiest, die het bestuur uitvoeren (landelijk is dat de Tweede Kamer). Een land is democratisch als het volk het recht heeft zijn eigen regering te kiezen in periodieke (hier om de vier jaar), geheime verkiezingen met diverse partijen op basis van algemeen en gelijk stemrecht voor volwassenen. Scheiding der machten: de wetgevende macht wordt gevormd door het parlement: Tweede Kamer en Eerste Kamer (senaat), ook wel de Staten-Generaal genoemd. De uitvoerende macht wordt gevormd door de regering (het kabinet met de ministerpresident -premier-, de ministers en staatssecretarissen), die de wetten ten uitvoer brengt in beleid. De rechterlijke macht moet de andere twee machten in evenwicht houden. Ze krijgt hiervoor een zeer onafhankelijke positie. De pers (krant, radio, televisie, internet) heeft in democratische landen een belangrijke rol bij het (kritisch) informeren van de burgers. Enkele belangrijke grondrechten zijn de vrijheid van: godsdienst, meningsuiting, pers, vereniging en vergadering, onderwijs en de gelijke behandeling.
Auteur: onbekend Uit: scan by Norbert Kaiser: Hinweise zur lizenzgerechten Weiterverwendung des Bildes Own work scan from privately owned copy Enkidu1947. door Leo van Klenze, 1846. Terug vorige pagina Geneeskunde

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Willem II - Grondwet 1848 - Industrie (vervolg)
De commissie was op 11 april 1848 gereed met haar werkzaamheden. De voorstellen gingen deels verder dan hetgeen de conservatieve Tweede Kamer wilde. Zo stelde de commissie voor de Tweede Kamer, maar ook Gemeenteraden en Provinciale Staten, rechtstreeks te laten kiezen door burgers die een bepaald bedrag aan belasting betalen. De Eerste Kamer moest volgens de commissie worden afgeschaft. De Tweede Kamer wilde dit niet. Het compromis was dat de Eerste Kamer bleef bestaan en zou worden gekozen door de Provinciale Staten. Kroonprins Willem keerde zich in 1848 tegen het besluit van zijn vader om een liberale Grondwet in te voeren. Bovendien verzocht hij op 19 oktober 1848 schriftelijk aan koning Willem II hem afstand te verlenen van zijn rechten als prins van Oranje en als erfgenaam der Kroon. De koning weigerde dit verzoek. Na het overlijden van Willem II op 17 maart 1849 werd koning Willem III, naar eigen zeggen, geconfronteerd met de nieuwe Grondwet: de bepalingen daarin hadden hem de handen gebonden. “Hij droeg daarvoor geen verantwoording, daar hij in 1848 als Prins van Oranje daarover niet gekend was, die Grondwet bij zijn troonsbeklimming zo had gevonden en had moeten bezweren, en daardoor in deze weinig vermocht.”  Willem III distantieerde zich tijdens de audiëntie op 15 april 1853 in het openbaar van de grondwet van 1848. Hij wist dat de ministers zijn constitutionele boutade niet voor hun verantwoording konden nemen en dat hij hen in een onmogelijke positie bracht. Hij maakte doelbewust gebruik van de Aprilbeweging om zich van Thorbecke en de zijnen te ontdoen. De ironie wil echter dat hun opvolgers, Van Hall c.s., de liberale grondwet niet wilden of durfden wijzigen. Willem III keerde zich in 1853 openlijk tegen het herstel van de rooms-katholieke kerkelijke hiërarchie in Nederland en negeerde daarbij de door het kabinet opgestelde reactie. De conflicten tussen koning Willem III en de liberalen in de Tweede Kamer zouden de gehele 19e eeuw een rol spelen. In 1867 leidde de Luxemburgse kwestie tot de staatsrechtelijk belangrijke vertrouwensregel. Vanaf dat moment zou geen enkel kabinet meer tegen de wens van een Kamermeerderheid blijven zitten en dus aftreden (vallen). Industrie: alle fabrieken die goederen produceren. Een fabriek is een werkplaats waarin iets wordt 'gefabriceerd', dat is iets maken met behulp van machines ofwel produceren: grondstoffen gaan er in, worden bewerkt en producten komen er uit. Soms is het product weer de 'grondstof' voor een andere fabriek. Bijvoorbeeld: ijzererts wordt in een hoogoven tot staalplaat verwerkt. Dit staalplaat is weer de grondstof waarvan een autofabriek auto's maakt. De producten kunnen variëren van heel klein (microchips) tot enorme afmetingen (maken van een complete elektriciteitscentrale, of een scheepswerf). Tot het begin van de 19e eeuw vond de productie vooral plaats thuis in het woonhuis met handkracht (huisnijverheid). Andere voorlopers van de fabriek zijn werkhuizen zoals spinhuizen en weefhuizen, en ambachtelijke werkplaatsen. Een overgangsvorm naar de fabriek was de manufactuur (tussen huisnijverheid en fabriek in). Vooral het gebruik van de stoommachine, als krachtbron om de machines aan te drijven, heeft de productie in fabrieken sterk gestimuleerd. Grondstoffen: materialen die uit de natuur gehaald worden om er iets van te maken of te fabriceren; denk ook aan: aardolie, gas, hout, klei, steen, metalen, zand (glas maken) enz. Industriële revolutie: is de omschakeling van handmatig naar machinaal vervaardigde goederen, in grotere aantallen en tegen lagere (voor meer mensen bereikbare) prijzen. De industriële revolutie begon eind 18e eeuw in Engeland en begin 19e eeuw ook in andere landen. De toepassing van de stoommachine  gaf een enorme impuls aan de ontwikkeling van vervaardiging van producten. Ambachtelijke en kleinschalige werkplaatsen groeiden uit tot grote fabrieken en vormden samen een grootschalige industrie. Door die groei daalde de prijs van de producten enorm, waardoor steeds meer mensen zich konden veroorloven die producten te kopen. Hiermee brak een belangrijke periode voor Europa en later de rest van de wereld aan. Het was een trendbreuk in vergelijking met vroegere tijden en dus daarmee een 'revolutie' (omwenteling). Het betrof de snelle ontwikkeling van nieuwe technieken voor de industrie. Er kon nu ook veel meer textiel worden geproduceerd. Dat was hard nodig, want de bevolking was sterk gegroeid. In 1750 had Europa 130 miljoen inwoners, in 1850 was dit aantal verdubbeld. Dankzij de machines werd er sneller en goedkoper geproduceerd en bleven de loonkosten laag. De uitvinding van de stoomtrein in 1824 maakte het vervoer van de geproduceerde goederen gemakkelijker, en hierdoor versnelde de industrialisatie nog verder. Cultuurstelsel: een belastingvorm die in 1830 in Nederlands- Indië werd in ingevoerd en duurde tot circa 1870. Die hield in, dat bij wijze van pacht (soort huur) de inheemse bevolking, als de grond daarvoor geschikt was, 20% van hun grond moest gebruiken voor gouvernementsproducten: producten voor de Europese markt (verkoop). Deze producten waren onder meer indigo (gewilde mooie blauwe verfstof voor textiel), thee en suiker, en werden door de Nederlandsche Handel- Maatschappij in Europa verkocht. Boeren die geen geschikte grond hadden, moesten 66 dagen per jaar voor het gouvernement (bestuur namens Nederland) werken (de zogenaamde herendiensten). Het stelsel werd veelvuldig misbruikt; boeren werd bijvoorbeeld voorgeschreven meer dan de 20% af te dragen. De inlandse vorsten kregen cultuurprocenten: als de gronden in hun gebied meer opbrachten voor Nederland, dan kregen zij extra geld. Dit leidde tot sterke uitbuiting van de inheemse bevolking door die inlandse vorsten. In de laatste helft 19e eeuw nam het verzet daar tegen steeds meer toe. Vanaf 1848 begonnen meer mensen te pleiten voor de afschaffing. Multatuli schreef in 1860 zijn roman Max Havelaar, waarin gewezen werd op de misstanden van het kolonialisme. Dit boek speelde een belangrijke rol in het afschaffen van het cultuurstelsel. De oudst bekende democratie was die in Athene, in de Griekse oudheid, waarin leden van de bevolking zelf direct politieke besluiten namen. In Nederland hebben we de Parlementaire Democratie (ofwel representatieve democratie). Dit is een regeringsvorm waarbij de bevolking een aantal volksvertegenwoordigers (via politieke partijen) kiest, die het bestuur uitvoeren (landelijk is dat de Tweede Kamer). Een land is democratisch als het volk het recht heeft zijn eigen regering te kiezen in periodieke (hier om de vier jaar), geheime verkiezingen met diverse partijen op basis van algemeen en gelijk stemrecht voor volwassenen. Scheiding der machten: de wetgevende macht wordt gevormd door het parlement: Tweede Kamer en Eerste Kamer (senaat), ook wel de Staten-Generaal genoemd. De uitvoerende macht wordt gevormd door de regering (het kabinet met de ministerpresident - premier-, de ministers en staatssecretarissen), die de wetten ten uitvoer brengt in beleid. De rechterlijke macht moet de andere twee machten in evenwicht houden. Ze krijgt hiervoor een zeer onafhankelijke positie. De pers (krant, radio, televisie, internet) heeft in democratische landen een belangrijke rol bij het (kritisch) informeren van de burgers. Enkele belangrijke grondrechten zijn de vrijheid van: godsdienst, meningsuiting, pers, vereniging en vergadering, onderwijs en de gelijke behandeling.
Auteur: onbekend Uit: scan by Norbert Kaiser: Hinweise zur lizenzgerechten Weiterverwendung des Bildes Own work scan from privately owned copy Enkidu1947. door Leo van Klenze, 1846.