© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Srebrenica - Dutchbat (vervolg)
De United Nations Protection Force (UNPROFOR) was een VN-vredesmacht die tijdens de Bosnische Oorlog actief was in voormalig Joegoslavië. UNPROFOR was voornamelijk actief in de hedendaagse landen Kroatië, Bosnië en Herzegovina en Macedonië. In beginsel had UNPROFOR tot taak verdere escalatie van de oorlog te voorkomen en voorwaarden te scheppen voor vredesbesprekingen. Later werden UNPROFOR-troepen ook ingezet voor het beveiligen van zogenaamde "safe areas" ("veilige gebieden"), enclaves voor moslims in Bosnië en Herzegovina: Zepa, Goražde, Bihac, Sarajevo, Tuzla en Srebrenica. Met VN-resolutie 836 (4 juni 1993) mocht de veiligheid van die gebieden zo nodig met geweld worden afgedwongen. In Srebrenica ging het echter totaal mis: Servische troepen trokken de stad binnen zonder dat de VN ingreep (de door Dutchbat gevraagde luchtsteun bleef uit). Dit leidde tot de Val van Srebrenica op 11 en 12 juli 1995 gevolgd door het massaal uitmoorden van de mannelijke moslimbevolking en deportatie van de vrouwen en kinderen naar Tuzla. Later viel op 20 juli ook nog de enclave Zepa. Uiteindelijk ging de VN-veiligheidsraad akkoord met de inzet van een voornamelijk door Frankrijk en Groot-Brittannië ter beschikking gestelde Rapid Reaction Force (RRF) met luchtsteun van de NAVO. De directe aanleiding voor het uiteindelijke ingrijpen door de RRF was de (waarschijnlijk) Bosnisch-Servische mortieraanval op de Merkale-markt in Sarajevo op 28 augustus 1995. De acties van de RRF en de NAVO-luchtstrijdkrachten leidden er uiteindelijk toe dat de Serviërs bereid waren tot een staakt-het-vuren. Dit leidde vervolgens tot vredesbesprekingen in het Amerikaanse Dayton. Na het bereiken van het Verdrag van Dayton op 14 december 1995 werd UNPROFOR op 20 december in Bosnië en Herzegovina opgevolgd door de NAVO-geleide vredesmacht IFOR. De Nederlandse bijdrage bestond uit onder andere: Infanteriebataljon (Dutchbat) van de Luchtmobiele Brigade van de Koninklijke Landmacht (1994 - 1995) dat werd ingezet in en rond Srebrenica (met bases in Srebrenica, Potočari, Tuzla, Simin Han) gesteund door het [ 1 (NL) UN Suportcommand] (een logistieke eenheid) in Lukavac. In totaal leverde Nederland 9753 militairen aan UNPROFOR. Tijdens de uitvoering van hun taak kwamen zeven van hen om het leven. Drie daarvan waren als gevolg van directe gevechtshandelingen te betreuren. In december 2006 kregen ongeveer 470 militairen die deel hadden uitgemaakt van Dutchbat III het Draaginsigne Dutchbat III "als symbool van erkenning voor de ongeveer 850 militairen die in moeilijke omstandigheden naar eer en geweten hebben gefunctioneerd en ten onrechte gedurende langere tijd in een negatief daglicht zijn gesteld", uitgereikt door (demissionair) defensieminister Henk Kamp. Het draaginsigne was bedoeld als een erkenning, niet als beloning, voor de militairen die sinds de val van de enclave zeer negatief in het nieuws kwamen. De toekenning van het insigne gaf desondanks aanleiding tot de kritiek, onder andere van nabestaanden van de slachtoffers en de nabestaanden van de vermoorde inwoners van Srebrenica. Nabestaanden van slachtoffers alsmede het IKV protesteerden; de Nederlandse ambassadeur in Sarajevo, Karel Vosskühler, werd zelfs ontboden bij de regering van Bosnië. Op 4 juni 2007 werden de Staat der Nederlanden en de Verenigde Naties namens de nabestaanden van de slachtoffers officieel aangeklaagd in een civiele procedure. De nabestaanden verwijten de Nederlandse Staat onder meer het zenden van een niet op zijn taak berekend bataljon, het niet optreden tegen de Servische aanval, het niet beschermen van de burgerbevolking en het actief tegenwerken van luchtsteun. Het actief ingrijpen van de Nederlandse regering ter voorkoming van luchtsteun, zou de bedoeling hebben gehad de ongeveer dertig Nederlandse militairen te ontzien, die door de Servische milities waren gegijzeld. Hierdoor werd het mandaat echter ten onrechte dusdanig uitgelegd, dat het primair zou gaan de eigen militairen te beschermen, en aldus niet de burgerbevolking waarvoor dat mandaat nu juist was ingesteld. Ook zouden de Nederlanders de oorlogsmisdaden waarvan zij getuige waren geweest, niet aan de Verenigde Naties hebben gerapporteerd. Op 5 juli 2011 is de Nederlandse staat door het Gerechtshof in Den Haag aansprakelijk bevonden voor wat betreft drie van de slachtoffers. Zij werden van de compound van Dutchbat III gestuurd en daarmee in feite aan de Bosnische Serviërs overgeleverd, waarvan de Nederlanders konden weten dat deze de mannen niet zouden sparen, aldus de rechtbank. Resultaat parlementaire enquête naar de val van Srebrenica. Het rapport 'Missie zonder vrede' werd op 27 januari 2003 gepresenteerd. De belangrijkste conclusie was dat Nederland een "geheel eigen verantwoordelijkheid" heeft gehad in het drama rond de val van Srebrenica. De schuld evenwel van de massamoord werd door de commissie-Bakker duidelijk bij de Bosnische Serviërs gelegd. Den Haag kon het falen van Dutchbat echter niet geheel afschuiven op de internationale politieke context. Het aftreden van het tweede kabinet-Kok in april 2002, naar aanleiding van het verschijnen van het NIOD-rapport, beoordeelde de commissie als terecht. De commissie concludeerde verder dat: er geen worst-case scenario beschikbaar was om in te spelen op een mogelijke val van de enclave Srebrenica; Dutchbat met een onduidelijk mandaat naar Srebrenica vertrok; de politiek te weinig luisterde naar de bezwaren die de top van de landmacht vooraf tegen de operatie waren geuit; Dutchbat bij de evacuatie van moslimmannen in Potocari geen pogingen ondernomen had om de moslims tot het laatst te vergezellen; door aarzelend optreden van de Franse VN-generaal Janvier Dutchbat luchtsteun onthouden werd toen Srebrenica ingenomen dreigde te worden; de opperbevelhebber van de Nederlandse landmacht, oud-generaal Couzy, minister Voorhoeve van Defensie onnodig in de problemen gebracht had door informatie over oorlogsmisdaden niet te melden. Op 4 juni 2003 werd het rapport in de Tweede Kamer behandeld. Commissievoorzitter Bakker wist de Kamer er echter van te overtuigen dat het niet realistisch was één individuele politicus het drama aan te rekenen. Waarmee deze enquête als afgesloten kon worden beschouwd.
Foto:  Mikhail Evstafiev (CC BY-SA 3.0) Auteur: Dans-eng Terug vorige pagina Geneeskunde

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Srebrenica - Dutchbat (vervolg)
De United Nations Protection Force (UNPROFOR) was een VN-vredesmacht die tijdens de Bosnische Oorlog actief was in voormalig Joegoslavië. UNPROFOR was voornamelijk actief in de hedendaagse landen Kroatië, Bosnië en Herzegovina en Macedonië. In beginsel had UNPROFOR tot taak verdere escalatie van de oorlog te voorkomen en voorwaarden te scheppen voor vredesbesprekingen. Later werden UNPROFOR- troepen ook ingezet voor het beveiligen van zogenaamde "safe areas" ("veilige gebieden"), enclaves voor moslims in Bosnië en Herzegovina: Zepa, Goražde, Bihac, Sarajevo, Tuzla en Srebrenica. Met VN-resolutie 836 (4 juni 1993) mocht de veiligheid van die gebieden zo nodig met geweld worden afgedwongen. In Srebrenica ging het echter totaal mis: Servische troepen trokken de stad binnen zonder dat de VN ingreep (de door Dutchbat gevraagde luchtsteun bleef uit). Dit leidde tot de Val van Srebrenica op 11 en 12 juli 1995 gevolgd door het massaal uitmoorden van de mannelijke moslimbevolking en deportatie van de vrouwen en kinderen naar Tuzla. Later viel op 20 juli ook nog de enclave Zepa. Uiteindelijk ging de VN-veiligheidsraad akkoord met de inzet van een voornamelijk door Frankrijk en Groot-Brittannië ter beschikking gestelde Rapid Reaction Force (RRF) met luchtsteun van de NAVO. De directe aanleiding voor het uiteindelijke ingrijpen door de RRF was de (waarschijnlijk) Bosnisch-Servische mortieraanval op de Merkale-markt in Sarajevo op 28 augustus 1995. De acties van de RRF en de NAVO-luchtstrijdkrachten leidden er uiteindelijk toe dat de Serviërs bereid waren tot een staakt-het-vuren. Dit leidde vervolgens tot vredesbesprekingen in het Amerikaanse Dayton. Na het bereiken van het Verdrag van Dayton op 14 december 1995 werd UNPROFOR op 20 december in Bosnië en Herzegovina opgevolgd door de NAVO-geleide vredesmacht IFOR. De Nederlandse bijdrage bestond uit onder andere: Infanteriebataljon (Dutchbat) van de Luchtmobiele Brigade van de Koninklijke Landmacht (1994 - 1995) dat werd ingezet in en rond Srebrenica (met bases in Srebrenica, Potočari, Tuzla, Simin Han) gesteund door het [ 1 (NL) UN Suportcommand] (een logistieke eenheid) in Lukavac. In totaal leverde Nederland 9753 militairen aan UNPROFOR. Tijdens de uitvoering van hun taak kwamen zeven van hen om het leven. Drie daarvan waren als gevolg van directe gevechtshandelingen te betreuren. In december 2006 kregen ongeveer 470 militairen die deel hadden uitgemaakt van Dutchbat III het Draaginsigne Dutchbat III "als symbool van erkenning voor de ongeveer 850 militairen die in moeilijke omstandigheden naar eer en geweten hebben gefunctioneerd en ten onrechte gedurende langere tijd in een negatief daglicht zijn gesteld", uitgereikt door (demissionair) defensieminister Henk Kamp. Het draaginsigne was bedoeld als een erkenning, niet als beloning, voor de militairen die sinds de val van de enclave zeer negatief in het nieuws kwamen. De toekenning van het insigne gaf desondanks aanleiding tot de kritiek, onder andere van nabestaanden van de slachtoffers en de nabestaanden van de vermoorde inwoners van Srebrenica. Nabestaanden van slachtoffers alsmede het IKV protesteerden; de Nederlandse ambassadeur in Sarajevo, Karel Vosskühler, werd zelfs ontboden bij de regering van Bosnië. Op 4 juni 2007 werden de Staat der Nederlanden en de Verenigde Naties namens de nabestaanden van de slachtoffers officieel aangeklaagd in een civiele procedure. De nabestaanden verwijten de Nederlandse Staat onder meer het zenden van een niet op zijn taak berekend bataljon, het niet optreden tegen de Servische aanval, het niet beschermen van de burgerbevolking en het actief tegenwerken van luchtsteun. Het actief ingrijpen van de Nederlandse regering ter voorkoming van luchtsteun, zou de bedoeling hebben gehad de ongeveer dertig Nederlandse militairen te ontzien, die door de Servische milities waren gegijzeld. Hierdoor werd het mandaat echter ten onrechte dusdanig uitgelegd, dat het primair zou gaan de eigen militairen te beschermen, en aldus niet de burgerbevolking waarvoor dat mandaat nu juist was ingesteld. Ook zouden de Nederlanders de oorlogsmisdaden waarvan zij getuige waren geweest, niet aan de Verenigde Naties hebben gerapporteerd. Op 5 juli 2011 is de Nederlandse staat door het Gerechtshof in Den Haag aansprakelijk bevonden voor wat betreft drie van de slachtoffers. Zij werden van de compound van Dutchbat III gestuurd en daarmee in feite aan de Bosnische Serviërs overgeleverd, waarvan de Nederlanders konden weten dat deze de mannen niet zouden sparen, aldus de rechtbank. Resultaat parlementaire enquête naar de val van Srebrenica. Het rapport 'Missie zonder vrede' werd op 27 januari 2003 gepresenteerd. De belangrijkste conclusie was dat Nederland een "geheel eigen verantwoordelijkheid" heeft gehad in het drama rond de val van Srebrenica. De schuld evenwel van de massamoord werd door de commissie- Bakker duidelijk bij de Bosnische Serviërs gelegd. Den Haag kon het falen van Dutchbat echter niet geheel afschuiven op de internationale politieke context. Het aftreden van het tweede kabinet-Kok in april 2002, naar aanleiding van het verschijnen van het NIOD- rapport, beoordeelde de commissie als terecht. De commissie concludeerde verder dat: er geen worst-case scenario beschikbaar was om in te spelen op een mogelijke val van de enclave Srebrenica; Dutchbat met een onduidelijk mandaat naar Srebrenica vertrok; de politiek te weinig luisterde naar de bezwaren die de top van de landmacht vooraf tegen de operatie waren geuit; Dutchbat bij de evacuatie van moslimmannen in Potocari geen pogingen ondernomen had om de moslims tot het laatst te vergezellen; door aarzelend optreden van de Franse VN- generaal Janvier Dutchbat luchtsteun onthouden werd toen Srebrenica ingenomen dreigde te worden; de opperbevelhebber van de Nederlandse landmacht, oud-generaal Couzy, minister Voorhoeve van Defensie onnodig in de problemen gebracht had door informatie over oorlogsmisdaden niet te melden. Op 4 juni 2003 werd het rapport in de Tweede Kamer behandeld. Commissievoorzitter Bakker wist de Kamer er echter van te overtuigen dat het niet realistisch was één individuele politicus het drama aan te rekenen. Waarmee deze enquête als afgesloten kon worden beschouwd.
Foto:  Mikhail Evstafiev (CC BY-SA 3.0) Auteur: Dans-eng