© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Koninkrijk Holland - Napoleon - (vervolg)
Rode draad tijdens Lodewijks bewind was het scheppen van nationale eenheid in een land waar het gewestelijk besef diep was geworteld. De koning verstevigde de greep van de centrale overheid op het lokale bestuur. In de ogen van Lodewijk moest het versplinterde Nederland een organische eenheid worden. Steden en gewesten voerden grotendeels een eigen beleid en trokken zich weinig aan van besluiten die in het verre Den Haag werden genomen. Lodewijk verdeelde het land in tien departementen en stelde aan het hoofd van elk een landdrost, die naar voorbeeld van de Franse prefect op lokaal niveau het regeringsbeleid in het oog hield. Burgemeesters in de grote steden werden voortaan benoemd door de vorst. Direct na zijn aankomst in Holland in juli 1806 pakte Lodewijk de codificatie (op schrift gesteld recht) aan, waarmee men weliswaar in 1798 begonnen was, maar die langzaam in het slop was geraakt. De codificatie moest een einde maken aan de grote diversiteit in wetgeving en rechtspraak in Nederland. Het oorspronkelijke ontwerp voor een eerste Nederlands strafrecht-wetboek, het Lijfstraffelijk Wetboek van 1804, werd voltooid en in 1809 als Crimineel Wetboek voor het Koninkrijk Holland vastgesteld. Hierin werd onder meer eigenrichting als afzonderlijk delict strafbaar gesteld. De koning kreeg van zijn broer, keizer Napoleon, de opdracht om in Nederland de Franse Code civil, het burgerlijk wetboek, in te voeren. Maar dat deed hij niet. Er kwam in 1809 een Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koningrijk Holland, dat weliswaar geïnspireerd was door het Franse voorbeeld, maar veel eigen vaderlandse wetgeving kende. Daarmee toonde Lodewijk Napoleon baas in eigen huis te willen zijn. Hij werd hierin van harte gesteund door de vaderlandse juristen. In 1809 verscheen ook nog het Wetboek van Koophandel, dat eveneens een eigen vaderlands wetboek was. Het sluitstuk vormde het Wetboek op de Regterlijke Instellingen en Regtspleging van 1809, waarin de rechterlijke organisatie en het procesrecht werden geregeld. De invoering van dit knappe stuk codificatie werd verhinderd door de inlijving bij Frankrijk in 1810. Toen werd de Franse wetgeving ingevoerd. Na het herstel van de onafhankelijkheid in 1813 is nog even een poging gedaan om de wetboeken van Lodewijk Napoleon als basis te laten dienen voor de nieuwe vaderlandse wetgeving. Maar de aansluiting van België en het feit dat de juristen de Franse wetgeving tijdens de inlijving hadden leren waarderen, verijdelden dat. Religieuze minderheden kregen meer rechten. Joden en katholieken hadden tijdens de Bataafse Revolutie weliswaar dezelfde burgerrechten verkregen als hun protestantse volksgenoten, maar in de praktijk was de discriminatie allerminst verdwenen. Lodewijk verklaarde daarom in 1808 alle religies wettelijk gelijk, nam doelbewust Joden op in zijn ambtenarenapparaat en maakte zich kwaad om de achterstelling van katholieken, die nog altijd missen vierden in schuurkerken. Als compensatie gaf Lodewijk Napoleon met name in Brabant geld aan de hervormden om er zogenaamde Lodewijkskerkjes mee te bouwen. Door tussenkomst van de koning kregen de katholieken vaak hun kerkgebouw terug. Het was keizer Napoleon die in 1810 de St.Jan aan de katholieken terug gaf. Hij benoemde hier tevens de bisschop bij. In Breda bleef de OLV kerk in handen van de hervormden. Verzet tegen de koninklijke inmenging in de eeuwenoude usances (gebruik, gewoonten) bleef uit. Lodewijk was verstandig genoeg om de lokale machtsbonzen – zowel de adel op het platteland als de stedelijke regentenklasse – in het zadel te houden, als ze maar beloofden zijn beleid uit te voeren. Daarnaast hoopten bestuurders dat een sterk centraal gezag het verval van de eens zo machtige Republiek kon keren. Weliswaar waren ze gebonden aan de stortvloed van ordonnanties (verordeningen) die hen vanuit Den Haag overspoelde, maar Lodewijk was tenminste een man die knopen doorhakte. Ook beseften ze dat Lodewijk onherroepelijk van de troon zou worden gestoten als zijn hervormingen faalden: ontevreden over zijn broer zou Napoleon het land meteen inlijven, zodat ook Nederland aan de dienstplicht moest geloven en elke cent uit de vrijwel lege schatkist moest omdraaien. Liever de koning dan de keizer, was de conclusie. Lodewijk was een groot liefhebber van cultuur en wetenschappen en liet verschillende instituten oprichten die nu nog steeds bestaan, zoals het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, de Koninklijke Bibliotheek en het Rijksmuseum. Zelf bezocht hij graag het Teylers museum te Haarlem. Ook stimuleerde hij de vrije kunsten door diverse openbare kunsttentoonstellingen te organiseren. Napoleon raakte intussen steeds ontevredener over het beleid van zijn broer. Hij verweet Lodewijk de Nederlandse belangen telkens te laten prevaleren boven de Franse. Alhoewel hij de meeste bevelen van zijn broer uitvoerde, zoals het sluiten van de havens voor Engelse schepen in 1808, nam Lodewijk het inderdaad steeds vaker op voor de Hollandse belangen. Het eind komt in zicht Napoleon maakte zich om te beginnen boos over Lodewijks weigering de dienstplicht in te voeren. De keizer eiste telkens meer soldaten, maar zijn broer hield vol dat hij niet aan de wensen van Napoleon kon voldoen. Op een bevolking van twee miljoen mensen was het een onmogelijke opgave een militaire bijdrage van 40.000 soldaten te leveren. Ook weigerde hij tiërcering van de staatsschuld. Indien hij Napoleons wens opvolgde slechts een derde van de leningen af te lossen, zouden vele private schuldeisers in Nederland hun geld mislopen, wat de toch al wankele economie verder zou verzwakken. Tevens verzette Lodewijk zich tegen Napoleons eis het Continentaal stelsel strikt na te leven. Om zijn aartsvijand Groot-Brittannië tot overgave te dwingen, had Napoleon alle handel met de Britten verboden. Lodewijk was buiten zichzelf van woede, omdat de blokkade de haperende economie van de zeevarende natie zonder twijfel de genadeslag zou toebrengen. Alhoewel het stelsel onvermijdelijk was en havens op slot gingen, trad hij niet bijzonder hard op tegen smokkelaars, die hun sluikhandel langs de kustlijn onverminderd voortzetten. Toen een Brits leger in 1809 het Zeeuwse eiland Walcheren onder de voet liep en de strategische vesting Bath veroverde (zie Walcherenexpeditie), zodat de weg naar Antwerpen open lag, stortte Napoleon een nieuwe vloed aan kritiek uit over zijn broer. Hoewel Lodewijk de Britse opmars een tijdig halt toeriep en ziekten de Britse troepen decimeerden, waarop inderhaast verzamelde troepen de vesting wisten te hernemen, hield Napoleon vol dat zijn broer een knoeier was. Zijn weigering om de in Holland impopulaire dienstplicht in te voeren was haast op een succesvolle Britse invasie uitgelopen. Lodewijk werd vervangen als legeraanvoerder door Bernadotte. In november 1809 vertrok Lodewijk op last van zijn broer naar Parijs, Krayenhoff de opdracht gevend Amsterdam te verdedigen. Na maandenlang geruzie met Napoleon moest hij op 16 maart een traktaat ondertekenen dat het Koninkrijk Holland bezuiden de rivieren inlijfde bij Frankrijk, en een blokkade van Engeland accepteren. Teleurgesteld keerde Lodewijk begin april 1810 terug naar Amsterdam, maar wel met een tweede kans. Ondertussen hadden Franse ‘waarnemingstroepen’ onder Oudinot niet alleen de kuststreek tussen de Maas en de Schelde (met de opdracht smokkel tegen te gaan) bezet, maar trokken via Utrecht naar Muiden en Weesp. Half mei verslechterde de zaak door een incident in Amsterdam. Napoleon eiste daarop dat de troepen feestelijk de stad zouden worden binnengehaald, maar Lodewijk weigerde daaraan te voldoen. Hij zond Valckenaer en Röell naar Parijs om te onderhandelen. Lodewijk suggereerde Amsterdam te verdedigen, maar Dumonceau en De Winter waren tegen dat plan. Toen begreep hij dat zijn zaak verloren was, en trad op 1 juli af ten gunste van zijn zoontje Napoleon Lodewijk (met een aantal ministers als regent). In de nacht van 2/3 juli vertrok Lodewijk uit Haarlem en vestigde zich in het Oostenrijkse Graz. Het koninkrijk Holland werd op 9 juli 1810 per decreet (van Rambouillet) ingelijfd bij het Franse keizerrijk. Toch hadden zijn onderdanen niet louter lof voor Lodewijk. Zijn hang naar luxe en monarchale uitstraling viel slecht bij de Hollanders, die tegen de kostbare verhuizingen van Lodewijk waren en tegen de opknapbeurten die hij zijn diverse paleizen gaf. Terwijl "Nederland" straatarm was, gaf de koning enorme bedragen uit aan een aldaar ongekende luxe. Zoveel als mogelijk werden dergelijke opdrachten echter wel binnen Nederland gegund. Omdat hij het zeeklimaat van Den Haag slecht voor zijn gezondheid vond, besloot hij in 1807 naar Utrecht te verhuizen, waar hij veel geld spendeerde aan het bewoonbaar maken van een reeks panden aan en bij de Drift, die tot koninklijk paleis werden omgevormd. Hierbij decoreerde hij zijn paleizen hoofdzakelijk met gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis. Lang woonde Lodewijk er niet, want reeds een half jaar later (1808) verhuisde hij weer, nu naar het Amsterdamse stadhuis op de Dam, dat hij omdoopte in Koninklijk Paleis. Het Waaggebouw liet hij afbreken omdat het zijn uitzicht bedierf. In het paleis liet hij een kapel inrichten. Een aantal zilveren voorwerpen liet hij bij zijn vertrek achter. Ze waren te zien in de schatkamer van de Kathedrale Basiliek Sint Bavo. In Amsterdam kon hij niet wennen en daarom bracht hij bij voorkeur zijn tijd door op zijn lommerrijke buitenplaats in Haarlem (Landhuis Welgelegen nu Paviljoen Welgelegen), en in Soestdijk of Amelisweerd. Een buitenissige aankoop van de koning was een compleet circus. De koning wenste zich een eigen menagerie zoals ook stadhouder Willem V die had bezeten en had de hortus botanicus willen uitbreiden. De collectie dieren werd een jaar lang in de oranjerie of in een kazerne gehuisvest en is vervolgens verkocht. Zilveren bestekken en een tafel zoals de Franse koningen die hadden laten dekken waren uitingen van de pracht en praal waarmee Lodewijk Napoleon zich omringde. Nederland dankt aan hem het empire-meubilair in het Paleis op de Dam en het behoud van het Loo dat door Lodewijk Napoleon gerestaureerd werd. Lodewijk Napoleon was zeer impulsief. Op een spotprent uit zijn tijd staat hij dan ook afgebeeld met een "ordre" in zijn rechterhand en een "contre-ordre" in de linker. Op zijn voorhoofd staat "désordre". Later werd hij wel Lodewijk de Goede genoemd, hoewel eerst slechts de Lamme Koning. Zijn broer, keizer Napoleon, werd in Oost-Nederland (Zwolle) door het volk toegeroepen met "Kiek de Lamme z'n Breur" wat klonk als "Vive l'Empereur" (leve de keizer). Paviljoen Welgelegen in Haarlem, tegenwoordig het provinciehuis van Noord-Holland, was de favoriete residentie van Lodewijk Napoleon. Aan de gevel bevindt zich een plaquette met een citaat uit de afscheidsproclamatie van Lodewijk Napoleon: Hollanders, Nimmer zal ik een goed en deugdzaam Volk vergeten, zooals gy zyt: Myne laatste gedachte, zoowel als myne laatste zugt, zullen voor uw geluk zyn. Lodewijk had in 1804 twee kastelen in Saint-Leu-la-Forêt gekocht. Hij nam nu de titel graaf van Saint-Leu aan en vestigde zich te Töplitz. Enige zwakke pogingen zijn troon te herwinnen mislukten. Na de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden keerde Lodewijk nog eenmaal terug in Nederland. Het feit dat de Nederlanders hem daarbij op het balkon van zijn hotel toejuichten ontroerde hem zeer, al was het de vraag of de sympathisanten in de eerste plaats vóór Lodewijk of tégen het Huis van Oranje waren. De rest van zijn leven sleet hij in ballingschap te Florence. Hij stierf op 67-jarige leeftijd in Livorno en werd begraven in de kerk van Saint-Leu-la-Forêt in de crypte waar ook zijn zoons Napoleon Karel en Napoleon Lodewijk begraven zijn onder zijn monument van de beeldhouwer Louis Petitot.
Auteur: Aquatinta by R. Bowyer in London 1814. Franse keizerrijk 1811. Schilder: atelier François Gérard. Auteur: P.H.K. van Schendel. In Rijksmuseum Amsterdam. Terug vorige pagina Geneeskunde

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Koninkrijk Holland - Napoleon - (vervolg)
Rode draad tijdens Lodewijks bewind was het scheppen van nationale eenheid in een land waar het gewestelijk besef diep was geworteld. De koning verstevigde de greep van de centrale overheid op het lokale bestuur. In de ogen van Lodewijk moest het versplinterde Nederland een organische eenheid worden. Steden en gewesten voerden grotendeels een eigen beleid en trokken zich weinig aan van besluiten die in het verre Den Haag werden genomen. Lodewijk verdeelde het land in tien departementen en stelde aan het hoofd van elk een landdrost, die naar voorbeeld van de Franse prefect op lokaal niveau het regeringsbeleid in het oog hield. Burgemeesters in de grote steden werden voortaan benoemd door de vorst. Direct na zijn aankomst in Holland in juli 1806 pakte Lodewijk de codificatie (op schrift gesteld recht) aan, waarmee men weliswaar in 1798 begonnen was, maar die langzaam in het slop was geraakt. De codificatie moest een einde maken aan de grote diversiteit in wetgeving en rechtspraak in Nederland. Het oorspronkelijke ontwerp voor een eerste Nederlands strafrecht- wetboek, het Lijfstraffelijk Wetboek van 1804, werd voltooid en in 1809 als Crimineel Wetboek voor het Koninkrijk Holland vastgesteld. Hierin werd onder meer eigenrichting als afzonderlijk delict strafbaar gesteld. De koning kreeg van zijn broer, keizer Napoleon, de opdracht om in Nederland de Franse Code civil, het burgerlijk wetboek, in te voeren. Maar dat deed hij niet. Er kwam in 1809 een Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koningrijk Holland, dat weliswaar geïnspireerd was door het Franse voorbeeld, maar veel eigen vaderlandse wetgeving kende. Daarmee toonde Lodewijk Napoleon baas in eigen huis te willen zijn. Hij werd hierin van harte gesteund door de vaderlandse juristen. In 1809 verscheen ook nog het Wetboek van Koophandel, dat eveneens een eigen vaderlands wetboek was. Het sluitstuk vormde het Wetboek op de Regterlijke Instellingen en Regtspleging van 1809, waarin de rechterlijke organisatie en het procesrecht werden geregeld. De invoering van dit knappe stuk codificatie werd verhinderd door de inlijving bij Frankrijk in 1810. Toen werd de Franse wetgeving ingevoerd. Na het herstel van de onafhankelijkheid in 1813 is nog even een poging gedaan om de wetboeken van Lodewijk Napoleon als basis te laten dienen voor de nieuwe vaderlandse wetgeving. Maar de aansluiting van België en het feit dat de juristen de Franse wetgeving tijdens de inlijving hadden leren waarderen, verijdelden dat. Religieuze minderheden kregen meer rechten. Joden en katholieken hadden tijdens de Bataafse Revolutie weliswaar dezelfde burgerrechten verkregen als hun protestantse volksgenoten, maar in de praktijk was de discriminatie allerminst verdwenen. Lodewijk verklaarde daarom in 1808 alle religies wettelijk gelijk, nam doelbewust Joden op in zijn ambtenarenapparaat en maakte zich kwaad om de achterstelling van katholieken, die nog altijd missen vierden in schuurkerken. Als compensatie gaf Lodewijk Napoleon met name in Brabant geld aan de hervormden om er zogenaamde Lodewijkskerkjes mee te bouwen. Door tussenkomst van de koning kregen de katholieken vaak hun kerkgebouw terug. Het was keizer Napoleon die in 1810 de St.Jan aan de katholieken terug gaf. Hij benoemde hier tevens de bisschop bij. In Breda bleef de OLV kerk in handen van de hervormden. Verzet tegen de koninklijke inmenging in de eeuwenoude usances (gebruik, gewoonten) bleef uit. Lodewijk was verstandig genoeg om de lokale machtsbonzen – zowel de adel op het platteland als de stedelijke regentenklasse – in het zadel te houden, als ze maar beloofden zijn beleid uit te voeren. Daarnaast hoopten bestuurders dat een sterk centraal gezag het verval van de eens zo machtige Republiek kon keren. Weliswaar waren ze gebonden aan de stortvloed van ordonnanties (verordeningen) die hen vanuit Den Haag overspoelde, maar Lodewijk was tenminste een man die knopen doorhakte. Ook beseften ze dat Lodewijk onherroepelijk van de troon zou worden gestoten als zijn hervormingen faalden: ontevreden over zijn broer zou Napoleon het land meteen inlijven, zodat ook Nederland aan de dienstplicht moest geloven en elke cent uit de vrijwel lege schatkist moest omdraaien. Liever de koning dan de keizer, was de conclusie. Lodewijk was een groot liefhebber van cultuur en wetenschappen en liet verschillende instituten oprichten die nu nog steeds bestaan, zoals het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, de Koninklijke Bibliotheek en het Rijksmuseum. Zelf bezocht hij graag het Teylers museum te Haarlem. Ook stimuleerde hij de vrije kunsten door diverse openbare kunsttentoonstellingen te organiseren. Napoleon raakte intussen steeds ontevredener over het beleid van zijn broer. Hij verweet Lodewijk de Nederlandse belangen telkens te laten prevaleren boven de Franse. Alhoewel hij de meeste bevelen van zijn broer uitvoerde, zoals het sluiten van de havens voor Engelse schepen in 1808, nam Lodewijk het inderdaad steeds vaker op voor de Hollandse belangen. Het eind komt in zicht Napoleon maakte zich om te beginnen boos over Lodewijks weigering de dienstplicht in te voeren. De keizer eiste telkens meer soldaten, maar zijn broer hield vol dat hij niet aan de wensen van Napoleon kon voldoen. Op een bevolking van twee miljoen mensen was het een onmogelijke opgave een militaire bijdrage van 40.000 soldaten te leveren. Ook weigerde hij tiërcering van de staatsschuld. Indien hij Napoleons wens opvolgde slechts een derde van de leningen af te lossen, zouden vele private schuldeisers in Nederland hun geld mislopen, wat de toch al wankele economie verder zou verzwakken. Tevens verzette Lodewijk zich tegen Napoleons eis het Continentaal stelsel strikt na te leven. Om zijn aartsvijand Groot-Brittannië tot overgave te dwingen, had Napoleon alle handel met de Britten verboden. Lodewijk was buiten zichzelf van woede, omdat de blokkade de haperende economie van de zeevarende natie zonder twijfel de genadeslag zou toebrengen. Alhoewel het stelsel onvermijdelijk was en havens op slot gingen, trad hij niet bijzonder hard op tegen smokkelaars, die hun sluikhandel langs de kustlijn onverminderd voortzetten. Toen een Brits leger in 1809 het Zeeuwse eiland Walcheren onder de voet liep en de strategische vesting Bath veroverde (zie Walcherenexpeditie), zodat de weg naar Antwerpen open lag, stortte Napoleon een nieuwe vloed aan kritiek uit over zijn broer. Hoewel Lodewijk de Britse opmars een tijdig halt toeriep en ziekten de Britse troepen decimeerden, waarop inderhaast verzamelde troepen de vesting wisten te hernemen, hield Napoleon vol dat zijn broer een knoeier was. Zijn weigering om de in Holland impopulaire dienstplicht in te voeren was haast op een succesvolle Britse invasie uitgelopen. Lodewijk werd vervangen als legeraanvoerder door Bernadotte. In november 1809 vertrok Lodewijk op last van zijn broer naar Parijs, Krayenhoff de opdracht gevend Amsterdam te verdedigen. Na maandenlang geruzie met Napoleon moest hij op 16 maart een traktaat ondertekenen dat het Koninkrijk Holland bezuiden de rivieren inlijfde bij Frankrijk, en een blokkade van Engeland accepteren. Teleurgesteld keerde Lodewijk begin april 1810 terug naar Amsterdam, maar wel met een tweede kans. Ondertussen hadden Franse ‘waarnemingstroepen’ onder Oudinot niet alleen de kuststreek tussen de Maas en de Schelde (met de opdracht smokkel tegen te gaan) bezet, maar trokken via Utrecht naar Muiden en Weesp. Half mei verslechterde de zaak door een incident in Amsterdam. Napoleon eiste daarop dat de troepen feestelijk de stad zouden worden binnengehaald, maar Lodewijk weigerde daaraan te voldoen. Hij zond Valckenaer en Röell naar Parijs om te onderhandelen. Lodewijk suggereerde Amsterdam te verdedigen, maar Dumonceau en De Winter waren tegen dat plan. Toen begreep hij dat zijn zaak verloren was, en trad op 1 juli af ten gunste van zijn zoontje Napoleon Lodewijk (met een aantal ministers als regent). In de nacht van 2/3 juli vertrok Lodewijk uit Haarlem en vestigde zich in het Oostenrijkse Graz. Het koninkrijk Holland werd op 9 juli 1810 per decreet (van Rambouillet) ingelijfd bij het Franse keizerrijk. Toch hadden zijn onderdanen niet louter lof voor Lodewijk. Zijn hang naar luxe en monarchale uitstraling viel slecht bij de Hollanders, die tegen de kostbare verhuizingen van Lodewijk waren en tegen de opknapbeurten die hij zijn diverse paleizen gaf. Terwijl "Nederland" straatarm was, gaf de koning enorme bedragen uit aan een aldaar ongekende luxe. Zoveel als mogelijk werden dergelijke opdrachten echter wel binnen Nederland gegund. Omdat hij het zeeklimaat van Den Haag slecht voor zijn gezondheid vond, besloot hij in 1807 naar Utrecht te verhuizen, waar hij veel geld spendeerde aan het bewoonbaar maken van een reeks panden aan en bij de Drift, die tot koninklijk paleis werden omgevormd. Hierbij decoreerde hij zijn paleizen hoofdzakelijk met gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis. Lang woonde Lodewijk er niet, want reeds een half jaar later (1808) verhuisde hij weer, nu naar het Amsterdamse stadhuis op de Dam, dat hij omdoopte in Koninklijk Paleis. Het Waaggebouw liet hij afbreken omdat het zijn uitzicht bedierf. In het paleis liet hij een kapel inrichten. Een aantal zilveren voorwerpen liet hij bij zijn vertrek achter. Ze waren te zien in de schatkamer van de Kathedrale Basiliek Sint Bavo. In Amsterdam kon hij niet wennen en daarom bracht hij bij voorkeur zijn tijd door op zijn lommerrijke buitenplaats in Haarlem (Landhuis Welgelegen nu Paviljoen Welgelegen), en in Soestdijk of Amelisweerd. Een buitenissige aankoop van de koning was een compleet circus. De koning wenste zich een eigen menagerie zoals ook stadhouder Willem V die had bezeten en had de hortus botanicus willen uitbreiden. De collectie dieren werd een jaar lang in de oranjerie of in een kazerne gehuisvest en is vervolgens verkocht. Zilveren bestekken en een tafel zoals de Franse koningen die hadden laten dekken waren uitingen van de pracht en praal waarmee Lodewijk Napoleon zich omringde. Nederland dankt aan hem het empire-meubilair in het Paleis op de Dam en het behoud van het Loo dat door Lodewijk Napoleon gerestaureerd werd. Lodewijk Napoleon was zeer impulsief. Op een spotprent uit zijn tijd staat hij dan ook afgebeeld met een "ordre" in zijn rechterhand en een "contre-ordre" in de linker. Op zijn voorhoofd staat "désordre". Later werd hij wel Lodewijk de Goede genoemd, hoewel eerst slechts de Lamme Koning. Zijn broer, keizer Napoleon, werd in Oost-Nederland (Zwolle) door het volk toegeroepen met "Kiek de Lamme z'n Breur" wat klonk als "Vive l'Empereur" (leve de keizer). Paviljoen Welgelegen in Haarlem, tegenwoordig het provinciehuis van Noord-Holland, was de favoriete residentie van Lodewijk Napoleon. Aan de gevel bevindt zich een plaquette met een citaat uit de afscheidsproclamatie van Lodewijk Napoleon: Hollanders, Nimmer zal ik een goed en deugdzaam Volk vergeten, zooals gy zyt: Myne laatste gedachte, zoowel als myne laatste zugt, zullen voor uw geluk zyn. Lodewijk had in 1804 twee kastelen in Saint-Leu- la-Forêt gekocht. Hij nam nu de titel graaf van Saint-Leu aan en vestigde zich te Töplitz. Enige zwakke pogingen zijn troon te herwinnen mislukten. Na de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden keerde Lodewijk nog eenmaal terug in Nederland. Het feit dat de Nederlanders hem daarbij op het balkon van zijn hotel toejuichten ontroerde hem zeer, al was het de vraag of de sympathisanten in de eerste plaats vóór Lodewijk of tégen het Huis van Oranje waren. De rest van zijn leven sleet hij in ballingschap te Florence. Hij stierf op 67-jarige leeftijd in Livorno en werd begraven in de kerk van Saint-Leu-la- Forêt in de crypte waar ook zijn zoons Napoleon Karel en Napoleon Lodewijk begraven zijn onder zijn monument van de beeldhouwer Louis Petitot.
Schilder: atelier François Gérard. Auteur: P.H.K. van Schendel. In Rijksmuseum Amsterdam. Auteur: Aquatinta by R. Bowyer in London 1814. Franse keizerrijk 1811.