© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Televisie in Nederland
Nederland is een van de vele landen in Europa waarin op televisie nog sprake is van een duaal omroepbestel waarin publieke en commerciële omroepen naast elkaar uitzenden. Er zijn in Nederland drie publieke en verschillende commerciële en buitenlandse zenders te ontvangen. Sinds de introductie van digitale televisie is daar nog een groot aantal zenders bijgekomen: meestal extra buitenlandse zenders of zenders die zich richten op een specifiek thema. De geschiedenis van de eerste tv-uitzending in Nederland gaat terug tot de jaren 1920, toen Philips experimenteerde met de uitzending van filmbeelden. Commerciële zenders kwamen in Nederland op toen RTL-Véronique in 1989 begon met uitzenden. De televisie is in de 20e eeuw uitgegroeid tot een groot massamedium dat miljarden mensen bereikt. Aanvankelijk waren de beelden die werden verzonden enkel in zwart-wit, maar later werd er ook in kleur uitgezonden. Hiervoor was een nieuw soort televisie nodig: de kleurentelevisie. Na de analoge televisie kwam de digitale televisie. De laatste innovatie is de 3D-televisie, die een driedimensionaal beeld geeft. De geschiedenis van de Nederlandse televisie begon in de jaren dertig van de 20e eeuw toen de eerste Nederlandse experimenten met de televisie werden uitgevoerd. Op de Derde Radio Salon van 16 tot 29 mei 1929 in het Kurhaus in Scheveningen vond een demonstratie plaats van prof. August Karolus van Telefunken van televisie in Nederland. Het matglazen scherm was 30 bij 30 cm en 20 personen konden tegelijk kijken. Deze geschiedenis is nauw verbonden met die van Philips. De eerste zenders werden gebouwd door televisiepionier Erik de Vries die werkzaam was bij het Philips Natuurkundig Laboratorium. Hij deed daarmee de eerste proeven en uiteindelijk vonden de eerste uitzendingen in Nederland plaats. Dit was in 1930 vanaf het torentje van het Amsterdamse Carltonhotel. In het jaar 1935 zou de eerste persoon op de Nederlandse televisie verschijnen. Het was een dochter van Koos Speenhoff die bij Philips op de administratie werkte. Zij was presentatrice tijdens een experimentele uitzending. Philips bouwde in 1937-1938 vier wagens, twee materiaal/zenderwagens en twee techniekwagens met daarin een filmscanner en een verrijdbare televisiecamera. Op 13 oktober 1937 werden de wagens getoond op Welschap. Op 15 januari 1938 werden de eerste wagens per trein naar Brussel gebracht en ook Antwerpen om daar een televisiedemonstratie te geven. In de techniekwagen bevonden zich een camera en filmaftaster. Vanuit de zenderwagen, eenmaal ter plekke, konden programma’s worden uitgezonden die in de techniekwagen gemaakt werden. De tweede reportagewagen (caravan) was net klaar (februari 1938) voor de eerste demonstratie in de Jaarbeurs in Utrecht, op 15 maart 1938. Daarna werden door De Vries in diverse landen demonstraties gegeven. Een van de caravans werd vernietigd in de Tweede Wereldoorlog. De caravan bevond zich op 1 september 1939 in Warschau en op 3 september brak na de Duitse inval in Polen de Tweede Wereldoorlog uit. Het personeel kon nog net terugkomen naar Nederland. Naar aanleiding daarvan kon op 29 september 1939 de tweede caravan, die in Zagreb stond, alleen via de Middellandse Zee terug naar Eindhoven. Na terugkomst werden de wagens geparkeerd op de binnenplaats van het Nat Lab van Philips in Eindhoven. De wagens werden bij een bombardement door de Britse Royal Air Force op Eindhoven op 6 december 1942 vernietigd. Philips verzorgde tussen 1948 en 1951 264 experimentele televisie-uitzendingen, die werden geleid door Erik de Vries. Ze werden ontvangen door enkele honderden toestellen die in Eindhoven stonden opgesteld, voornamelijk bij Philipsmedewerkers. De presentatie van de eerste uitzendingen was in handen van Fred Knol die ook bekend was van Radio Herrijzend Nederland. De officiële introductie van de televisie in Nederland was op 12 december 1949. De toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat gaf toen toestemming voor deze introductie. Twee jaar later was de Nederlandse Televisie Stichting (NTS) opgericht. Er werd in die tijd veel geëxperimenteerd en gedebatteerd. In de NTS waren de vier grote omroepverenigingen opgenomen (AVRO, KRO, VARA en NCRV), en later kwam hier ook de VPRO bij. De eerste (zwart-wit) televisie-uitzending was op 2 oktober 1951, 20.15 uur, vanuit de NTS-studio, studio Irene te Bussum. Na de officiële opening door staatssecretaris mr. Cals en NTS-voorzitter prof. J. B. Kors (KRO) volgde een filmpje over de fabricage van beiaardklokken in Nederland, een overzicht van de geschiedenis van de televisie en als hoofdschotel het spel de Toverspiegel. De uitzending duurde tot 22.15 uur, en verliep op een kleine technische storing na zonder problemen. De Amsterdamse journaliste Jeanne Roos was de omroepster van het eerste uur. De beeldsignalen uit de studio werden door de televisietoren in Bussum via een straalverbinding naar de zendmast bij Lopik (tegenwoordig staand in de gemeente IJsselstein) verzonden, die ze na ontvangst doorzond naar de toen nog zeer weinige ontvangsttoestellen in Nederland. In 1959 werd de eerste (stalen) televisietoren van Hilversum in gebruik genomen. Deze toren stond aan de Insulindelaan, nabij het latere Mediapark, en diende als vervanger van de toren in Bussum. In 1971 werd de huidige televisietoren gebouwd; de oude bleef nog staan tot 1976. Vanaf het begin bleef vooral 'Hilversum' meer dan 'Bussum' verbonden aan het begrip 'omroep'. Na een experimentele periode moest worden gekozen of er zou worden uitgezonden vanuit één nationale omroep, of dat de verzuilde omroepen die al uitzonden op de radio de kijktijd onderling zouden gaan verdelen. Uiteindelijk werd via het Televisiebesluit van 1956 gekozen voor een verzuild systeem met verschillende omroepen (zoals dat nu ook nog het geval is bij de publieke omroep). Ook werd er een kijkgeldregeling ingesteld voor televisie-eigenaren en werd reclame vooralsnog niet toegestaan. Televisie werd gezien als het medium voor informatieverspreiding en nieuwsvoorziening. Het bioscoopjournaal, waarvan het Polygoonjournaal het bekendste is, werd in de loop de jaren langzaam ingehaald door de televisiejournaals. Het NTS Journaal was de grondlegger van het Nederlandse televisiejournaal, dat voor het eerst werd uitgezonden in 1956. Tussen 1956 en 1960 werd vooral geïnvesteerd in het bouwen van de Gerbrandytoren en de steunzenders in Goes, Roosendaal, Loon op Zand, Mierlo, Hilversum, Roermond, Markelo, Ugchelen, Zwolle en Smilde. Vanaf oktober 1960 werd er op alle avonden uitgezonden, meestal van 20.00 uur tot 22.20 uur. In oktober 1962 ging het aantal zenduren van 26 naar 30 uur per week en begonnen de uitzendingen voortaan om 19.30 uur. Met de komst van een tweede net in 1964 was er sprake van Nederland 1 en Nederland 2. In 1967 werd kleurentelevisie officieel in Nederland geïntroduceerd. Het in Nederland geadopteerde kleurensysteem was het door de Duitse Dr. Walter Bruch van Telefunken uit het Amerikaanse NTSC-systeem doorontwikkelde PAL-systeem. Eveneens in het jaar 1967 werd reclame op de Nederlandse televisie toegelaten. Enkele jaren daarna werd het open bestel ingevoerd bij de Omroepwet van 1969. Rond 1985 hadden de meeste Nederlandse huishoudens een kleurentoestel aangeschaft, het aantal publieke televisiezenders was in 1988 gestegen tot drie en populaire televisieprogramma's als Spel zonder grenzen, Swiebertje en Eén van de acht trokken vele miljoenen kijkers; televisiekijken werd algemeen de belangrijkste vorm van vrijetijdsbesteding en nam steeds meer de rol over van het traditionele gezelschapsspel of het lezen van een boek. Critici begonnen zich te roeren en wezen op de bedenkelijke invloeden van geweld en seks op de televisie, vooral op de jeugd. De Amerikaan Neil Postman schreef het boek Wij amuseren ons kapot. Hij had veel commentaar op het vluchtige karakter en de afstompende invloed van de televisie en andere media. Hij was ook tegen de commercialisering van de media. Door de Omroepwet van 1969, was het nu mogelijk om als nieuwe omroep tot het bestel toe te treden, de TROS had hier enkele jaren voordat de wet werd ingevoerd al gebruik van gemaakt. De Evangelische Omroep en Veronica Omroep Organisatie volgden later. Eisen voor nieuwe omroepen waren: Verschillende programmacategorieën moeten aan bod komen (dus bijvoorbeeld niet alleen religieuze programma's of enkel muziek). Een wat ruim omgeschreven cultureel criterium: bij het volk levende culturele en godsdienstige waarden moesten worden gebruikt in de uitzendingen. Een ledencriterium: minimaal 100.000 leden zijn vereist voor uitzenden en hoe meer leden, hoe meer zendtijd. Er werd een systeem ingevoerd (dat nu nog steeds gebruikt wordt) met A-, B- en C- omroepen. Een ander resultaat van de Omroepwet van 1969 is vorming van de Nederlandse Omroep Stichting (NOS), dat zich op algemene nieuws- en sportuitzendingen richt en ook zorgt voor technische en administratieve hulp. Televisie bleek eveneens een geschikt medium voor amusement. Door de toetreding van de TROS en de VOO werden er meer amusementsprogramma's uitgezonden, wat leidde tot de nodige kritiek en zorgen uit politiek en samenleving, samen te vatten in het woord vertrossing. Het kijk- en luistergeld is een belastingheffing op het bezit van radio- en televisietoestellen. Een andere naam voor deze belasting is omroepbijdrage. Uit de opbrengst van deze heffing worden de programma's van de publieke omroep gefinancierd. In Nederland bestaat, sinds 1 januari 2000, deze heffing niet meer en wordt nu betaald uit de algemene belastingen. Een andere en belangrijke inkomstenbron zijn de STER-gelden (de opbrengsten uit de reclame).
Auteur: Evert F. Baumgardner.  Images of American Political History. Posting online by Dr. William J. Ball. All images are believed to be in the public domain. Auteur: new versión by ebnz (CC BY-SA 3.0)

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Televisie in Nederland
Nederland is een van de vele landen in Europa waarin op televisie nog sprake is van een duaal omroepbestel waarin publieke en commerciële omroepen naast elkaar uitzenden. Er zijn in Nederland drie publieke en verschillende commerciële en buitenlandse zenders te ontvangen. Sinds de introductie van digitale televisie is daar nog een groot aantal zenders bijgekomen: meestal extra buitenlandse zenders of zenders die zich richten op een specifiek thema. De geschiedenis van de eerste tv- uitzending in Nederland gaat terug tot de jaren 1920, toen Philips experimenteerde met de uitzending van filmbeelden. Commerciële zenders kwamen in Nederland op toen RTL- Véronique in 1989 begon met uitzenden. De televisie is in de 20e eeuw uitgegroeid tot een groot massamedium dat miljarden mensen bereikt. Aanvankelijk waren de beelden die werden verzonden enkel in zwart-wit, maar later werd er ook in kleur uitgezonden. Hiervoor was een nieuw soort televisie nodig: de kleurentelevisie. Na de analoge televisie kwam de digitale televisie. De laatste innovatie is de 3D-televisie, die een driedimensionaal beeld geeft. De geschiedenis van de Nederlandse televisie begon in de jaren dertig van de 20e eeuw toen de eerste Nederlandse experimenten met de televisie werden uitgevoerd. Op de Derde Radio Salon van 16 tot 29 mei 1929 in het Kurhaus in Scheveningen vond een demonstratie plaats van prof. August Karolus van Telefunken van televisie in Nederland. Het matglazen scherm was 30 bij 30 cm en 20 personen konden tegelijk kijken. Deze geschiedenis is nauw verbonden met die van Philips. De eerste zenders werden gebouwd door televisiepionier Erik de Vries die werkzaam was bij het Philips Natuurkundig Laboratorium. Hij deed daarmee de eerste proeven en uiteindelijk vonden de eerste uitzendingen in Nederland plaats. Dit was in 1930 vanaf het torentje van het Amsterdamse Carltonhotel. In het jaar 1935 zou de eerste persoon op de Nederlandse televisie verschijnen. Het was een dochter van Koos Speenhoff die bij Philips op de administratie werkte. Zij was presentatrice tijdens een experimentele uitzending. Philips bouwde in 1937-1938 vier wagens, twee materiaal/zenderwagens en twee techniekwagens met daarin een filmscanner en een verrijdbare televisiecamera. Op 13 oktober 1937 werden de wagens getoond op Welschap. Op 15 januari 1938 werden de eerste wagens per trein naar Brussel gebracht en ook Antwerpen om daar een televisiedemonstratie te geven. In de techniekwagen bevonden zich een camera en filmaftaster. Vanuit de zenderwagen, eenmaal ter plekke, konden programma’s worden uitgezonden die in de techniekwagen gemaakt werden. De tweede reportagewagen (caravan) was net klaar (februari 1938) voor de eerste demonstratie in de Jaarbeurs in Utrecht, op 15 maart 1938. Daarna werden door De Vries in diverse landen demonstraties gegeven. Een van de caravans werd vernietigd in de Tweede Wereldoorlog. De caravan bevond zich op 1 september 1939 in Warschau en op 3 september brak na de Duitse inval in Polen de Tweede Wereldoorlog uit. Het personeel kon nog net terugkomen naar Nederland. Naar aanleiding daarvan kon op 29 september 1939 de tweede caravan, die in Zagreb stond, alleen via de Middellandse Zee terug naar Eindhoven. Na terugkomst werden de wagens geparkeerd op de binnenplaats van het Nat Lab van Philips in Eindhoven. De wagens werden bij een bombardement door de Britse Royal Air Force op Eindhoven op 6 december 1942 vernietigd. Philips verzorgde tussen 1948 en 1951 264 experimentele televisie-uitzendingen, die werden geleid door Erik de Vries. Ze werden ontvangen door enkele honderden toestellen die in Eindhoven stonden opgesteld, voornamelijk bij Philipsmedewerkers. De presentatie van de eerste uitzendingen was in handen van Fred Knol die ook bekend was van Radio Herrijzend Nederland. De officiële introductie van de televisie in Nederland was op 12 december 1949. De toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat gaf toen toestemming voor deze introductie. Twee jaar later was de Nederlandse Televisie Stichting (NTS) opgericht. Er werd in die tijd veel geëxperimenteerd en gedebatteerd. In de NTS waren de vier grote omroepverenigingen opgenomen (AVRO, KRO, VARA en NCRV), en later kwam hier ook de VPRO bij. De eerste (zwart-wit) televisie-uitzending was op 2 oktober 1951, 20.15 uur, vanuit de NTS-studio, studio Irene te Bussum. Na de officiële opening door staatssecretaris mr. Cals en NTS-voorzitter prof. J. B. Kors (KRO) volgde een filmpje over de fabricage van beiaardklokken in Nederland, een overzicht van de geschiedenis van de televisie en als hoofdschotel het spel de Toverspiegel. De uitzending duurde tot 22.15 uur, en verliep op een kleine technische storing na zonder problemen. De Amsterdamse journaliste Jeanne Roos was de omroepster van het eerste uur. De beeldsignalen uit de studio werden door de televisietoren in Bussum via een straalverbinding naar de zendmast bij Lopik (tegenwoordig staand in de gemeente IJsselstein) verzonden, die ze na ontvangst doorzond naar de toen nog zeer weinige ontvangsttoestellen in Nederland. In 1959 werd de eerste (stalen) televisietoren van Hilversum in gebruik genomen. Deze toren stond aan de Insulindelaan, nabij het latere Mediapark, en diende als vervanger van de toren in Bussum. In 1971 werd de huidige televisietoren gebouwd; de oude bleef nog staan tot 1976. Vanaf het begin bleef vooral 'Hilversum' meer dan 'Bussum' verbonden aan het begrip 'omroep'. Na een experimentele periode moest worden gekozen of er zou worden uitgezonden vanuit één nationale omroep, of dat de verzuilde omroepen die al uitzonden op de radio de kijktijd onderling zouden gaan verdelen. Uiteindelijk werd via het Televisiebesluit van 1956 gekozen voor een verzuild systeem met verschillende omroepen (zoals dat nu ook nog het geval is bij de publieke omroep). Ook werd er een kijkgeldregeling ingesteld voor televisie- eigenaren en werd reclame vooralsnog niet toegestaan. Televisie werd gezien als het medium voor informatieverspreiding en nieuwsvoorziening. Het bioscoopjournaal, waarvan het Polygoonjournaal het bekendste is, werd in de loop de jaren langzaam ingehaald door de televisiejournaals. Het NTS Journaal was de grondlegger van het Nederlandse televisiejournaal, dat voor het eerst werd uitgezonden in 1956. Tussen 1956 en 1960 werd vooral geïnvesteerd in het bouwen van de Gerbrandytoren en de steunzenders in Goes, Roosendaal, Loon op Zand, Mierlo, Hilversum, Roermond, Markelo, Ugchelen, Zwolle en Smilde. Vanaf oktober 1960 werd er op alle avonden uitgezonden, meestal van 20.00 uur tot 22.20 uur. In oktober 1962 ging het aantal zenduren van 26 naar 30 uur per week en begonnen de uitzendingen voortaan om 19.30 uur. Met de komst van een tweede net in 1964 was er sprake van Nederland 1 en Nederland 2. In 1967 werd kleurentelevisie officieel in Nederland geïntroduceerd. Het in Nederland geadopteerde kleurensysteem was het door de Duitse Dr. Walter Bruch van Telefunken uit het Amerikaanse NTSC-systeem doorontwikkelde PAL-systeem. Eveneens in het jaar 1967 werd reclame op de Nederlandse televisie toegelaten. Enkele jaren daarna werd het open bestel ingevoerd bij de Omroepwet van 1969. Rond 1985 hadden de meeste Nederlandse huishoudens een kleurentoestel aangeschaft, het aantal publieke televisiezenders was in 1988 gestegen tot drie en populaire televisieprogramma's als Spel zonder grenzen, Swiebertje en Eén van de acht trokken vele miljoenen kijkers; televisiekijken werd algemeen de belangrijkste vorm van vrijetijdsbesteding en nam steeds meer de rol over van het traditionele gezelschapsspel of het lezen van een boek. Critici begonnen zich te roeren en wezen op de bedenkelijke invloeden van geweld en seks op de televisie, vooral op de jeugd. De Amerikaan Neil Postman schreef het boek Wij amuseren ons kapot. Hij had veel commentaar op het vluchtige karakter en de afstompende invloed van de televisie en andere media. Hij was ook tegen de commercialisering van de media. Door de Omroepwet van 1969, was het nu mogelijk om als nieuwe omroep tot het bestel toe te treden, de TROS had hier enkele jaren voordat de wet werd ingevoerd al gebruik van gemaakt. De Evangelische Omroep en Veronica Omroep Organisatie volgden later. Eisen voor nieuwe omroepen waren: Verschillende programmacategorieën moeten aan bod komen (dus bijvoorbeeld niet alleen religieuze programma's of enkel muziek). Een wat ruim omgeschreven cultureel criterium: bij het volk levende culturele en godsdienstige waarden moesten worden gebruikt in de uitzendingen. Een ledencriterium: minimaal 100.000 leden zijn vereist voor uitzenden en hoe meer leden, hoe meer zendtijd. Er werd een systeem ingevoerd (dat nu nog steeds gebruikt wordt) met A-, B- en C-omroepen. Een ander resultaat van de Omroepwet van 1969 is vorming van de Nederlandse Omroep Stichting (NOS), dat zich op algemene nieuws- en sportuitzendingen richt en ook zorgt voor technische en administratieve hulp. Televisie bleek eveneens een geschikt medium voor amusement. Door de toetreding van de TROS en de VOO werden er meer amusementsprogramma's uitgezonden, wat leidde tot de nodige kritiek en zorgen uit politiek en samenleving, samen te vatten in het woord vertrossing. Het kijk- en luistergeld is een belastingheffing op het bezit van radio- en televisietoestellen. Een andere naam voor deze belasting is omroepbijdrage. Uit de opbrengst van deze heffing worden de programma's van de publieke omroep gefinancierd. In Nederland bestaat, sinds 1 januari 2000, deze heffing niet meer en wordt nu betaald uit de algemene belastingen. Een andere en belangrijke inkomstenbron zijn de STER-gelden (de opbrengsten uit de reclame).
Auteur: Evert F. Baumgardner.  Images of American Political History. Posting online by Dr. William J. Ball. All images are believed to be in the public domain. Auteur: new versión by ebnz (CC BY-SA 3.0)