© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
 Nederlands - Indië (vervolg)
De Japanse bezetting van Nederlands-Indië in 1942 was de eerste aanval op het Nederlandse bestuur aldaar. Het betekende het begin van het einde van de Nederlandse koloniale heerschappij in Indonesië. De veranderingen die vervolgens plaatsvonden maakten de Indonesische Revolutie mogelijk, die eerder nog ondenkbaar was geweest. Omdat moederland Nederland zelf bezet was had het weinig kracht om de kolonie te verdedigen tegen het Japanse Keizerlijke Leger, zodat minder dan drie maanden na de eerste aanval op Borneo de Nederlandse strijdkrachten verslagen waren, waarmee een einde kwam aan 347 (1602-1949) jaren van Nederlandse koloniale aanwezigheid in Indië. Het grootste gedeelte van Indonesië was nog steeds door de Japanners bezet op het moment van de capitulatie van Japan in augustus 1945. Tot 1949 was Indonesië een kolonie van Nederland onder de naam van Nederlands-Indië. In 1929, tijdens de opkomst van de Indonesische nationale beweging, voorzagen de nationale leiders daarvan, Soekarno en Mohammed Hatta (later president en vicepresident), een Pacifische Oorlog, waarin de grotere militaire sterkte van Japan een voordeel kon opleveren voor het onafhankelijkheidsstreven. De Japanners verspreidden de propaganda dat zij het licht van Azië zouden zijn. Japan was aan het einde van de 19e eeuw het enige Aziatische land dat zichzelf op succesvolle wijze had omgevormd tot een moderne technologische staat; het land bleef onafhankelijk, terwijl de meeste andere Aziatische landen onder de invloed van Europese of Amerikaanse landen waren gekomen, en het had tevens Rusland in de oorlog verslagen. Na de Tweede Chinees-Japanse Oorlog verplaatste Japan de aandacht naar Zuidoost-Azië, waarbij het propaganda maakte voor het idee van een zelfvoorzienend Aziatische blok van landen, vrij van westerse inmenging, en onder Japanse leiding. Japan had tijdens de eerste helft van de 20e eeuw zijn invloed in Azië geleidelijk uitgebreid en tijdens de jaren 1920 en 1930 overal handelscontacten gelegd. Deze handelscontacten variëerden van kappers in kleine dorpjes en lokale handelaren tot grote winkelketens; firma's als Suzuki en Mitsubishi kregen daarnaast invloed op de suikerhandel. De Japanse bevolking in Nederlands-Indë bestond in 1931 uit 6.949 personen, waarna een geleidelijke daling intrad, die voornamelijk te wijten was aan de economische spanningen tussen Japan en het Nederlandse gouvernement. De Japanse agressie in Mantsjoerije en China in de late jaren 30 veroorzaakte onrust onder de Chinese bevolking in Nederlands-Indië, die vervolgens fondsen verzamelde om de anti-Japanse krachten te steunen. De Nederlandse veiligheidsdienst observeerde eveneens de Japanse inwoners van Nederlands-Indië. Een aantal van deze Japanse inwoners was door Japan naar Indië gestuurd om contacten te leggen met Indonesische nationalisten, met name met Moslimpartijen, terwijl het de Indonische nationalisten daarnaast met gelden mogelijk werd gemaakt om Japan te bezoeken. Deze aanmoediging van het Indonesisch nationalisme was een deel van het grotere Japanse plan "Azië voor de Aziaten". In november 1941 stuurde Madjlis Rakjat Indonesia, een Indonesische organisatie voor religieuze, politieke en vakbondsgroepen, een memorandum aan het Nederlandse gouvernement, waarin het de mobilisatie van het Indonesische volk vanwege de oorlogsdreiging eiste. Dit memorandum werd geweigerd omdat het Nederlandse gouvernement de Madjlis Rakjat Indonesia niet als vertegenwoordiger van het volk zag. Vier maanden later was Nederlands-Indië door de Japanners bezet. Op 8 december 1941 verklaarde Nederland de oorlog aan Japan. In januari werd het American-British-Dutch- Australian Command geformeerd om de geallieerde krachten in Zuid-Oost-Azië te coördineren; deze strijdmacht stond onder commando van generaal Archibald Wavell. In de nacht van 10 op 11 januari 1942 vielen de Japanners Menado op Celebes aan. Omstreeks dezelfde tijd bedreigden zij ook Tarakan op noordoost Borneo, een belangrijk centrum voor de productie en distributie van olie. Op 27 februari werd de geallieerde vloot verslagen tijdens de Slag in de Javazee en van 28 februari tot 1 maart 1942 landden de Japanse troepen vrijwel ongestoord op vier plaatsen langs de noordkust van Java. Op 8 maart gaven de geallieerde troepen in Nederlands-Indië zich over, werden de krijgsgevangenen naar Jappenkampen gezonden en Indonesische vrijheidsstrijders vrijgelaten. Europese burgers werden opgesloten en Indonesische en Japanse burgers werden op strategische posten geplaatst. Het nieuws van de bevrijding van het Nederlandse gouvernement werd in eerste instantie door de Indonesiërs met groot enthousiasme ontvangen. Zij begroetten het Japanse leger met vlaggen en leuzen als Japan is onze oudere broer en Banzai Dai Nippon! Toen de Japanners verder avanceerden vermoordden Indonesische rebellen in vrijwel elk deel van de archipel kleine groepen Europeanen (vooral Nederlanders) en verraadden grotere groepen aan de Japanners. Te Atjeh ontstond zelfs al voor de komst van de Japanners een opstand tegen het Nederlandse gouvernement. Een bekende Indonesische schrijver, Pramoedya Ananta Toer, noteerde: bij de aankomst van de Japanners was iedereen vol hoop, behalve zij die in dienst van de Nederlanders hadden gewerkt. De Japanse bezetter werd in eerste instantie door de Indonesiërs als bevrijder begroet maar deze mening werd al snel herzien. Het politieke beleid wisselde naarmate de oorlog vorderde maar globaal zag de Japanse bezettingsmacht de Indonesiër als een dienaar van de Japanse oorlogsbehoefte. Tijdens de Japanse bezetting nam de populariteit van de Indonesische Vrijheidsbeweging toe. In juli 1942 accepteerden leidende nationalisten als Soekarno het Japanse aanbod om Indonesiërs in te schakelen ten behoeve van de Japanse oorlogsindustrie. Zowel Soekarno als Hatta kregen in 1943 een hoge onderscheiding van de Keizer van Japan. De Japanse bezetter verdeelde Indonesië in drie regio's: Sumatra werd geplaatst onder het commando van het 25ste leger, Java en Madoera werden geplaatst onder het 16de en Borneo en Oost-Indonesië werden bestuurd door de 2de zuidelijke marinevloot. Het 16de en 25ste leger kregen hun hoofdkwartier te Singapore en bestuurden daarnaast Brits Maleisië tot april 1943, toen het bestuur werd beperkt tot Sumatra en het hoofdkwartier werd verplaatst naar Bukittinggi. Het 16de leger had zijn hoofdkwartier te Jakarta, terwijl de 2de zuidelijke vloot zijn basis te Makassar had. De ervaring van de inwoners van Nederlands-Indië met de Japanse bezetter was afhankelijk van waar men woonde en welke sociale positie men had. Diegenen die in gebieden woonden die belangrijk waren voor de Japanse oorlogsindustrie werden gemarteld, als seksslaaf gebruikt, konden zonder reden gearresteerd en geëxecuteerd worden of van oorlogsmisdaden worden beschuldigd. Vele duizenden mensen werden als werkkrachten (romoesja) weggevoerd van Indonesië om ten dienste van militaire objecten, zoals de Birmaspoorweg te worden ingezet. Velen stierven als een gevolg van de slechte behandeling en uithongering. In totaal werden tussen de 4 en 10 miljoen romoesja's van Java gedwongen ten behoeve van de Japanse oorlogsindustrie te werken. Omstreeks 270.000 van deze Javanen werden naar andere gebieden in Zuid-Oost-Azië gestuurd, waarvan slechts 52.000 terugkeerden; dit betekende dat er een sterfte van 80% had plaatsgevonden. Nederlandse burgers, andere Europeanen en Indo's waren een belangrijk doelwit van de Japanners; zij werden geïnterneerd in kampen. Vrijwel alle Europese en Indo-Europese mannen waren actief geweest binnen het Indische leger of voor het gouvernement en werden geïnterneerd als krijgsgevangenen. De krijgsgevangenkampen kenden een sterftecijfer dat boven de 25% lag. Politionele acties De Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (Indonesisch: Revolusi Nasional Indonesia = 'Indonesische Nationale Revolutie') begon kort na de capitulatie van Japan, gevolgd door het uitroepen van de Republiek Indonesië (beide in augustus 1945), en eindigde met de overdracht van de soevereiniteit over de voormalige kolonie Nederlands-Indië (uitgezonderd Westelijk Nieuw-Guinea) door Nederland aan Indonesië (december 1949). In de traditionele Nederlandse geschiedschrijving wordt naar deze episode doorgaans verwezen met de term politionele acties (ook wel 'politiële acties', Indonesisch: Aksi Polisionil) Met de term 'politionele acties' wordt gedoeld op een tweetal offensieve operaties van de Nederlandse strijdkrachten tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Deze operaties vonden plaats op de eilanden Java en Sumatra in de periode 21 juli tot 5 augustus 1947 (eerste actie) en 19 december 1948 tot 5 januari 1949 (tweede actie). De politionele acties worden meer recent ook wel aangeduid als de 'Nederlands-Indonesische Oorlogen'. In Indonesië staan de twee politionele acties bekend als Agresi Militer Belanda ('Nederlandse Militaire Agressies'). Kort na de Japanse capitulatie in augustus 1945 braken vijandelijkheden uit tussen Indonesische nationalisten en de troepen uit het Britse Gemenebest die strategische posities in de archipel hadden ingenomen. In oktober 1945 ontbrandde de strijd om Soerabaja, een stad die de nationalisten na bloedige gevechten moesten prijsgeven. Let wel: hierbij waren dus nog geen Nederlandse troepen betrokken. Pas in maart 1946 werden Nederlandse troepen in Indonesië toegelaten om de Britse posities over te nemen. Afgezien van de politionele acties (kortdurende Nederlandse offensieven) had de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog meestentijds het karakter van een guerrilla van de Indonesische nationalisten tegen de Nederlandse troepen. De vijandelijkheden duurden tot het staakt-het-vuren in augustus 1949. Op sommige plaatsen duurden de vijandelijkheden echter voort, waardoor ook Nederlandse militairen sneuvelden na augustus 1949. Na 1949 flakkerde de strijd (afgezien van de coup van ex-kapitein Westerling in 1950) nog eenmaal op. Dat was tijdens de vijandelijkheden die voorafgingen aan de overdracht van Nederlands-Nieuw- Guinea in 1962. De Nederlandse regering erkende de Republiek Indonesië niet als onafhankelijke staat, maar beschouwde haar als een opstandige beweging binnen de kolonie Nederlands-Indië. Hierbij dient te worden aangetekend dat, in het hierna te bespreken akkoord van Linggadjati, de Republiek de soevereiniteit van Nederland gedurende een overgangsperiode had erkend. Nederland had in datzelfde akkoord de Republiek wel de facto erkend. Tevens dreigde er hongersnood in de door Nederland bezette gebieden, als gevolg van een blokkade van de opstandelingen. Nederland achtte zich verantwoordelijk voor het welzijn van de bevolking, dus ook van Indonesiërs, Chinezen en Arabieren in deze gebieden. Daarom bezigde men de term 'politionele actie'. 'Politioneel' was sinds de negentiende eeuw een gebruikelijke term voor militair optreden dat tot doel had de regelmatig voorkomende opstanden in de kolonie neer te slaan. Het gebruik van de kwalificatie 'politioneel' kan ook worden gezien als een manier om te verbloemen ('framing') dat het hier om een vrijheidsoorlog ging en zo kritiek op het militaire optreden te pareren. Tijdens beide politionele acties telde de Nederlandse troepenmacht in Indonesië, met inbegrip van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), meer dan 100.000 man. Het grootste deel hiervan werd bij de acties ingezet. Deze omvang maakte duidelijk dat van een beperkte ‘politieactie’, zoals de Nederlandse regering het probeerde voor te stellen, geen sprake was. In meer recente literatuur wordt om deze reden ook wel gesproken van de Nederlands-Indonesische Oorlogen, zoals door Van den Doel in zijn boek Afscheid van Indië: de val van het Nederlandse imperium in Azië (2000). Men kan zich afvragen of een actie van een aantal weken en dan nog wel twee, een "oorlog" te noemen is. Achter beide benamingen gaat dan ook een politieke opvatting schuil. Misschien is "militaire actie" een aanvaardbaar compromis. Tijdens de bijna vier jaar durende militaire aanwezigheid van Nederland in Indonesië lieten circa 5.000 Nederlandse militairen het leven, waarvan ongeveer de helft door gevechtshandelingen en de overigen ten gevolge van ziekten en ongevallen. Onder de Nederlandse en Indisch-Nederlandse burgerbevolking vielen duizenden doden door gewelddaden van Indonesche nationalisten. Aan Indonesische zijde vielen naar schatting 150.000 doden. Dat waren zowel slachtoffers van Nederlands militair optreden als van geweld uitgeoefend door de Indonesische nationalisten tegen politieke tegenstanders en vermeende pro-Nederlandse elementen onder de eigen bevolking.
Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures (CC BY-SA 3.0). Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures (CC BY-SA 3.0). Piano Piano! / hans thijs (http://www.flickr.com/people/hansthijs/ (CC BY-SA 2.0) Terug vorige pagina Geneeskunde

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

 Nederlands - Indië (vervolg)
De Japanse bezetting van Nederlands-Indië in 1942 was de eerste aanval op het Nederlandse bestuur aldaar. Het betekende het begin van het einde van de Nederlandse koloniale heerschappij in Indonesië. De veranderingen die vervolgens plaatsvonden maakten de Indonesische Revolutie mogelijk, die eerder nog ondenkbaar was geweest. Omdat moederland Nederland zelf bezet was had het weinig kracht om de kolonie te verdedigen tegen het Japanse Keizerlijke Leger, zodat minder dan drie maanden na de eerste aanval op Borneo de Nederlandse strijdkrachten verslagen waren, waarmee een einde kwam aan 347 (1602-1949) jaren van Nederlandse koloniale aanwezigheid in Indië. Het grootste gedeelte van Indonesië was nog steeds door de Japanners bezet op het moment van de capitulatie van Japan in augustus 1945. Tot 1949 was Indonesië een kolonie van Nederland onder de naam van Nederlands- Indië. In 1929, tijdens de opkomst van de Indonesische nationale beweging, voorzagen de nationale leiders daarvan, Soekarno en Mohammed Hatta (later president en vicepresident), een Pacifische Oorlog, waarin de grotere militaire sterkte van Japan een voordeel kon opleveren voor het onafhankelijkheidsstreven. De Japanners verspreidden de propaganda dat zij het licht van Azië zouden zijn. Japan was aan het einde van de 19e eeuw het enige Aziatische land dat zichzelf op succesvolle wijze had omgevormd tot een moderne technologische staat; het land bleef onafhankelijk, terwijl de meeste andere Aziatische landen onder de invloed van Europese of Amerikaanse landen waren gekomen, en het had tevens Rusland in de oorlog verslagen. Na de Tweede Chinees- Japanse Oorlog verplaatste Japan de aandacht naar Zuidoost-Azië, waarbij het propaganda maakte voor het idee van een zelfvoorzienend Aziatische blok van landen, vrij van westerse inmenging, en onder Japanse leiding. Japan had tijdens de eerste helft van de 20e eeuw zijn invloed in Azië geleidelijk uitgebreid en tijdens de jaren 1920 en 1930 overal handelscontacten gelegd. Deze handelscontacten variëerden van kappers in kleine dorpjes en lokale handelaren tot grote winkelketens; firma's als Suzuki en Mitsubishi kregen daarnaast invloed op de suikerhandel. De Japanse bevolking in Nederlands-Indë bestond in 1931 uit 6.949 personen, waarna een geleidelijke daling intrad, die voornamelijk te wijten was aan de economische spanningen tussen Japan en het Nederlandse gouvernement. De Japanse agressie in Mantsjoerije en China in de late jaren 30 veroorzaakte onrust onder de Chinese bevolking in Nederlands-Indië, die vervolgens fondsen verzamelde om de anti-Japanse krachten te steunen. De Nederlandse veiligheidsdienst observeerde eveneens de Japanse inwoners van Nederlands-Indië. Een aantal van deze Japanse inwoners was door Japan naar Indië gestuurd om contacten te leggen met Indonesische nationalisten, met name met Moslimpartijen, terwijl het de Indonische nationalisten daarnaast met gelden mogelijk werd gemaakt om Japan te bezoeken. Deze aanmoediging van het Indonesisch nationalisme was een deel van het grotere Japanse plan "Azië voor de Aziaten". In november 1941 stuurde Madjlis Rakjat Indonesia, een Indonesische organisatie voor religieuze, politieke en vakbondsgroepen, een memorandum aan het Nederlandse gouvernement, waarin het de mobilisatie van het Indonesische volk vanwege de oorlogsdreiging eiste. Dit memorandum werd geweigerd omdat het Nederlandse gouvernement de Madjlis Rakjat Indonesia niet als vertegenwoordiger van het volk zag. Vier maanden later was Nederlands-Indië door de Japanners bezet. Op 8 december 1941 verklaarde Nederland de oorlog aan Japan. In januari werd het American-British-Dutch- Australian Command geformeerd om de geallieerde krachten in Zuid-Oost-Azië te coördineren; deze strijdmacht stond onder commando van generaal Archibald Wavell. In de nacht van 10 op 11 januari 1942 vielen de Japanners Menado op Celebes aan. Omstreeks dezelfde tijd bedreigden zij ook Tarakan op noordoost Borneo, een belangrijk centrum voor de productie en distributie van olie. Op 27 februari werd de geallieerde vloot verslagen tijdens de Slag in de Javazee en van 28 februari tot 1 maart 1942 landden de Japanse troepen vrijwel ongestoord op vier plaatsen langs de noordkust van Java. Op 8 maart gaven de geallieerde troepen in Nederlands-Indië zich over, werden de krijgsgevangenen naar Jappenkampen gezonden en Indonesische vrijheidsstrijders vrijgelaten. Europese burgers werden opgesloten en Indonesische en Japanse burgers werden op strategische posten geplaatst. Het nieuws van de bevrijding van het Nederlandse gouvernement werd in eerste instantie door de Indonesiërs met groot enthousiasme ontvangen. Zij begroetten het Japanse leger met vlaggen en leuzen als Japan is onze oudere broer en Banzai Dai Nippon! Toen de Japanners verder avanceerden vermoordden Indonesische rebellen in vrijwel elk deel van de archipel kleine groepen Europeanen (vooral Nederlanders) en verraadden grotere groepen aan de Japanners. Te Atjeh ontstond zelfs al voor de komst van de Japanners een opstand tegen het Nederlandse gouvernement. Een bekende Indonesische schrijver, Pramoedya Ananta Toer, noteerde: bij de aankomst van de Japanners was iedereen vol hoop, behalve zij die in dienst van de Nederlanders hadden gewerkt. De Japanse bezetter werd in eerste instantie door de Indonesiërs als bevrijder begroet maar deze mening werd al snel herzien. Het politieke beleid wisselde naarmate de oorlog vorderde maar globaal zag de Japanse bezettingsmacht de Indonesiër als een dienaar van de Japanse oorlogsbehoefte. Tijdens de Japanse bezetting nam de populariteit van de Indonesische Vrijheidsbeweging toe. In juli 1942 accepteerden leidende nationalisten als Soekarno het Japanse aanbod om Indonesiërs in te schakelen ten behoeve van de Japanse oorlogsindustrie. Zowel Soekarno als Hatta kregen in 1943 een hoge onderscheiding van de Keizer van Japan. De Japanse bezetter verdeelde Indonesië in drie regio's: Sumatra werd geplaatst onder het commando van het 25ste leger, Java en Madoera werden geplaatst onder het 16de en Borneo en Oost-Indonesië werden bestuurd door de 2de zuidelijke marinevloot. Het 16de en 25ste leger kregen hun hoofdkwartier te Singapore en bestuurden daarnaast Brits Maleisië tot april 1943, toen het bestuur werd beperkt tot Sumatra en het hoofdkwartier werd verplaatst naar Bukittinggi. Het 16de leger had zijn hoofdkwartier te Jakarta, terwijl de 2de zuidelijke vloot zijn basis te Makassar had. De ervaring van de inwoners van Nederlands- Indië met de Japanse bezetter was afhankelijk van waar men woonde en welke sociale positie men had. Diegenen die in gebieden woonden die belangrijk waren voor de Japanse oorlogsindustrie werden gemarteld, als seksslaaf gebruikt, konden zonder reden gearresteerd en geëxecuteerd worden of van oorlogsmisdaden worden beschuldigd. Vele duizenden mensen werden als werkkrachten (romoesja) weggevoerd van Indonesië om ten dienste van militaire objecten, zoals de Birmaspoorweg te worden ingezet. Velen stierven als een gevolg van de slechte behandeling en uithongering. In totaal werden tussen de 4 en 10 miljoen romoesja's van Java gedwongen ten behoeve van de Japanse oorlogsindustrie te werken. Omstreeks 270.000 van deze Javanen werden naar andere gebieden in Zuid-Oost-Azië gestuurd, waarvan slechts 52.000 terugkeerden; dit betekende dat er een sterfte van 80% had plaatsgevonden. Nederlandse burgers, andere Europeanen en Indo's waren een belangrijk doelwit van de Japanners; zij werden geïnterneerd in kampen. Vrijwel alle Europese en Indo-Europese mannen waren actief geweest binnen het Indische leger of voor het gouvernement en werden geïnterneerd als krijgsgevangenen. De krijgsgevangenkampen kenden een sterftecijfer dat boven de 25% lag. Politionele acties De Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (Indonesisch: Revolusi Nasional Indonesia = 'Indonesische Nationale Revolutie') begon kort na de capitulatie van Japan, gevolgd door het uitroepen van de Republiek Indonesië (beide in augustus 1945), en eindigde met de overdracht van de soevereiniteit over de voormalige kolonie Nederlands-Indië (uitgezonderd Westelijk Nieuw-Guinea) door Nederland aan Indonesië (december 1949). In de traditionele Nederlandse geschiedschrijving wordt naar deze episode doorgaans verwezen met de term politionele acties (ook wel 'politiële acties', Indonesisch: Aksi Polisionil) Met de term 'politionele acties' wordt gedoeld op een tweetal offensieve operaties van de Nederlandse strijdkrachten tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Deze operaties vonden plaats op de eilanden Java en Sumatra in de periode 21 juli tot 5 augustus 1947 (eerste actie) en 19 december 1948 tot 5 januari 1949 (tweede actie). De politionele acties worden meer recent ook wel aangeduid als de 'Nederlands-Indonesische Oorlogen'. In Indonesië staan de twee politionele acties bekend als Agresi Militer Belanda ('Nederlandse Militaire Agressies'). Kort na de Japanse capitulatie in augustus 1945 braken vijandelijkheden uit tussen Indonesische nationalisten en de troepen uit het Britse Gemenebest die strategische posities in de archipel hadden ingenomen. In oktober 1945 ontbrandde de strijd om Soerabaja, een stad die de nationalisten na bloedige gevechten moesten prijsgeven. Let wel: hierbij waren dus nog geen Nederlandse troepen betrokken. Pas in maart 1946 werden Nederlandse troepen in Indonesië toegelaten om de Britse posities over te nemen. Afgezien van de politionele acties (kortdurende Nederlandse offensieven) had de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog meestentijds het karakter van een guerrilla van de Indonesische nationalisten tegen de Nederlandse troepen. De vijandelijkheden duurden tot het staakt-het- vuren in augustus 1949. Op sommige plaatsen duurden de vijandelijkheden echter voort, waardoor ook Nederlandse militairen sneuvelden na augustus 1949. Na 1949 flakkerde de strijd (afgezien van de coup van ex-kapitein Westerling in 1950) nog eenmaal op. Dat was tijdens de vijandelijkheden die voorafgingen aan de overdracht van Nederlands-Nieuw-Guinea in 1962. De Nederlandse regering erkende de Republiek Indonesië niet als onafhankelijke staat, maar beschouwde haar als een opstandige beweging binnen de kolonie Nederlands-Indië. Hierbij dient te worden aangetekend dat, in het hierna te bespreken akkoord van Linggadjati, de Republiek de soevereiniteit van Nederland gedurende een overgangsperiode had erkend. Nederland had in datzelfde akkoord de Republiek wel de facto erkend. Tevens dreigde er hongersnood in de door Nederland bezette gebieden, als gevolg van een blokkade van de opstandelingen. Nederland achtte zich verantwoordelijk voor het welzijn van de bevolking, dus ook van Indonesiërs, Chinezen en Arabieren in deze gebieden. Daarom bezigde men de term 'politionele actie'. 'Politioneel' was sinds de negentiende eeuw een gebruikelijke term voor militair optreden dat tot doel had de regelmatig voorkomende opstanden in de kolonie neer te slaan. Het gebruik van de kwalificatie 'politioneel' kan ook worden gezien als een manier om te verbloemen ('framing') dat het hier om een vrijheidsoorlog ging en zo kritiek op het militaire optreden te pareren. Tijdens beide politionele acties telde de Nederlandse troepenmacht in Indonesië, met inbegrip van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), meer dan 100.000 man. Het grootste deel hiervan werd bij de acties ingezet. Deze omvang maakte duidelijk dat van een beperkte ‘politieactie’, zoals de Nederlandse regering het probeerde voor te stellen, geen sprake was. In meer recente literatuur wordt om deze reden ook wel gesproken van de Nederlands-Indonesische Oorlogen, zoals door Van den Doel in zijn boek Afscheid van Indië: de val van het Nederlandse imperium in Azië (2000). Men kan zich afvragen of een actie van een aantal weken en dan nog wel twee, een "oorlog" te noemen is. Achter beide benamingen gaat dan ook een politieke opvatting schuil. Misschien is "militaire actie" een aanvaardbaar compromis. Tijdens de bijna vier jaar durende militaire aanwezigheid van Nederland in Indonesië lieten circa 5.000 Nederlandse militairen het leven, waarvan ongeveer de helft door gevechtshandelingen en de overigen ten gevolge van ziekten en ongevallen. Onder de Nederlandse en Indisch-Nederlandse burgerbevolking vielen duizenden doden door gewelddaden van Indonesche nationalisten. Aan Indonesische zijde vielen naar schatting 150.000 doden. Dat waren zowel slachtoffers van Nederlands militair optreden als van geweld uitgeoefend door de Indonesische nationalisten tegen politieke tegenstanders en vermeende pro-Nederlandse elementen onder de eigen bevolking.
Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures (CC BY-SA 3.0). Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures (CC BY-SA 3.0). Piano Piano! / hans thijs (http://www.flickr.com/people/hansthijs/ (CC BY-SA 2.0)