© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Slavernij (vervolg)
Nederlands Oost-Indië Tussen 1621 en 1665 vervoerden 131 Nederlandse slavenschepen 38.441 slaven van Pulicat in India naar Batavia. Pulicat was in 1610 door de Nederlanders veroverd op de Portugezen. De Nederlanders kochten de slaven in tijden van rampspoed (droogte, mislukte oogsten, honger, natuurrampen) van hun ouders of namen hen gevangen. De prijs van een slavenkind kon zakken tot slechts 4 gulden als de oogst mislukt was. Was de oogst goed, dan kon de prijs vertienvoudigen. In dat geval vonden de Nederlandse slavenhandelaren dat niet winstgevend genoeg en ronselden Indiërs om op slavenjacht te gaan. De doodsbange jeugd vermeed markten en andere drukke plaatsen waar de kans op kidnapping groot was, en vluchtte zelfs naburige bossen in. In de droogteperiode van 1673-1677 werden er 1839 slaven verscheept van Madura naar Batavia. Jongens en meisjes werden van Thanjavur naar Ceylon, Batavia en Malacca overgebracht. Tussen 1694 en 1696 bedroeg alleen al het aantal slaven vervoerd van Thanjavur naar Ceylon 3859. Veel van de getransporteerde slaven waren katholiek, een gevolg van de evangelisatie ten tijde van de ongeveer honderd jaar Portugese periode voorafgaand aan de Nederlandse bezetting van de Coromandel (zuidoostkust van India). Suriname Vanaf de aankomst van de eerste slaven uit Afrika in Suriname lukte het sommigen van hen om het binnenland in te vluchten. Zij leerden het oerwoud en de moerassen kennen, en stichtten er ministaatjes. Van daaruit overvielen zij plantages, plunderden deze en bevrijdden slaven. De Nederlanders konden hier weinig tegen beginnen. Uiteindelijk sloot het koloniaal bestuur vanaf 1760 vredesverdragen met groepen Marrons. Bekende aanvoerders van de Marrons waren Adyáko Benti Basiton (ook bekend als Boston Bendt), Adoe, Alabi, Boni en Broos. De Sociëteit van Suriname streek een percentage op van de inkomsten verkregen uit de binnenlandse slavenmarkt. Om daar onderuit te komen was het stiekem aan land brengen van slaven niet ongewoon, deze clandestiene handel werd "lorredraaierij" genoemd. Vaak werkten er tientallen slaven op een suikerplantage. Soms werd het hun toegestaan om een moestuintje te beginnen, omdat levensmiddelen in Suriname schrikbarend duur waren. Sommige slaven verkregen de vrijheid na een aantal jaren. De gouverneur/planter Johan van Scharphuizen was mogelijk humaner dan tot nu toe bekend. Mogelijk was hij een uitzondering tussen al de planters die snel winst wilden maken, zoals Jonas Witsen. Als de planter met pensioen ging, kregen de huisslaven soms een goede opleiding of een toelage uit de erfenis. Er wordt vaak gedacht dat de plantagehouders in Suriname alleen Nederlanders waren, terwijl een groot deel van de plantagehouders van origine Engels, Frans, Duits, Zwitsers, Spaans of Portugees was. Argumenten tegen de slavernij Tegen het einde van de 18e eeuw begon er steeds meer protest te klinken tegen de slavernij. Vooral christelijke groeperingen vestigden de aandacht op de slechte leefomstandigheden van de slaven. Maar er was ook protest tegen de ontberingen die de militairen leden die toezicht moesten houden op de slaven. Zowel in Afrika als in Midden-Amerika werden militairen geveld door tropische ziekten. Ook de lange zeereizen zorgden voor veel slachtoffers. Regelmatig werd er schipbreuk geleden. Op economisch gebied werd de slavenhandel minder interessant door opkomst van de Europese suikerbietencultuur. Afrika veranderde van een gebied waar 'grondstoffen' werden gehaald (slaven) in een potentiële afzetmarkt voor Europa. Daarvoor was stabiliteit en rust op het continent belangrijk. De ontwikkeling van landbouwmachines zorgde voor een extra reden om de slavernij af te schaffen. Door het gebruik van machines werden slaven overbodig. Einde van de slavenhandel Door de economische recessie van 1773 was er een neergang van de gehele koopvaardij en daaronder ook de slavenhandel. Toen de Republiek wapens en munitie via de kolonie Sint Eustatius aan de rebellen in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog leverde, wekte dit de woede van de Britten. Toen dezen vervolgens in 1780 de zojuist benoemde Amerikaanse ambassadeur Henry Laurens oppakten, op weg naar de Republiek, grepen ze een geheim verdrag tussen de stad Amsterdam en de rebellen in zijn bagage aan om de Republiek de oorlog te verklaren. Engeland vreesde bovendien dat de Republiek zich zou aansluiten bij het Verbond van Gewapende Neutraliteit, waardoor de handel met de Amerikanen nog meer beschermd zou worden. De Vierde Engels-Nederlandse Oorlog mondde uit in een nederlaag voor de Republiek en had grote gevolgen voor de Nederlandse koopvaardij en daarmee de slavenvaart. De Britten kaapten veel Nederlandse schepen, waardoor de slavenhandel enorm slonk. In 1784, na de oorlog, werd de slavenhandel weer opgepikt. Dit was echter van korte duur, doordat de Fransen in 1795 Nederland binnenvielen. De Britten kwamen weer in oorlog met de Bataafse Republiek, die nu bondgenoot van de Fransen was. In 1802 werd door de Vrede van Amiens een hervatting van de handel mogelijk, maar toen de Britten de Fransen weer de oorlog verklaarden in 1803 kwam het einde van Nederlandse slavenhandel. Zoals in de periode van 1799 tot 1802 kwamen de Nederlandse plantages onder Brits protectoraat. Deze werden ook voorzien van slaven door Britse slavenhandelaars. Ondertussen had het Verenigd Koninkrijk de slavenhandel verboden. Toen Willem I terugkeerde uit ballingschap, stemde hij de Britten gunstig door geen toestemming te geven voor een voortzetting van de Trans-Atlantische slavenhandel. Hierdoor waren ze bereid om de Nederlandse gebieden die tijdens de oorlogen onder Brits protectoraat waren gekomen, weer terug te geven. Uiteindelijk werd de Nederlandse Trans-Atlantische slavenhandel in juni 1814 afgeschaft. De legale slavenhandel binnen het Caraïbisch gebied ging echter nog gewoon door. Nederland schafte de slavernij in etappes af, eerst in de onder direct bestuurde staande delen van Nederlands-Indië met ingang van 1 januari 1860 (Wet vaststelling van het Reglement op het beleid der regering van Nederlandsch Indie), vervolgens in Suriname en de Nederlandse Antillen per 1 juli 1863 (Stb. 164, 1862). Op deze dag, ruim dertig jaar na het voorbeeld van de Britten, klonken 21 kanonschoten in Paramaribo en werden de slaven vrije mensen.Op die dag kregen zo’n 35.000 slaven in Suriname en 12.000 slaven op de Nederlandse eilanden in het Caribisch gebied hun vrijheid. De afschaffing van de slavernij werd aangeduid met de term 'emancipatie'. Er werden feesten georganiseerd waarbij koning Willem III als sleutelfiguur en weldoener van de vrijgemaakte slaven werd gepresenteerd. De Nederlandse regering betaalde een schadevergoeding van 300 gulden per slaaf aan de eigenaar ter compensatie voor het verloren eigendom. (In Indië 50 tot 350 gulden al naargelang de leeftijd van de slaaf). In totaal bedroeg de tegemoetkoming bijna 12 miljoen gulden, ongeveer 10% van de rijksuitgaven in 1863. Deze maatregel was des te wranger, omdat slavenhouders vlak voor de afschaffing extra jacht gingen maken op gevluchte slaven om zo veel mogelijk compensatiegeld opstrijken. Als alternatief voor de inzet van slaven werden door de voormalig slaveneigenaren contractarbeiders geworven in Nederlands-Indië (zie Javanen (Suriname), India (Hindoestanen) en Chinezen (zie Chinese Surinamers). In Suriname werden de voormalige slaven voor een periode van tien jaar onder staatstoezicht geplaatst en bleven ze dus veelal op dezelfde plantages werken. Uiteindelijk waren deze slaven pas echt vrij in 1873, in plaats van het zo vaak genoemde jaartal 1863. In deze periode waren vrijgelatenen tussen de 15 en 60 jaar verplicht een arbeidsovereenkomst af te sluiten. Deze maatregel was vooral bedoeld om te voorkomen dat de voormalige slaven massaal de plantages zouden verlaten, waardoor de plantage-economie zou instorten. Pas na de periode van staatstoezicht verwierven de voormalige slaven het volledig burgerrecht. In de onder indirect bestuur staande delen van Nederlands-Indië bleef de slavernij nog voortbestaan. Op het eiland Soembawa duurde dit zelfs tot 31 maart 1910. Tijdsverloop afschaffing slavernij Nederland 1814 – Trans-Atlantische slavenhandel afgeschaft. 1860 – Nederlands Oost-Indië – alleen in de rechtstreeks bestuurde gebieden (Ind. Stbl. 46). 1863 – Nederlands West-Indië – slaveneigenaars ontvangen schadeloosstelling; vrijgelatenen komen tien jaar onder staatstoezicht met verplichte arbeidsovereenkomst op de plantages (Stbl. 164 en 165). 1872 – Nederlandse Goudkust – kolonie verkocht aan Groot-Brittannië, waar de slavernij al eerder was afgeschaft. 1873 – Nederlands West-Indië – staatstoezicht en verplichte arbeidsovereenkomst afgeschaft. 1877 – Nederlands Oost-Indië – eiland Bali 1910 – 31 maart – Nederlands Oost-Indië – eiland Soembawa – waarschijnlijk laatste deel van het Nederlandse koloniale rijk waar de slavernij werd afgeschaft. Nationaal Monument Het Nationaal Monument Nederlands Slavernijverleden werd op 1 juli 2002 in het Amsterdamse Oosterpark onthuld in het bijzijn van Hare Majesteit Koningin Beatrix en vele andere genodigden uit zowel binnen- als buitenland. Het monument herdenkt met name het slavernijverleden in Suriname, de Nederlandse Antillen, Aruba en de westkust van Afrika, onder andere Ghana. Er is geen gedenkteken voor de slaven in de Oost.
19th-century engraving Uploaded by DavidYork71 at en.wikipedia. door Jean-Baptiste Debret (1834). Auteur: Mister No Foto: Isidore van Kinsbergen Bron: Leiden University Library, KITLV, image 4392 Homepage media-kitlv.nl KITLV Terug vorige pagina Geneeskunde

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Slavernij (vervolg)
Nederlands Oost-Indië Tussen 1621 en 1665 vervoerden 131 Nederlandse slavenschepen 38.441 slaven van Pulicat in India naar Batavia. Pulicat was in 1610 door de Nederlanders veroverd op de Portugezen. De Nederlanders kochten de slaven in tijden van rampspoed (droogte, mislukte oogsten, honger, natuurrampen) van hun ouders of namen hen gevangen. De prijs van een slavenkind kon zakken tot slechts 4 gulden als de oogst mislukt was. Was de oogst goed, dan kon de prijs vertienvoudigen. In dat geval vonden de Nederlandse slavenhandelaren dat niet winstgevend genoeg en ronselden Indiërs om op slavenjacht te gaan. De doodsbange jeugd vermeed markten en andere drukke plaatsen waar de kans op kidnapping groot was, en vluchtte zelfs naburige bossen in. In de droogteperiode van 1673-1677 werden er 1839 slaven verscheept van Madura naar Batavia. Jongens en meisjes werden van Thanjavur naar Ceylon, Batavia en Malacca overgebracht. Tussen 1694 en 1696 bedroeg alleen al het aantal slaven vervoerd van Thanjavur naar Ceylon 3859. Veel van de getransporteerde slaven waren katholiek, een gevolg van de evangelisatie ten tijde van de ongeveer honderd jaar Portugese periode voorafgaand aan de Nederlandse bezetting van de Coromandel(zuidoostkust van India). Suriname Vanaf de aankomst van de eerste slaven uit Afrika in Suriname lukte het sommigen van hen om het binnenland in te vluchten. Zij leerden het oerwoud en de moerassen kennen, en stichtten er ministaatjes. Van daaruit overvielen zij plantages, plunderden deze en bevrijdden slaven. De Nederlanders konden hier weinig tegen beginnen. Uiteindelijk sloot het koloniaal bestuur vanaf 1760 vredesverdragen met groepen Marrons. Bekende aanvoerders van de Marrons waren Adyáko Benti Basiton (ook bekend als Boston Bendt), Adoe, Alabi, Boni en Broos. De Sociëteit van Suriname streek een percentage op van de inkomsten verkregen uit de binnenlandse slavenmarkt. Om daar onderuit te komen was het stiekem aan land brengen van slaven niet ongewoon, deze clandestiene handel werd "lorredraaierij" genoemd. Vaak werkten er tientallen slaven op een suikerplantage. Soms werd het hun toegestaan om een moestuintje te beginnen, omdat levensmiddelen in Suriname schrikbarend duur waren. Sommige slaven verkregen de vrijheid na een aantal jaren. De gouverneur/planter Johan van Scharphuizen was mogelijk humaner dan tot nu toe bekend. Mogelijk was hij een uitzondering tussen al de planters die snel winst wilden maken, zoals Jonas Witsen. Als de planter met pensioen ging, kregen de huisslaven soms een goede opleiding of een toelage uit de erfenis. Er wordt vaak gedacht dat de plantagehouders in Suriname alleen Nederlanders waren, terwijl een groot deel van de plantagehouders van origine Engels, Frans, Duits, Zwitsers, Spaans of Portugees was. Argumenten tegen de slavernij Tegen het einde van de 18e eeuw begon er steeds meer protest te klinken tegen de slavernij. Vooral christelijke groeperingen vestigden de aandacht op de slechte leefomstandigheden van de slaven. Maar er was ook protest tegen de ontberingen die de militairen leden die toezicht moesten houden op de slaven. Zowel in Afrika als in Midden-Amerika werden militairen geveld door tropische ziekten. Ook de lange zeereizen zorgden voor veel slachtoffers. Regelmatig werd er schipbreuk geleden. Op economisch gebied werd de slavenhandel minder interessant door opkomst van de Europese suikerbietencultuur. Afrika veranderde van een gebied waar 'grondstoffen' werden gehaald (slaven) in een potentiële afzetmarkt voor Europa. Daarvoor was stabiliteit en rust op het continent belangrijk. De ontwikkeling van landbouwmachines zorgde voor een extra reden om de slavernij af te schaffen. Door het gebruik van machines werden slaven overbodig. Einde van de slavenhandel Door de economische recessie van 1773 was er een neergang van de gehele koopvaardij en daaronder ook de slavenhandel. Toen de Republiek wapens en munitie via de kolonie Sint Eustatius aan de rebellen in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog leverde, wekte dit de woede van de Britten. Toen dezen vervolgens in 1780 de zojuist benoemde Amerikaanse ambassadeur Henry Laurens oppakten, op weg naar de Republiek, grepen ze een geheim verdrag tussen de stad Amsterdam en de rebellen in zijn bagage aan om de Republiek de oorlog te verklaren. Engeland vreesde bovendien dat de Republiek zich zou aansluiten bij het Verbond van Gewapende Neutraliteit, waardoor de handel met de Amerikanen nog meer beschermd zou worden. De Vierde Engels- Nederlandse Oorlog mondde uit in een nederlaag voor de Republiek en had grote gevolgen voor de Nederlandse koopvaardij en daarmee de slavenvaart. De Britten kaapten veel Nederlandse schepen, waardoor de slavenhandel enorm slonk. In 1784, na de oorlog, werd de slavenhandel weer opgepikt. Dit was echter van korte duur, doordat de Fransen in 1795 Nederland binnenvielen. De Britten kwamen weer in oorlog met de Bataafse Republiek, die nu bondgenoot van de Fransen was. In 1802 werd door de Vrede van Amiens een hervatting van de handel mogelijk, maar toen de Britten de Fransen weer de oorlog verklaarden in 1803 kwam het einde van Nederlandse slavenhandel. Zoals in de periode van 1799 tot 1802 kwamen de Nederlandse plantages onder Brits protectoraat. Deze werden ook voorzien van slaven door Britse slavenhandelaars. Ondertussen had het Verenigd Koninkrijk de slavenhandel verboden. Toen Willem I terugkeerde uit ballingschap, stemde hij de Britten gunstig door geen toestemming te geven voor een voortzetting van de Trans-Atlantische slavenhandel. Hierdoor waren ze bereid om de Nederlandse gebieden die tijdens de oorlogen onder Brits protectoraat waren gekomen, weer terug te geven. Uiteindelijk werd de Nederlandse Trans-Atlantische slavenhandel in juni 1814 afgeschaft. De legale slavenhandel binnen het Caraïbisch gebied ging echter nog gewoon door. Nederland schafte de slavernij in etappes af, eerst in de onder direct bestuurde staande delen van Nederlands-Indië met ingang van 1 januari 1860 (Wet vaststelling van het Reglement op het beleid der regering van Nederlandsch Indie), vervolgens in Suriname en de Nederlandse Antillen per 1 juli 1863 (Stb. 164, 1862). Op deze dag, ruim dertig jaar na het voorbeeld van de Britten, klonken 21 kanonschoten in Paramaribo en werden de slaven vrije mensen.Op die dag kregen zo’n 35.000 slaven in Suriname en 12.000 slaven op de Nederlandse eilanden in het Caribisch gebied hun vrijheid. De afschaffing van de slavernij werd aangeduid met de term 'emancipatie'. Er werden feesten georganiseerd waarbij koning Willem III als sleutelfiguur en weldoener van de vrijgemaakte slaven werd gepresenteerd. De Nederlandse regering betaalde een schadevergoeding van 300 gulden per slaaf aan de eigenaar ter compensatie voor het verloren eigendom (in Indië 50 tot 350 gulden al naargelang de leeftijd van de slaaf). In totaal bedroeg de tegemoetkoming bijna 12 miljoen gulden, ongeveer 10% van de rijksuitgaven in 1863. Deze maatregel was des te wranger, omdat slavenhouders vlak voor de afschaffing extra jacht gingen maken op gevluchte slaven om zo veel mogelijk compensatiegeld opstrijken. Als alternatief voor de inzet van slaven werden door de voormalig slaveneigenaren contractarbeiders geworven in Nederlands-Indië (Javanen, Suriname), India (Hindoestanen) en Chinezen (Chinese Surinamers). In Suriname werden de voormalige slaven voor een periode van tien jaar onder staatstoezicht geplaatst en bleven ze dus veelal op dezelfde plantages werken. Uiteindelijk waren deze slaven pas echt vrij in 1873, in plaats van het zo vaak genoemde jaartal 1863. In deze periode waren vrijgelatenen tussen de 15 en 60 jaar verplicht een arbeidsovereenkomst af te sluiten. Deze maatregel was vooral bedoeld om te voorkomen dat de voormalige slaven massaal de plantages zouden verlaten, waardoor de plantage- economie zou instorten. Pas na de periode van staatstoezicht verwierven de voormalige slaven het volledig burgerrecht. In de onder indirect bestuur staande delen van Nederlands-Indië bleef de slavernij nog voortbestaan. Op het eiland Soembawa duurde dit zelfs tot 31 maart 1910. Tijdsverloop afschaffing slavernij Nederland 1814 – Trans-Atlantische slavenhandel afgeschaft. 1860 – Nederlands Oost-Indië – alleen in de rechtstreeks bestuurde gebieden (Ind. Stbl. 46). 1863 – Nederlands West-Indië – slaveneigenaars ontvangen een schadeloosstelling; vrijgelatenen komen tien jaar onder staatstoezicht met verplichte arbeidsovereenkomst op de plantages (Stbl. 164 en 165). 1872 – Nederlandse Goudkust – kolonie verkocht aan Groot-Brittannië, waar de slavernij al eerder was afgeschaft. 1873 – Nederlands West-Indië – staatstoezicht en verplichte arbeidsovereenkomst afgeschaft. 1877 – Nederlands Oost-Indië – eiland Bali 1910 – 31 maart – Nederlands Oost-Indië – eiland Soembawa – waarschijnlijk laatste deel van het Nederlandse koloniale rijk waar de slavernij werd afgeschaft. Nationaal Monument Het Nationaal Monument Nederlands Slavernijverleden werd op 1 juli 2002 in het Amsterdamse Oosterpark onthuld in het bijzijn van Hare Majesteit Koningin Beatrix en vele andere genodigden uit zowel binnen- als buitenland. Het monument herdenkt met name het slavernijverleden in Suriname, de Nederlandse Antillen, Aruba en de westkust van Afrika, onder andere Ghana. Er is geen gedenkteken voor de slaven in de Oost.
Foto: Isidore van Kinsbergen Bron: Leiden University Library, KITLV, image 4392 Homepage media-kitlv.nl KITLV 19th-century engraving Uploaded by DavidYork71 at en.wikipedia. door Jean-Baptiste Debret (1834). Auteur: Mister No