© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Muzieknotatie (muziekschrift) - vervolg
Een muzieknoot is een teken om de tonen in de muziek naar hun tijdsvolgorde en -duur te noteren. De vorm bepaalt de relatieve duur van de toon. De hoogte daarvan wordt bepaald door de plaats van de nootkop op de notenbalk, de sleutel, voortekening en alteraties, in combinatie met de stemming. Opbouw: de diverse onderdelen waaruit een noot kan bestaan zijn: 1. Bal (ook bolletje of kop genoemd), 2. Stok (ook staart genoemd): een verticaal streepje dat aan de bal verbonden wordt), 3. Vlag, deze wordt aan de stok verbonden. Soorten: 1. de brevis en hele noot hebben geen stok en geen vlag, 2. de brevis, de hele noot en de halve noot hebben een omrande witte (open) bal, 3. de kwartnoot heeft een gesloten bal en een stok zonder vlag. Deze noot wordt beschouwd als de standaardvorm, 4. de achtste noot heeft een vlag, de zestiende heeft twee vlaggen, de tweeëndertigste drie vlaggen. Als meer noten van een achtste of korter achtereen worden geschreven, worden de vlaggen soms vervangen door een waardestreep. Hierbij geldt in het algemeen dat de eerste noot in een door een waardestrepen verbonden groep het accent krijgt (beklemtoond is). In zangmuziek geldt een aparte regel: men onderscheidt syllabische waarbij iedere lettergreep één toon heeft, en melismatische waarbij een lettergreep uit meerdere tonen kan bestaan. In melismatische zang wordt meestal met waardestrepen per lettergreep genoteerd, in syllabische krijgt elke lettergreep een vlag. Uitzonderingen: voor educatieve doeleinden of in sommige moderne notatiewijzen komen uitzonderingen voor. Stokken omhoog worden aan de rechterzijde van de bal geplaatst, en stokken omlaag aan de linkerzijde. Vlaggen worden altijd aan de rechterzijde van de stok geplaatst. Er zijn vuistregels die de richting van de stok bepalen (de optimale leesbaarheid staat voorop): noten die onder de middelste lijn van de notenbalk genoteerd staan hebben de stok omhoog. Noten erboven hebben de stok omlaag. Bij noten op de middelste lijn kan de stok zowel omlaag als omhoog wijzen. Uitzonderingen: 1. in meerstemmige muziek worden doorgaans de bovenstemstokken omhoog genoteerd en de onderstemstokken omlaag, 2. soms wordt, vanwege de leesbaarheid van door waardestrepen verbonden snelle noten, de stokrichting zo gekozen dat de waardestreep een stijgende of dalende tendens laat zien. Tijdsduur: noten worden zodanig met symbolen aangeduid, dat men uit de vorm de relatieve tijdsduur kan aflezen, zoals de hele noot (een open bolletje als nootkop, zonder stok), de halve noot (een open bolletje, met een stok), de kwartnoot (een dicht zwart bolletje, met een stok), de achtste noot (zelfde als kwart, maar met een vlag of waardestreep naar een andere noot), de zestiende noot (zelfde als achtste maar met 2 vlaggetjes of waardestrepen) en zo verder (tweeëndertigsten, vierenzestigsten, enz.). Bij elke nootlengte zijn ook in lengte corresponderende rustsymbolen in gebruik. Gepunteerde noot: een noot, waarvan de duur met de helft verlengd is door het achterplaatsen van een punt, wordt een gepunteerde noot genoemd. Puntering kan ook bij rusten plaatsvinden. De noten op een balk worden meestal ingedeeld in maten, die gescheiden worden door maatstrepen. Oorspronkelijk hadden deze maten een metrische betekenis, dat wil zeggen dat er sprake was van een steeds herhalend patroon van klemtonen, bijvoorbeeld zwaar-licht-licht voor een driekwartsmaat. Na de barok werd de maatstreep vooral een middel om de communicatie tussen de dirigent en de musici te vergemakkelijken. De maten worden in het algemeen genummerd, zodat de dirigent kan zeggen: we beginnen op de tweede tel van de zesde maat. Meestal wordt de kwartnoot als teleenheid gebruikt, maar in oudere muziek kan dat ook de halve en in nieuwere muziek de achtste noot zijn. Nootwaarde: De nootwaarde of nootduur is in de muziek de relatieve tijdsduur van de noot. De werkelijke tijdsduur wordt bepaald door de tempoaanduiding. Als basis geldt dat de duur van verschillende noten in vaste verhouding tot elkaar staan. Zo duurt een kwartnoot twee maal zo lang als een achtste noot en half zo lang als een hele noot, enz. De langste notenduur die in onze tijd in het algemeen gebruikt is de hele noot. Vaak wordt daar een waarde van vier tellen aan toegekend als de teleenheid de kwartnoot is. In vroeger eeuwen hebben nog langere notenwaarden dan de hele noot bestaan. Een oude naam voor de hele noot is de semibrevis. Dat betekent half kort en die naam geeft al aan dat dat naar verhouding geen lange noot was. Inderdaad kende men ook de brevis (een rechthoekige noot) en twee nog langere eenheden: de longa en de maxima. Een muzieksleutel of kortweg sleutel is een symbool dat wordt gebruikt bij het noteren van muziek. Een sleutel op een notenbalk omvat een lijn daarvan en legt daarmee de toonhoogte vast van een noot op die lijn. De sleutel bepaalt op deze manier de toonhoogte van alle noten die erna komen, tot aan een eventuele nieuwe sleutel. De sleutel legt niet de toonsoort vast; daartoe worden vlak na sleutel voortekens in de vorm van een of meer mollen of kruisen geplaatst. Spreekt men in de muziek van sleutel, dan wordt enerzijds het symbool bedoeld, waarvan er drie zijn, en anderzijds het vastleggen van een bepaalde toon door de plaatsing van het symbool op de balk. Tegenwoordig zijn nog slechts drie verschillende symbolen in gebruik (vroeger waren er meer). Deze sleutels zijn gestileerde vormen van de letters G, F en C. Door plaatsing van zo'n sleutel op de notenbalk wordt dus een lijn van de balk aangewezen waarop de door de sleutel bepaalde toon ligt. Niet elke plaatsing is even gebruikelijk, er zijn momenteel nog zeven plaatsingen in gebruik. De meest gebruikte sleutel is de g-sleutel of solsleutel. De g-sleutel stelt een gestileerde letter G voor die de ligging van de eengestreepte g (g') of sol aangeeft op de lijn die door de binnenste krul van de sleutel omvat wordt. Met deze krul begint men te tekenen wanneer men de sleutel(met de hand) tekent. Tegenwoordig staat de g-sleutel meestal op de tweede lijn. Dit is de meestvoorkomende sleutel. Viool, fluit, piano (rechterhand). Voor lagere stemmen gebruikt men tegenwoordig meestal de f-sleutel, fa-sleutel, bekend van de onderste balk van pianopartijen. De f-sleutel is een gestileerde letter F. Op de lijn tussen de twee puntjes, ligt de kleine f (f) of fa. De f-sleutel wordt voornamelijk gebruikt op de vierde lijn van onderen. Piano (linkerhand), bas, orgel (pedaal). De c-sleutel of do-sleutel is minder bekend. De c-sleutel is een gestileerde letter C. Op de lijn die door het midden van deze sleutel loopt wordt de eengestreepte c (c') genoteerd. Sopraansleutel: de c-sleutel geplaatst op de eerste lijn. Mezzo-sopraansleutel: de c- sleutel geplaatst op de tweede lijn. Altsleutel: de c-sleutel geplaatst op de derde lijn (Altviool, alt). Tenorsleutel: de c-sleutel geplaatst op de vierde lijn. Baritonsleutel: de c-sleutel geplaatst op de vijfde lijn. Er bestaan ook nog sleutels voor drumpartijen (1 of 2 verticale strepen). En octaverende sleutels, men plaatst dan ofwel een 8 onder de sleutel om alles een octaaf lager te spelen dan genoteerd. Of een 8 boven de sleutel om alles een octaaf hoger te laten spelen dan genoteerd staat. Klavarskribo: de klavarnotatie kent slechts één sleutel, namelijk een c-sleutel. Deze dient niet om aan te geven waar de c zich bevindt, want dat is al duidelijk (links van het tweetal lijnen), maar om aan te geven welke c de eengestreepte c is. Dit wordt, behalve met de sleutel, ook aangegeven door de lijnen voor des' en es' te stippelen. Toonhoogte is de ervaren hoogte van een toon. Vaak is er een directe relatie met het waargenomen spectrum van het geluid. In dat geval wordt de toonhoogte weergegeven door het aantal trillingen per seconde, de frequentie uitgedrukt in Hertz van de grondtoon van de waargenomen toon. Hoewel het woord hoogte suggereert dat het om een visueel concept gaat, is de term in historische zin afgeleid van het Oudgriekse woord voor de hoogte van de spanning van een snaar. In muzieknotatie wordt de hoogte van een toon aangegeven door de plaats van de betrokken noot op de notenbalk; hoe hoger de toon hoe hoger de noot op de balk genoteerd wordt (slechts afhankelijk van de muzieksleutel). De toonhoogte van de a', de kamertoon (a-eengestreept), is (tegenwoordig) gestandaardiseerd op 440 Hertz, al zal deze in de muziekpraktijk daar vaak van afwijken. De frequenties van de tonen hangen af van de gebruikte stemming, zoals aangegeven in de tabel (illustratie. Een piano is gebruikelijk gestemd in de gelijkzwevende temperatuur, een viool in de reine stemming (natuurlijk). In de genoemde tabel staan de toonhoogtes van de tonen van de piano in de gelijkzwevende temperatuur, uitgaande van de kamertoon a' van 440 Hz. Zoals hierboven uitgelegd is, worden noten ook wel als tonen aangeduid. Als gevolg daarvan worden de toonnamen ook aan de noten toegekend. Bij deze naamgeving zijn ruwweg twee systemen te onderscheiden, namelijk met letters (A, B, C) of met Guidonische lettergrepen (do, re, mi). Er is nog enige verwarring tussen Nederlands en Engels enerzijds en Duits en Scandinavische talen anderzijds, want onze B heet daar H en onze Bes heet daar B. In het Nederlands kan men een toon met een halve toonafstand verhogen door achter de letter -is te zetten. A wordt dan Aïs, B wordt Bis etc. Dubbel verhogen kan ook door achter een letter -isis (giesies) te zetten (G wordt Gisis, D wordt Disis). Een halve toon verlagen kan men doen door -es achter de letter te zetten. B wordt Bes, D wordt Des, maar A wordt As en E wordt es. Dubbel verlagen kan ook, door achter de letter -eses (esses) te zetten (beses, deses).
Bron: http://www.chopinfiles.com Bron: Lienau-Ausgabe Bron: Dizi, François-Joseph, 1780-1840; Hasselmans, Alphonse, 1845-1912 Vier aan elkaar geschreven (met een waardestreep verbonden) achtste noten.

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Muzieknotatie (muziekschrift) - vervolg
Een muzieknoot is een teken om de tonen in de muziek naar hun tijdsvolgorde en -duur te noteren. De vorm bepaalt de relatieve duur van de toon. De hoogte daarvan wordt bepaald door de plaats van de nootkop op de notenbalk, de sleutel, voortekening en alteraties, in combinatie met de stemming. Opbouw: de diverse onderdelen waaruit een noot kan bestaan zijn: 1. Bal (ook bolletje of kop genoemd), 2. Stok (ook staart genoemd): een verticaal streepje dat aan de bal verbonden wordt), 3. Vlag, deze wordt aan de stok verbonden. Soorten: 1. de brevis en hele noot hebben geen stok en geen vlag, 2. de brevis, de hele noot en de halve noot hebben een omrande witte (open) bal, 3. de kwartnoot heeft een gesloten bal en een stok zonder vlag. Deze noot wordt beschouwd als de standaardvorm, 4. de achtste noot heeft een vlag, de zestiende heeft twee vlaggen, de tweeëndertigste drie vlaggen. Als meer noten van een achtste of korter achtereen worden geschreven, worden de vlaggen soms vervangen door een waardestreep. Hierbij geldt in het algemeen dat de eerste noot in een door een waardestrepen verbonden groep het accent krijgt (beklemtoond is). In zangmuziek geldt een aparte regel: men onderscheidt syllabische waarbij iedere lettergreep één toon heeft, en melismatische waarbij een lettergreep uit meerdere tonen kan bestaan. In melismatische zang wordt meestal met waardestrepen per lettergreep genoteerd, in syllabische krijgt elke lettergreep een vlag. Uitzonderingen: voor educatieve doeleinden of in sommige moderne notatiewijzen komen uitzonderingen voor. Stokken omhoog worden aan de rechterzijde van de bal geplaatst, en stokken omlaag aan de linkerzijde. Vlaggen worden altijd aan de rechterzijde van de stok geplaatst. Er zijn vuistregels die de richting van de stok bepalen (de optimale leesbaarheid staat voorop): noten die onder de middelste lijn van de notenbalk genoteerd staan hebben de stok omhoog. Noten erboven hebben de stok omlaag. Bij noten op de middelste lijn kan de stok zowel omlaag als omhoog wijzen. Uitzonderingen: 1. in meerstemmige muziek worden doorgaans de bovenstemstokken omhoog genoteerd en de onderstemstokken omlaag, 2. soms wordt, vanwege de leesbaarheid van door waardestrepen verbonden snelle noten, de stokrichting zo gekozen dat de waardestreep een stijgende of dalende tendens laat zien. Tijdsduur: noten worden zodanig met symbolen aangeduid, dat men uit de vorm de relatieve tijdsduur kan aflezen, zoals de hele noot (een open bolletje als nootkop, zonder stok), de halve noot (een open bolletje, met een stok), de kwartnoot (een dicht zwart bolletje, met een stok), de achtste noot (zelfde als kwart, maar met een vlag of waardestreep naar een andere noot), de zestiende noot (zelfde als achtste maar met 2 vlaggetjes of waardestrepen) en zo verder (tweeëndertigsten, vierenzestigsten, enz.). Bij elke nootlengte zijn ook in lengte corresponderende rustsymbolen in gebruik. Gepunteerde noot: een noot, waarvan de duur met de helft verlengd is door het achterplaatsen van een punt, wordt een gepunteerde noot genoemd. Puntering kan ook bij rusten plaatsvinden. De noten op een balk worden meestal ingedeeld in maten, die gescheiden worden door maatstrepen. Oorspronkelijk hadden deze maten een metrische betekenis, dat wil zeggen dat er sprake was van een steeds herhalend patroon van klemtonen, bijvoorbeeld zwaar- licht-licht voor een driekwartsmaat. Na de barok werd de maatstreep vooral een middel om de communicatie tussen de dirigent en de musici te vergemakkelijken. De maten worden in het algemeen genummerd, zodat de dirigent kan zeggen: we beginnen op de tweede tel van de zesde maat. Meestal wordt de kwartnoot als teleenheid gebruikt, maar in oudere muziek kan dat ook de halve en in nieuwere muziek de achtste noot zijn. Nootwaarde: De nootwaarde of nootduur is in de muziek de relatieve tijdsduur van de noot. De werkelijke tijdsduur wordt bepaald door de tempoaanduiding. Als basis geldt dat de duur van verschillende noten in vaste verhouding tot elkaar staan. Zo duurt een kwartnoot twee maal zo lang als een achtste noot en half zo lang als een hele noot, enz. De langste notenduur die in onze tijd in het algemeen gebruikt is de hele noot. Vaak wordt daar een waarde van vier tellen aan toegekend als de teleenheid de kwartnoot is. In vroeger eeuwen hebben nog langere notenwaarden dan de hele noot bestaan. Een oude naam voor de hele noot is de semibrevis. Dat betekent half kort en die naam geeft al aan dat dat naar verhouding geen lange noot was. Inderdaad kende men ook de brevis (een rechthoekige noot) en twee nog langere eenheden: de longa en de maxima. Een muzieksleutel of kortweg sleutel is een symbool dat wordt gebruikt bij het noteren van muziek. Een sleutel op een notenbalk omvat een lijn daarvan en legt daarmee de toonhoogte vast van een noot op die lijn. De sleutel bepaalt op deze manier de toonhoogte van alle noten die erna komen, tot aan een eventuele nieuwe sleutel. De sleutel legt niet de toonsoort vast; daartoe worden vlak na sleutel voortekens in de vorm van een of meer mollen of kruisen geplaatst. Spreekt men in de muziek van sleutel, dan wordt enerzijds het symbool bedoeld, waarvan er drie zijn, en anderzijds het vastleggen van een bepaalde toon door de plaatsing van het symbool op de balk. Tegenwoordig zijn nog slechts drie verschillende symbolen in gebruik (vroeger waren er meer). Deze sleutels zijn gestileerde vormen van de letters G, F en C. Door plaatsing van zo'n sleutel op de notenbalk wordt dus een lijn van de balk aangewezen waarop de door de sleutel bepaalde toon ligt. Niet elke plaatsing is even gebruikelijk, er zijn momenteel nog zeven plaatsingen in gebruik. De meest gebruikte sleutel is de g-sleutel of solsleutel. De g-sleutel stelt een gestileerde letter G voor die de ligging van de eengestreepte g (g') of sol aangeeft op de lijn die door de binnenste krul van de sleutel omvat wordt. Met deze krul begint men te tekenen wanneer men de sleutel(met de hand) tekent. Tegenwoordig staat de g-sleutel meestal op de tweede lijn. Dit is de meestvoorkomende sleutel. Viool, fluit, piano (rechterhand). Voor lagere stemmen gebruikt men tegenwoordig meestal de f-sleutel, fa-sleutel, bekend van de onderste balk van pianopartijen. De f-sleutel is een gestileerde letter F. Op de lijn tussen de twee puntjes, ligt de kleine f (f) of fa. De f-sleutel wordt voornamelijk gebruikt op de vierde lijn van onderen. Piano (linkerhand), bas, orgel (pedaal). De c-sleutel of do-sleutel is minder bekend. De c-sleutel is een gestileerde letter C. Op de lijn die door het midden van deze sleutel loopt wordt de eengestreepte c (c') genoteerd. Sopraansleutel: de c-sleutel geplaatst op de eerste lijn. Mezzo-sopraansleutel: de c- sleutel geplaatst op de tweede lijn. Altsleutel: de c-sleutel geplaatst op de derde lijn (Altviool, alt). Tenorsleutel: de c-sleutel geplaatst op de vierde lijn. Baritonsleutel: de c-sleutel geplaatst op de vijfde lijn. Er bestaan ook nog sleutels voor drumpartijen (1 of 2 verticale strepen). En octaverende sleutels, men plaatst dan ofwel een 8 onder de sleutel om alles een octaaf lager te spelen dan genoteerd. Of een 8 boven de sleutel om alles een octaaf hoger te laten spelen dan genoteerd staat. Klavarskribo: de klavarnotatie kent slechts één sleutel, namelijk een c-sleutel. Deze dient niet om aan te geven waar de c zich bevindt, want dat is al duidelijk (links van het tweetal lijnen), maar om aan te geven welke c de eengestreepte c is. Dit wordt, behalve met de sleutel, ook aangegeven door de lijnen voor des' en es' te stippelen. Toonhoogte is de ervaren hoogte van een toon. Vaak is er een directe relatie met het waargenomen spectrum van het geluid. In dat geval wordt de toonhoogte weergegeven door het aantal trillingen per seconde, de frequentie uitgedrukt in Hertz van de grondtoon van de waargenomen toon. Hoewel het woord hoogte suggereert dat het om een visueel concept gaat, is de term in historische zin afgeleid van het Oudgriekse woord voor de hoogte van de spanning van een snaar. In muzieknotatie wordt de hoogte van een toon aangegeven door de plaats van de betrokken noot op de notenbalk; hoe hoger de toon hoe hoger de noot op de balk genoteerd wordt (slechts afhankelijk van de muzieksleutel). De toonhoogte van de a', de kamertoon (a-eengestreept), is (tegenwoordig) gestandaardiseerd op 440 Hertz, al zal deze in de muziekpraktijk daar vaak van afwijken. De frequenties van de tonen hangen af van de gebruikte stemming, zoals aangegeven in de tabel (illustratie. Een piano is gebruikelijk gestemd in de gelijkzwevende temperatuur, een viool in de reine stemming (natuurlijk). In de genoemde tabel staan de toonhoogtes van de tonen van de piano in de gelijkzwevende temperatuur, uitgaande van de kamertoon a' van 440 Hz. Zoals hierboven uitgelegd is, worden noten ook wel als tonen aangeduid. Als gevolg daarvan worden de toonnamen ook aan de noten toegekend. Bij deze naamgeving zijn ruwweg twee systemen te onderscheiden, namelijk met letters (A, B, C) of met Guidonische lettergrepen (do, re, mi). Er is nog enige verwarring tussen Nederlands en Engels enerzijds en Duits en Scandinavische talen anderzijds, want onze B heet daar H en onze Bes heet daar B. In het Nederlands kan men een toon met een halve toonafstand verhogen door achter de letter -is te zetten. A wordt dan Aïs, B wordt Bis etc. Dubbel verhogen kan ook door achter een letter -isis (giesies) te zetten (G wordt Gisis, D wordt Disis). Een halve toon verlagen kan men doen door -es achter de letter te zetten. B wordt Bes, D wordt Des, maar A wordt As en E wordt es. Dubbel verlagen kan ook, door achter de letter -eses (esses) te zetten (beses, deses).
Bron: http://www.chopinfiles.com Bron: Lienau-Ausgabe Bron: Dizi, François-Joseph, 1780-1840; Hasselmans, Alphonse, 1845-1912 Vier aan elkaar geschreven (met een waardestreep verbonden) achtste noten.