© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Industriële revolutie - Democratie
INDUSTRIËLE REVOLUTIE. De overgang van handmatige productie naar grotendeels machinale productie en de stappen naar inspraak Democratie door burgers in het landsbestuur. Industrie: alle fabrieken die goederen produceren. Een fabriek is een werkplaats waarin iets wordt 'gefabriceerd', dat is iets maken met behulp van machines ofwel produceren: grondstoffen gaan er in, worden bewerkt en producten komen er uit. Soms is het product weer de 'grondstof' voor een andere fabriek. Bijvoorbeeld: ijzererts wordt in een hoogoven tot staalplaat verwerkt. Dit staalplaat is weer de grondstof waarvan een autofabriek auto's maakt. De producten kunnen variëren van heel klein (microchips) tot enorme afmetingen (maken van een complete elektriciteitscentrale, of een scheepswerf). Tot het begin van de 19e eeuw vond de productie vooral plaats thuis in het woonhuis met handkracht (huisnijverheid). Andere voorlopers van de fabriek zijn werkhuizen zoals spinhuizen en weefhuizen, en ambachtelijke werkplaatsen. Een overgangsvorm naar de fabriek was de manufactuur (tussen huisnijverheid en fabriek in). Vooral het gebruik van de stoommachine, als krachtbron om de machines aan te drijven, heeft de productie in fabrieken sterk gestimuleerd. Grondstoffen: materialen die uit de natuur gehaald worden om er iets van te maken of te fabriceren; denk ook aan: aardolie, gas, hout, klei, steen, metalen, zand (glas maken) enz.. Industrie - Democratie: Industriële revolutie: is de omschakeling van handmatig naar machinaal vervaardigde goederen, in grotere aantallen en tegen lagere (voor meer mensen bereikbare) prijzen. De industriële revolutie begon eind 18e eeuw in Engeland en begin 19e eeuw ook in andere landen. De toepassing van de stoommachine gaf een enorme impuls aan de ontwikkeling van vervaardiging van producten. Ambachtelijke en kleinschalige werkplaatsen groeiden uit tot grote fabrieken en vormden samen een grootschalige industrie. Door die groei daalde de prijs van de producten enorm, waardoor steeds meer mensen zich konden veroorloven die producten te kopen. Hiermee brak een belangrijke periode voor Europa en later de rest van de wereld aan. Het was een trendbreuk in vergelijking met vroegere tijden en dus daarmee een 'revolutie' (omwenteling). Het betrof de snelle ontwikkeling van nieuwe technieken voor de industrie. Er kon nu ook veel meer textiel worden geproduceerd. Dat was hard nodig, want de bevolking was sterk gegroeid. In 1750 had Europa 130 miljoen inwoners, in 1850 was dit aantal verdubbeld. Dankzij de machines werd er sneller en goedkoper geproduceerd en bleven de loonkosten laag. De uitvinding van de stoomtrein in 1824 maakte het vervoer van de geproduceerde goederen gemakkelijker, en hierdoor versnelde de industrialisatie nog verder. Kinderarbeid: In de 19e eeuw was er veel armoede en werkloosheid. Doordat er steeds meer fabrieken kwamen veranderde dat langzaam. In de industrie kwamen meer banen. De welvaart steeg, maar kwam lange tijd nauwelijks ten goede aan de "gewone mensen". Uitbuiting en kinderarbeid waren ook tijdens de industriële revolutie nog heel gewoon. Pas rond 1900 veranderde dat; kinderarbeid werd verboden, en men verdiende een wat hoger loon, zodat men dingen kon kopen die voorheen te duur waren. Thee bijvoorbeeld, en serviesgoed of een ijzeren bed. Het zou echter nog tot na de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) duren, voordat de gemiddelde arbeider het wat beter begon te krijgen. Niet iedereen was het eens met de invoering van sneller werkende machines. Er waren verscheidene boycot-acties tegen fabrikanten en zelfs regelrechte opstanden van werkloos geworden thuiswerkers. Deze werden veelal uit de verkoopmarkt gedrongen door de goedkoper werkende nieuwe fabrieken. In Nederland werd in 1874 het Kinderwetje van 'Van Houten' ingevoerd om fabrieksarbeid voor kinderen onder de twaalf jaar te verbieden, landarbeid (werk op het land, boerderij) bleef echter toegestaan. De opheffing van de kinderarbeid gold voor alle westerse landen waar de industriële revolutie plaats vond. Er kwam pas echt een einde aan de kinderarbeid na de invoering van de Leerplichtwet in 1900. Vakbonden: Grote veranderingen: de nijverheid (handwerk) kon niet concurreren met de fabrieken die producten van dezelfde, of zelfs betere kwaliteit, in de verkoop brachten tegen een lagere prijs. Gevolg: veel ambachtelijke bedrijven gingen failliet (geen genoeg inkomsten om de rekeningen te kunnen betalen). Het grootschalig produceren betekende dat ook vrouwen en kinderen konden worden ingeschakeld, wat dan ook op grote schaal gebeurde. De arbeidsomstandigheden waren slecht, de werkplaatsen waren vuil en gevaarlijk, en er moesten lange dagen gewerkt worden. De lonen waren zeer laag. Arbeiders waren er volop, waardoor de fabrikanten het zich konden veroorloven lage lonen te betalen. Deze fabrikanten wisten daardoor extra grote winsten te maken en leidden een luxe leventje. Hierdoor ontstond een grote kloof tussen rijk en arm. Door het grote aantal arbeiders in de steden was er een tekort aan woonruimte. Hierdoor leefden zij met grote gezinnen in zeer kleine behuizingen. Uiteindelijk leidde dit allemaal tot de vereniging van arbeiders in 'Vakbonden', die druk uitoefenden op de regering. Dit heeft geleid tot het oprichten van socialistische politieke partijen. Die hebben na verloop van tijd regelgeving met betrekking tot de werkomstandigheden, schoolgang en woonomstandigheden afgedwongen. Kinderen werden bijvoorbeeld verplicht naar school te gaan (kennis is macht). Cultuurstelsel: een belastingvorm die in 1830 in Nederlands-Indië werd in ingevoerd en duurde tot circa 1870. Die hield in, dat bij wijze van pacht (soort huur) de inheemse bevolking, als de grond daarvoor geschikt was, 20% van hun grond moest gebruiken voor gouvernementsproducten: producten voor de Europese markt (verkoop). Deze producten waren onder meer indigo (gewilde mooie blauwe verfstof voor textiel), thee en suiker, en werden door de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Europa verkocht. Boeren die geen geschikte grond hadden, moesten 66 dagen per jaar voor het gouvernement (bestuur namens Nederland) werken (de zogenaamde herendiensten). Het stelsel werd veelvuldig misbruikt; boeren werd bijvoorbeeld voorgeschreven meer dan de 20% af te dragen. De inlandse vorsten kregen cultuurprocenten: als de gronden in hun gebied meer opbrachten voor Nederland, dan kregen zij extra geld. Dit leidde tot sterke uitbuiting van de inheemse bevolking door die inlandse vorsten. In de laatste helft 19e eeuw nam het verzet daar tegen steeds meer toe. Vanaf 1848 begonnen meer mensen te pleiten voor de afschaffing. Multatuli schreef in 1860 zijn roman Max Havelaar, waarin gewezen werd op de misstanden van het kolonialisme. Dit boek speelde een belangrijke rol in het afschaffen van het cultuurstelsel. Meer over Kinderarbeid - Leerplichtwet in ons museum lees je hier Meer over Vakbonden in ons museum lees je hier Democratie: De oudst bekende democratie was die in Athene, in de Griekse oudheid, waarin leden van de bevolking zelf direct politieke besluiten namen. In Nederland hebben we de Parlementaire Democratie (ofwel representatieve democratie). Dit is een regeringsvorm waarbij de bevolking een aantal volksvertegenwoordigers (via politieke partijen) kiest, die het bestuur uitvoeren (landelijk is dat de Tweede Kamer). Een land is democratisch als het volk het recht heeft zijn eigen regering te kiezen in periodieke (hier om de vier jaar), geheime verkiezingen met diverse partijen op basis van algemeen en gelijk stemrecht voor volwassenen. Scheiding der machten: de wetgevende macht wordt gevormd door het parlement: Tweede Kamer en Eerste Kamer (senaat), ook wel Staten-Generaal genoemd. De uitvoerende macht wordt gevormd door de regering (het kabinet met de ministerpresident -premier-, de ministers en staatssecretarissen), die de wetten ten uitvoer brengt in beleid. De rechterlijke macht moet de andere twee machten in evenwicht houden. Ze krijgt hiervoor een zeer onafhankelijke positie. De pers (krant, radio, televisie, internet) heeft in democratische landen een belangrijke rol bij het (kritisch) informeren van de burgers. Enkele belangrijke grondrechten zijn de vrijheid van: godsdienst, meningsuiting, pers, vereniging en vergadering, onderwijs en de gelijke behandeling. Thorbecke - Grondrechten: rechten van individuele burgers tegenover de staat en ook tegenover elkaar. Deze zijn in democratische landen in het algemeen opgenomen in de Grondwet en in internationale verdragen. De eerste grondwet in Nederland kwam in 1814 tot stand, waarbij de vorst nog feitelijk de macht heeft, met als belangrijkste punt de vrijheid van godsdienst. Thorbecke krijgt in 1848 van Koning Willem II de opdracht een liberale Grondwet te ontwerpen. De Grondwetsherziening van 1848 legt de basis voor ons huidige stelsel van parlementaire democratie: de macht van de koning wordt ingeperkt. De koning is niet langer verantwoordelijk voor het beleid, maar de ministers. De Tweede Kamer krijgt meer invloed en wordt bovendien rechtstreeks gekozen. Dat kiesrecht (stemrecht) was echter alleen nog gegeven aan een beperkt aantal mensen, gebaseerd op het betalen van een minimum hoeveelheid belasting. Bij de grondwetswijzigng van 1917 mogen voortaan alle mannen ouder dan 23 jaar stemmen op een partij van eigen keuze (actief stemrecht) en zich kandidaat stellen voor een partij om gekozen te worden (passief stemrecht): het algemeen kiesrecht, vrouwen krijgen nu het passief kiesrecht. In 1919 kregen vrouwen ook het actief kiesrecht, hetgeen in 1922 in de grondwet als het volledig algemeen kiesrecht werd vastgelegd. De heden geldende leeftijd voor het algemeen kiesrecht is 18 jaar. Meer over Thorbecke - Grondwet - Kiesrecht in ons museum vind je hier 
De Schoolmeester te Westzaan is de laatste papiermolen ter wereld die op windkracht functioneert. Foto: Rasbak Bron: http://www.finlayson.fi/kodintekstiilit/histo07.htm Kopie van exemplaar bij Dir.Gen. van de Arbeid, Den Haag. Bron: http://hdl.handle.net/10622/30051000226073?locatt=view:level2 Foto:  A.C.P. (Augusta Cornelia Paulina) Curiel. Bron: Tropenmuseum	Tekenaar: Albert Hahn, hij was een bevlogen socialist (1877-1918)

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Industriële revolutie - Democratie 
INDUSTRIËLE REVOLUTIE. De overgang van handmatige productie naar grotendeels machinale productie en de stappen naar inspraak Democratie door burgers in het landsbestuur. Industrie: alle fabrieken die goederen produceren. Een fabriek is een werkplaats waarin iets wordt 'gefabriceerd', dat is iets maken met behulp van machines ofwel produceren: grondstoffen gaan er in, worden bewerkt en producten komen er uit. Soms is het product weer de 'grondstof' voor een andere fabriek. Bijvoorbeeld: ijzererts wordt in een hoogoven tot staalplaat verwerkt. Dit staalplaat is weer de grondstof waarvan een autofabriek auto's maakt. De producten kunnen variëren van heel klein (microchips) tot enorme afmetingen (maken van een complete elektriciteitscentrale, of een scheepswerf). Tot het begin van de 19e eeuw vond de productie vooral plaats thuis in het woonhuis met handkracht (huisnijverheid). Andere voorlopers van de fabriek zijn werkhuizen zoals spinhuizen en weefhuizen, en ambachtelijke werkplaatsen. Een overgangsvorm naar de fabriek was de manufactuur (tussen huisnijverheid en fabriek in). Vooral het gebruik van de stoommachine, als krachtbron om de machines aan te drijven, heeft de productie in fabrieken sterk gestimuleerd. Grondstoffen: materialen die uit de natuur gehaald worden om er iets van te maken of te fabriceren; denk ook aan: aardolie, gas, hout, klei, steen, metalen, zand (glas maken) enz.. Industrie - Democratie: Industriële revolutie: is de omschakeling van handmatig naar machinaal vervaardigde goederen, in grotere aantallen en tegen lagere (voor meer mensen bereikbare) prijzen. De industriële revolutie begon eind 18e eeuw in Engeland en begin 19e eeuw ook in andere landen. De toepassing van de stoommachine gaf een enorme impuls aan de ontwikkeling van vervaardiging van producten. Ambachtelijke en kleinschalige werkplaatsen groeiden uit tot grote fabrieken en vormden samen een grootschalige industrie. Door die groei daalde de prijs van de producten enorm, waardoor steeds meer mensen zich konden veroorloven die producten te kopen. Hiermee brak een belangrijke periode voor Europa en later de rest van de wereld aan. Het was een trendbreuk in vergelijking met vroegere tijden en dus daarmee een 'revolutie' (omwenteling). Het betrof de snelle ontwikkeling van nieuwe technieken voor de industrie. Er kon nu ook veel meer textiel worden geproduceerd. Dat was hard nodig, want de bevolking was sterk gegroeid. In 1750 had Europa 130 miljoen inwoners, in 1850 was dit aantal verdubbeld. Dankzij de machines werd er sneller en goedkoper geproduceerd en bleven de loonkosten laag. De uitvinding van de stoomtrein in 1824 maakte het vervoer van de geproduceerde goederen gemakkelijker, en hierdoor versnelde de industrialisatie nog verder. Kinderarbeid: In de 19e eeuw was er veel armoede en werkloosheid. Doordat er steeds meer fabrieken kwamen veranderde dat langzaam. In de industrie kwamen meer banen. De welvaart steeg, maar kwam lange tijd nauwelijks ten goede aan de "gewone mensen". Uitbuiting en kinderarbeid waren ook tijdens de industriële revolutie nog heel gewoon. Pas rond 1900 veranderde dat; kinderarbeid werd verboden, en men verdiende een wat hoger loon, zodat men dingen kon kopen die voorheen te duur waren. Thee bijvoorbeeld, en serviesgoed of een ijzeren bed. Het zou echter nog tot na de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) duren, voordat de gemiddelde arbeider het wat beter begon te krijgen. Niet iedereen was het eens met de invoering van sneller werkende machines. Er waren verscheidene boycot-acties tegen fabrikanten en zelfs regelrechte opstanden van werkloos geworden thuiswerkers. Deze werden veelal uit de verkoopmarkt gedrongen door de goedkoper werkende nieuwe fabrieken. In Nederland werd in 1874 het Kinderwetje van 'Van Houten' ingevoerd  om fabrieksarbeid voor kinderen onder de twaalf jaar te verbieden, landarbeid (werk op het land, boerderij) bleef echter toegestaan. De opheffing van de kinderarbeid gold voor alle westerse landen waar de industriële revolutie plaats vond. Er kwam pas echt een einde aan de kinderarbeid na de invoering van de Leerplichtwet in 1900. Vakbonden: Grote veranderingen: de nijverheid (handwerk) kon niet concurreren met de fabrieken die producten van dezelfde, of zelfs betere kwaliteit, in de verkoop brachten tegen een lagere prijs. Gevolg: veel ambachtelijke bedrijven gingen failliet (geen genoeg inkomsten om de rekeningen te kunnen betalen). Het grootschalig produceren betekende dat ook vrouwen en kinderen konden worden ingeschakeld, wat dan ook op grote schaal gebeurde. De arbeidsomstandigheden waren slecht, de werkplaatsen waren vuil en gevaarlijk, en er moesten lange dagen gewerkt worden. De lonen waren zeer laag. Arbeiders waren er volop, waardoor de fabrikanten het zich konden veroorloven lage lonen te betalen. Deze fabrikanten wisten daardoor extra grote winsten te maken en leidden een luxe leventje. Hierdoor ontstond een grote kloof tussen rijk en arm. Door het grote aantal arbeiders in de steden was er een tekort aan woonruimte. Hierdoor leefden zij met grote gezinnen in zeer kleine behuizingen. Uiteindelijk leidde dit allemaal tot de vereniging van arbeiders in 'Vakbonden', die druk uitoefenden op de regering. Dit heeft geleid tot het oprichten van socialistische politieke partijen. Die hebben na verloop van tijd regelgeving met betrekking tot de werkomstandigheden, schoolgang en woonomstandigheden afgedwongen. Kinderen werden bijvoorbeeld verplicht naar school te gaan (kennis is macht). Cultuurstelsel: een belastingvorm die in 1830 in Nederlands-Indië werd in ingevoerd en duurde tot circa 1870. Die hield in, dat bij wijze van pacht (soort huur) de inheemse bevolking, als de grond daarvoor geschikt was, 20% van hun grond moest gebruiken voor gouvernementsproducten: producten voor de Europese markt (verkoop). Deze producten waren onder meer indigo (gewilde mooie blauwe verfstof voor textiel), thee en suiker, en werden door de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Europa verkocht. Boeren die geen geschikte grond hadden, moesten 66 dagen per jaar voor het gouvernement (bestuur namens Nederland) werken (de zogenaamde herendiensten). Het stelsel werd veelvuldig misbruikt; boeren werd bijvoorbeeld voorgeschreven meer dan de 20% af te dragen. De inlandse vorsten kregen cultuurprocenten: als de gronden in hun gebied meer opbrachten voor Nederland, dan kregen zij extra geld. Dit leidde tot sterke uitbuiting van de inheemse bevolking door die inlandse vorsten. In de laatste helft 19e eeuw nam het verzet daar tegen steeds meer toe. Vanaf 1848 begonnen meer mensen te pleiten voor de afschaffing.  Multatuli schreef in 1860 zijn roman Max Havelaar, waarin gewezen werd op de misstanden van het kolonialisme. Dit boek speelde een belangrijke rol in het afschaffen van het cultuurstelsel. Meer over Kinderarbeid - Leerplichtwet in ons museum lees je hier Meer over Vakbonden in ons museum lees je hier Democratie: De oudst bekende democratie was die in Athene, in de Griekse oudheid, waarin leden van de bevolking zelf direct politieke besluiten namen. In Nederland hebben we de Parlementaire Democratie (ofwel representatieve democratie). Dit is een regeringsvorm waarbij de bevolking een aantal volksvertegenwoordigers (via politieke partijen) kiest, die het bestuur uitvoeren (landelijk is dat de Tweede Kamer). Een land is democratisch als het volk het recht heeft zijn eigen regering te kiezen in periodieke (hier om de vier jaar), geheime verkiezingen met diverse partijen op basis van algemeen en gelijk stemrecht voor volwassenen. Scheiding der machten: de wetgevende macht wordt gevormd door het parlement: Tweede Kamer en Eerste Kamer (senaat), ook wel Staten-Generaal genoemd. De uitvoerende macht wordt gevormd door de regering (het kabinet met de ministerpresident - premier-, de ministers en staatssecretarissen), die de wetten ten uitvoer brengt in beleid. De rechterlijke macht moet de andere twee machten in evenwicht houden. Ze krijgt hiervoor een zeer onafhankelijke positie. De pers (krant, radio, televisie, internet) heeft in democratische landen een belangrijke rol bij het (kritisch) informeren van de burgers. Enkele belangrijke grondrechten zijn de vrijheid van: godsdienst, meningsuiting, pers, vereniging en vergadering, onderwijs en de gelijke behandeling. Thorbecke - Grondrechten: rechten van individuele burgers tegenover de staat en ook tegenover elkaar. Deze zijn in democratische landen in het algemeen opgenomen in de Grondwet en in internationale verdragen. De eerste grondwet in Nederland kwam in 1814 tot stand, waarbij de vorst nog feitelijk de macht heeft, met als belangrijkste punt de vrijheid van godsdienst. Thorbecke krijgt in 1848 van Koning Willem II de opdracht een liberale Grondwet te ontwerpen. De Grondwetsherziening van 1848 legt de basis voor ons huidige stelsel van parlementaire democratie: de macht van de koning wordt ingeperkt. De koning is niet langer verantwoordelijk voor het beleid, maar de ministers. De Tweede Kamer krijgt meer invloed en wordt bovendien rechtstreeks gekozen. Dat kiesrecht (stemrecht) was echter alleen nog gegeven aan een beperkt aantal mensen, gebaseerd op het betalen van een minimum hoeveelheid belasting. Bij de grondwetswijzigng van 1917 mogen voortaan alle mannen ouder dan 23 jaar stemmen op een partij van eigen keuze (actief stemrecht) en zich kandidaat stellen voor een partij om gekozen te worden (passief stemrecht): het algemeen kiesrecht, vrouwen krijgen nu het passief kiesrecht. In 1919 kregen vrouwen ook het actief kiesrecht, hetgeen in 1922 in de grondwet als het volledig algemeen kiesrecht werd vastgelegd. De heden geldende leeftijd voor het algemeen kiesrecht is 18 jaar. Meer over Thorbecke - Grondwet - Kiesrecht in ons museum vind je hier 
De Schoolmeester te Westzaan is de laatste papiermolen ter wereld die op windkracht functioneert. Foto: Rasbak Bron: http://www.finlayson.fi/kodintekstiilit/histo07.htm Kopie van exemplaar bij Dir.Gen. van de Arbeid, Den Haag. Bron: http://hdl.handle.net/10622/30051000226073?locatt=view:level2 Foto:  A.C.P. (Augusta Cornelia Paulina) Curiel. Bron: Tropenmuseum	Tekenaar: Albert Hahn, hij was een bevlogen socialist (1877-1918)