© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Gouden Eeuw - VOC - Rembrandt - Spinoza (vervolg)  
De overzeese specerijenhandel en de aanleiding tot en de oprichting van de VOC Tussen 1498 en 1595 was de specerijenhandel op Oost-Indië volledig in handen van de Portugezen, gedekt door het pauselijke Verdrag van Tordesillas. Nadat Portugal met Spanje - waarmee de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in oorlog was - één land was geworden, werd het de Nederlanders verboden om Spaanse en Portugese havens aan te doen. Daarop werd in de republiek besloten om zelf de specerijen te gaan halen in Oost-Indië. Er ontstonden vanaf 1595 meerdere compagnieën met handel op Oost-Indië. Raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt was niet de enige die vond dat de concurrentie de winst drukte. Daarnaast konden de kleine compagnieën geen rol spelen in de strijd tegen de koning van Spanje. Een grote verenigde compagnie zou daarentegen in zijn ogen een krachtig militair én economisch wapen zijn, en hij dwong de compagnieën te fuseren. De inkomsten die de VOC in de vorm van allerlei belastingen en accijnzen voor de staat zou genereren, werden voor het land van groot belang geacht voor de financiering van de Tachtigjarige Oorlog. Dat bleek in de praktijk ook zo te zijn. Aan het eind van zijn leven liet Van Oldenbarnevelt weten dat bij de oprichting voor hem het staatsbelang zwaarder woog dan dat van de aandeelhouders. Vereenigde Oostindische Compagnie - VOC-  in hedendaagse spelling Verenigde Oost-Indische Compagnie, afgekort tot VOC (1602 - 1798/1799), was een particuliere Nederlandse handelsonderneming met een monopolie op de overzeese handel tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan. De VOC was onderverdeeld in vier regionale afdelingen (Amsterdam, Zeeland, West-Friesland en Maaze) met in zes steden een kantoor dat 'kamer' genoemd werd. Het centrale bestuur kwam in handen van de Heren XVII, naar de naam van het aantal door de kamers afgevaardigde bewindhebbers. Het aantal bewindhebbers van elke kamer dat werd afgevaardigd naar de Heren XVII was zo vastgesteld dat Amsterdam geen absolute meerderheid kon krijgen. In Den Haag zetelde het Haags Besogne. Dit was een administratieve commissie binnen de VOC die de correspondentie met Indië controleerde. De VOC werd in 1602 opgericht. Het was destijds het grootste handelsbedrijf ter wereld en was de eerste naamloze vennootschap met vrij verhandelbare aandelen. De VOC wordt vaak genoemd als het eerste bedrijf dat in meerdere landen vestigingen had. De VOC richtte een handelsnetwerk op tussen de diverse handelsposten in de Aziatische regio. Deze intra-Aziatische handel zorgde vele jaren voor grote winsten. De VOC sloot daartoe naar believen tractaten met oosterse potentaten en vorsten. De compagnie sloeg eigen munten, want in Azië was nauwelijks vraag naar Europese producten, afgezien van wapens, wetenschappelijke instrumenten en medische handboeken. De VOC had een eigen leger en oorlogsschepen ter handhaving of uitbreiding van haar positie en om zo nodig handel met de lokale bevolking af te dwingen. De compagnie stortte zich in de eerste jaren in dure militaire campagnes om de Portugezen uit Aziatische handelsposten te verdrijven en andere concurrenten op een afstand te houden. Rond 1700 was de helft van het aantal medewerkers soldaat. Binnen de Aziatische factorijen en het door haar gecontroleerde gebied regelde de compagnie bestuur en rechtspraak. Er werd handel gedreven (soms kort) met onder meer Mokka, Perzië, Gujarat, Malabar, Ceylon, de Coromandelkust, Bengalen, Ayutthaya, Cambodja, Birma, Vietnam, Formosa, China, Japan, Java en de Molukken waar lange tijd de meeste winst werd gemaakt. De VOC stimuleerde ontdekkingsreizen in de hoop op snellere verbindingen, nieuwe handelscontacten en producten, taalonderzoek met de bedoeling het christelijk geloof onder de aandacht van de plaatselijke bevolking te brengen en etnobotanisch onderzoek om het aantal slachtoffers onder haar werknemers te doen afnemen. Op het toppunt van haar macht had de VOC 25.000 werknemers in Azië in dienst. In Nederland had de VOC zo'n 3.000 personeelsleden en indirect waren in de toelevering velen er economisch afhankelijk van. Van hoog tot laag hielden de werknemers zich bezig met smokkel om hun karige salarissen aan te vullen. De VOC had veel te lijden van de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784), toen door de Engelsen meerdere handelsposten ingenomen werden en volle handelsschepen gekaapt werden. De verliezen worden geraamd op mogelijk zestig miljoen toenmalige guldens. Tijdens de Bataafse Republiek werd het bedrijf, machtssymbool van het "oude regime", in maart 1795 genationaliseerd. De schuld bedroeg een jaar later 120 miljoen gulden die de staat overnam. Het octrooi werd nog tweemaal verlengd om de lopende zaken af te handelen. De VOC hield officieel op te bestaan op 31 december 1799. De West-Indische Compagnie -WIC- werd op 3 juni 1621 opgericht naar het voorbeeld van de VOC. Officieel: Geoctroyeerde West-Indische Compagnie (GWIC). In de 17e en 18e eeuw bezat de WIC het staatsmonopolie op de handel en scheepvaart op West-Afrika ten zuiden van de kreeftskeerkring, op Amerika, alsmede op alle eilanden tussen Newfoundland en Straat Magelhaan. Het meest belangrijk was de handel op West-Afrika, de Caraïben en Noord- en Zuid-Amerika. De achterliggende doelstelling en strategie waren de positie van Spanje en Portugal aan te tasten in Afrika en Zuid-Amerika. De WIC kreeg van de Staten-Generaal der Nederlanden de opdracht de oorlog met Spanje uit te breiden naar zee, zodat de aandacht van Spanje werd afgeleid van de Republiek. Anders dan de VOC had de WIC niet het recht om militairen in te zetten. Daarvoor was toestemming van de Staten-Generaal der Nederlanden nodig. De kaapvaart werd een van de belangrijke doelstellingen van de WIC. Het bewapenen van de handelsschepen met kanonnen en soldaten om zich te verdedigen tegenover Spaanse schepen was daarbij van groot belang. Op bijna alle schepen in 1623 gingen 40 à 50 soldaten mee, voor een niet nader genoemde bestemming, mogelijk ter assistentie bij kapen van vijandelijke schepen. De verovering van de Zilvervloot in 1628 door Piet Hein spreekt tot op de dag van vandaag tot de verbeelding. "Over de verdeling van de opbrengst ontstond uiteraard grote ruzie, iedereen was ontevreden over zijn aandeel. Toen de WIC in 1674 door grote financiële problemen haar schulden niet meer kon aflossen, werd het bedrijf ontbonden. Maar vanwege grote vraag naar handel met het westen (voornamelijk handel in slaven), en het feit dat er nog veel koloniën aanwezig waren werd er besloten de Tweede Geoctroyeerde West-Indische compagnie (ook wel Nieuwe West-Indische compagnie genoemd) op te richten in 1675. Deze had hetzelfde handelsgebied als de eerste. Alle schepen, vestingen e.d. werden door het nieuwe bedrijf overgenomen. De Tweede WIC heeft zich vooral beziggehouden met de slavenhandel, al is het niet zo dat slavenhandel ook economisch gezien op de eerste plaats kwam. In geld uitgedrukt nam de goudhandel een veel belangrijker plaats in. Ruim 75% van de omzet werd door dit edelmetaal in beslag genomen, gevolgd door de slavenhandel, welke slechts een waarde van 13% vertegenwoordigde. Toch vormde de slavenvaart, waarin de bewindhebbers een zeer groot deel van het bedrijfskapitaal hadden geïnvesteerd, de omvangrijkste scheepvaartactiviteit van de WIC. In de periode 1674-1740 heeft de compagnie 383 schepen uitgereed. Van alle slavenreizen die zijn gemaakt, werden er 235 met eigen vaartuigen, 134 met gehuurde schepen en 14 met in beslag genomen smokkelschepen uitgevoerd. De eigenlijke organisatie van de slavenreizen berustte bij de verschillende kamers, die daarvoor speciale commissies in het leven hadden geroepen. Zo telde de ‘’commissie tot de saaken van de slavenhandel’’ in de kamer Amsterdam vijf leden, waarmee zij de grootste commissie van deze kamer was. De reis begon in een van de vele Nederlandse havens. Van daar voeren de Hollanders langs de Afrikaanse kust en stopten in een van de Nederlandse forten aan de Goudkust. De belangrijksten waren Elmina en Accra. Aan de slaven werden nauwkeurige eisen gesteld. Voor leverbare slaven werden gehouden: “… degene die niet blind, lam nog gebroken sijn, ende ook dewelke geen besmettelijke siekte hebben”. Verder werd bepaald welke leeftijd de slaven mochten hebben en wat hun marktwaarde was. Volwaardige slaven waren vijftien tot en met zesendertig jaar oud, slaven ouder dan zesendertig kwamen niet in aanmerking voor transport, slaven van zes tot vijftien jaar telden als drie voor de prijs van twee en van twee tot zes jaar twee voor de prijs van één. Voor een slaaf moest volgens het contract tweehonderd gulden worden betaald. Planters van suikerplantages kregen korting. De rekening moest voor een derde voldaan worden in suiker. De betaling diende te gebeuren veertien dagen na de ontvangst van de gekochte slaven, waarbij het deel suiker belangrijker was dan het geld, dat eventueel later voldaan mocht worden. De grootste schepen die voor de slavenvaart werden uitgerust, waren fluiten, pinassen en fregatten. Dergelijke vaartuigen waren tussen de 100 en 120 voet lang en vervoerden gemiddeld zeshonderd slaven per reis. Bij het vaststellen van de ‘toerbeurten’ hanteerden men de standaard van vijfhonderd slaven voor grote schepen. In de praktijk viel het aantal vervoerde slaven altijd hoger uit dan de standaard aangaf. Deze grote slavenschepen werden bewapend met vijftien tot twintig stukken geschut en hadden een bemanning van vijfenveertig tot zestig man. De gemiddelde reisduur van een slavenschip was 516 dagen, inclusief de wachttijd in Afrika en Amerika en de terugreis naar de Republiek. De slaven werden voor 200 gulden (ongeveer een jaarloon voor een arbeider) verkocht aan tussenhandelaren en deze brachten ze onder andere naar Suriname, Berbice, Essequibo of Sint Maarten, waar ze aan plantage-eigenaren verkocht werden. De WIC nam suiker mee terug naar Nederland, waarna ze weer naar West-Afrika gingen, daarom ook wel de driehoeksvaart genoemd. In 1792 werd de tweede WIC als gevolg van teruglopende inkomsten opgeheven. De compagnie had sinds het vrijgeven van de slavenhandel enkel als bestuursapparaat gefungeerd. Rond 1800 werd er zonder succes geprobeerd een Derde WIC op te richten, maar de aanplant van suikerbieten zou op den duur het plantagesysteem en de slavenhandel op een succesvolle manier ondermijnen. Ook buiten Europa ging het de Republiek voor de wind. De Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) en de Nederlandse West-Indische Compagnie verkregen niet alleen het monopolie op de specerijenhandel, ook beheersten hun schepen de wereldzeeën. Dit was zeer tegen de zin van Engeland, dat na-ijverig was op het economisch succes van de Republiek. Hoewel zij allebei tegen de Spanjaarden gevochten hadden tijdens de Tachtigjarige Oorlog, stonden de twee landen lijnrecht tegenover elkaar toen de Republiek een groot koloniaal rijk veroverde. Dit leidde tot de Engelse oorlogen. Korte tijd leek de Republiek zeer succesvol in Brazilië. De Nederlanders waren erin geslaagd de kust tussen de monding van de Amazone en de São Francisco (een rivier ten zuiden van Recife) op de Portugezen te veroveren. Onder gouverneur-generaal Johan Maurits van Nassau-Siegen (1637-1644) was de lucratieve suikerhandel grotendeels in Nederlandse handen. Curaçao werd veroverd in 1634. In 1648 waren ook Aruba en Bonaire in Nederlandse handen. Een veelbelovende kolonie in Noord-Amerika was Nieuw-Amsterdam. Ook de prominente rol die Nederland later zou spelen in de slavenhandel was het gevolg van een reeks veroveringen op de Portugezen. Handelsroutes van slaven liepen in de zeventiende eeuw grotendeels via Elmina in Ghana (Goudkust) naar Brazilië en de Caribische eilanden. Elmina werd in 1637 veroverd, Axim in 1642. In 1641 werd onder aanvoering van Pieter Cornelisz. Jol ook Angola veroverd. De politieke structuur van de Republiek kreeg haar beslag tussen 1572 en 1609. In de beginjaren van de nieuwe staat was het aanvankelijk onduidelijk en een punt van discussie of voor een republikeins dan wel voor een monarchistisch staatsbestel gekozen zou worden. De Staten van Holland waren in meerderheid voorstander van een staat zonder vorst. Gezien de dominante positie van Holland is het niet verwonderlijk dat de voorstanders van een republiek aan het langste eind trokken. Binnen de context van Europa als geheel was het een opmerkelijke en ook revolutionaire keuze. Johan van Oldenbarnevelt heeft in hoge mate een stempel gedrukt op het politiek bestel zoals dat tijdens de eerste decennia na de moord op Willem van Oranje vorm kreeg. Hij was ontegenzeggelijk de politieke leider; de fundamentele beslissingen wat betreft het buitenlands beleid werden door hem genomen. Steeds stond voor Van Oldenbarnevelt het belang van Holland voorop. Onwillige provincies werden vroeg of laat tot de orde geroepen. In financieel opzicht waren alle gewesten van Holland afhankelijk. Ondanks het feit dat pas de Vrede van Utrecht in 1713 definitief afbreuk deed aan de rol van grote mogendheid , die de Republiek gedurende de gehele zeventiende eeuw had gespeeld, was de economische neergang al vanaf de jaren zeventig van de zeventiende eeuw zichtbaar. Dat wil zeggen: nadat de Nederlandse economie tussen 1647 en 1672 haar hoogtepunt had bereikt, verloren de Nederlanders nu gaandeweg terrein. Zij bleven de wereldeconomie, de handel in het bijzonder, echter beheersen tot ~1720. Een buitenplaats, hofstede of landhuis is een (zomer)verblijf voor rijke stedelingen. Deze investeerden vanaf het einde van de zestiende eeuw hun spaargeld in landhuizen en landbezit. Dit deed men om 's zomers de stank, de pest en de drukte in de steden te vermijden. Om het kavel rendabel te maken werd er een boerderij gebouwd, die werd verpacht. De boerderij (hofstede) was aanvankelijk voorzien van een aparte herenkamer, een luxe kamer, die door de landheer en zijn familie ’s zomers kon worden gebruikt voor hun verpozing. Omdat de eigenaren steeds rijker werden in het midden van de 17e eeuw, werd er in de loop der jaren een apart buitenhuis, naast de boerderij op het landgoed gebouwd. Uiteindelijk ontwikkelde deze trend zich vanaf het einde van de 17e eeuw in de bouw van luxueuze buitenplaatsen met barokke, symmetrische siertuinen. Buitenplaatsen liggen meestal in landschappelijk aantrekkelijke gebieden die tegelijkertijd ook goed vanuit de stad bereikbaar waren, zoals aan de Vecht, de Amstel, in het Kennemerland, het Gooi, aan de Vliet en aan de duinrand bij Wassenaar en Den Haag. Ook in polders als de Watergraafsmeer en de Beemster waren veel buitenplaatsen te vinden, evenals op het eiland Walcheren.  
 Illustration von William Blake für Captain John Stedman, 1796.  Johan Huydecoper van Maarsseveen, die bewindvoerder van de VOC, schepen en meerdere malen burgemeester van Amsterdam was, liet in 1628 het buitenhuis Goudestein bouwen. Auteur:  Marcelmulder68 Creative Commons-licentie Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Nederland Terug vorige pagina Geneeskunde

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Gouden Eeuw - VOC - Rembrandt - Spinoza (vervolg)  
De overzeese specerijenhandel en de aanleiding tot en de oprichting van de VOC Tussen 1498 en 1595 was de specerijenhandel op Oost-Indië volledig in handen van de Portugezen, gedekt door het pauselijke Verdrag van Tordesillas. Nadat Portugal met Spanje - waarmee de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in oorlog was - één land was geworden, werd het de Nederlanders verboden om Spaanse en Portugese havens aan te doen. Daarop werd in de republiek besloten om zelf de specerijen te gaan halen in Oost-Indië. Er ontstonden vanaf 1595 meerdere compagnieën met handel op Oost-Indië. Raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt was niet de enige die vond dat de concurrentie de winst drukte. Daarnaast konden de kleine compagnieën geen rol spelen in de strijd tegen de koning van Spanje. Een grote verenigde compagnie zou daarentegen in zijn ogen een krachtig militair én economisch wapen zijn, en hij dwong de compagnieën te fuseren. De inkomsten die de VOC in de vorm van allerlei belastingen en accijnzen voor de staat zou genereren, werden voor het land van groot belang geacht voor de financiering van de Tachtigjarige Oorlog. Dat bleek in de praktijk ook zo te zijn. Aan het eind van zijn leven liet Van Oldenbarnevelt weten dat bij de oprichting voor hem het staatsbelang zwaarder woog dan dat van de aandeelhouders. Vereenigde Oostindische Compagnie - VOC-  in hedendaagse spelling Verenigde Oost-Indische Compagnie, afgekort tot VOC (1602 - 1798/1799), was een particuliere Nederlandse handelsonderneming met een monopolie op de overzeese handel tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan. De VOC was onderverdeeld in vier regionale afdelingen (Amsterdam, Zeeland, West-Friesland en Maaze) met in zes steden een kantoor dat 'kamer' genoemd werd. Het centrale bestuur kwam in handen van de Heren XVII, naar de naam van het aantal door de kamers afgevaardigde bewindhebbers. Het aantal bewindhebbers van elke kamer dat werd afgevaardigd naar de Heren XVII was zo vastgesteld dat Amsterdam geen absolute meerderheid kon krijgen. In Den Haag zetelde het Haags Besogne. Dit was een administratieve commissie binnen de VOC die de correspondentie met Indië controleerde. De VOC werd in 1602 opgericht. Het was destijds het grootste handelsbedrijf ter wereld en was de eerste naamloze vennootschap met vrij verhandelbare aandelen. De VOC wordt vaak genoemd als het eerste bedrijf dat in meerdere landen vestigingen had. De VOC richtte een handelsnetwerk op tussen de diverse handelsposten in de Aziatische regio. Deze intra- Aziatische handel zorgde vele jaren voor grote winsten. De VOC sloot daartoe naar believen tractaten met oosterse potentaten en vorsten. De compagnie sloeg eigen munten, want in Azië was nauwelijks vraag naar Europese producten, afgezien van wapens, wetenschappelijke instrumenten en medische handboeken. De VOC had een eigen leger en oorlogsschepen ter handhaving of uitbreiding van haar positie en om zo nodig handel met de lokale bevolking af te dwingen. De compagnie stortte zich in de eerste jaren in dure militaire campagnes om de Portugezen uit Aziatische handelsposten te verdrijven en andere concurrenten op een afstand te houden. Rond 1700 was de helft van het aantal medewerkers soldaat. Binnen de Aziatische factorijen en het door haar gecontroleerde gebied regelde de compagnie bestuur en rechtspraak. Er werd handel gedreven (soms kort) met onder meer Mokka, Perzië, Gujarat, Malabar, Ceylon, de Coromandelkust, Bengalen, Ayutthaya, Cambodja, Birma, Vietnam, Formosa, China, Japan, Java en de Molukken waar lange tijd de meeste winst werd gemaakt. De VOC stimuleerde ontdekkingsreizen in de hoop op snellere verbindingen, nieuwe handelscontacten en producten, taalonderzoek met de bedoeling het christelijk geloof onder de aandacht van de plaatselijke bevolking te brengen en etnobotanisch onderzoek om het aantal slachtoffers onder haar werknemers te doen afnemen. Op het toppunt van haar macht had de VOC 25.000 werknemers in Azië in dienst. In Nederland had de VOC zo'n 3.000 personeelsleden en indirect waren in de toelevering velen er economisch afhankelijk van. Van hoog tot laag hielden de werknemers zich bezig met smokkel om hun karige salarissen aan te vullen. De VOC had veel te lijden van de Vierde Engels- Nederlandse Oorlog (1780-1784), toen door de Engelsen meerdere handelsposten ingenomen werden en volle handelsschepen gekaapt werden. De verliezen worden geraamd op mogelijk zestig miljoen toenmalige guldens. Tijdens de Bataafse Republiek werd het bedrijf, machtssymbool van het "oude regime", in maart 1795 genationaliseerd. De schuld bedroeg een jaar later 120 miljoen gulden die de staat overnam. Het octrooi werd nog tweemaal verlengd om de lopende zaken af te handelen. De VOC hield officieel op te bestaan op 31 december 1799. De West-Indische Compagnie -WIC- werd op 3 juni 1621 opgericht naar het voorbeeld van de VOC. Officieel: Geoctroyeerde West-Indische Compagnie (GWIC). In de 17e en 18e eeuw bezat de WIC het staatsmonopolie op de handel en scheepvaart op West-Afrika ten zuiden van de kreeftskeerkring, op Amerika, alsmede op alle eilanden tussen Newfoundland en Straat Magelhaan. Het meest belangrijk was de handel op West-Afrika, de Caraïben en Noord- en Zuid- Amerika. De achterliggende doelstelling en strategie waren de positie van Spanje en Portugal aan te tasten in Afrika en Zuid-Amerika. De WIC kreeg van de Staten-Generaal der Nederlanden de opdracht de oorlog met Spanje uit te breiden naar zee, zodat de aandacht van Spanje werd afgeleid van de Republiek. Anders dan de VOC had de WIC niet het recht om militairen in te zetten. Daarvoor was toestemming van de Staten-Generaal der Nederlanden nodig. De kaapvaart werd een van de belangrijke doelstellingen van de WIC. Het bewapenen van de handelsschepen met kanonnen en soldaten om zich te verdedigen tegenover Spaanse schepen was daarbij van groot belang. Op bijna alle schepen in 1623 gingen 40 à 50 soldaten mee, voor een niet nader genoemde bestemming, mogelijk ter assistentie bij kapen van vijandelijke schepen. De verovering van de Zilvervloot in 1628 door Piet Hein spreekt tot op de dag van vandaag tot de verbeelding. "Over de verdeling van de opbrengst ontstond uiteraard grote ruzie, iedereen was ontevreden over zijn aandeel. Toen de WIC in 1674 door grote financiële problemen haar schulden niet meer kon aflossen, werd het bedrijf ontbonden. Maar vanwege grote vraag naar handel met het westen (voornamelijk handel in slaven), en het feit dat er nog veel koloniën aanwezig waren werd er besloten de Tweede Geoctroyeerde West-Indische compagnie (ook wel Nieuwe West- Indische compagnie genoemd) op te richten in 1675. Deze had hetzelfde handelsgebied als de eerste. Alle schepen, vestingen e.d. werden door het nieuwe bedrijf overgenomen. De Tweede WIC heeft zich vooral beziggehouden met de slavenhandel, al is het niet zo dat slavenhandel ook economisch gezien op de eerste plaats kwam. In geld uitgedrukt nam de goudhandel een veel belangrijker plaats in. Ruim 75% van de omzet werd door dit edelmetaal in beslag genomen, gevolgd door de slavenhandel, welke slechts een waarde van 13% vertegenwoordigde. Toch vormde de slavenvaart, waarin de bewindhebbers een zeer groot deel van het bedrijfskapitaal hadden geïnvesteerd, de omvangrijkste scheepvaartactiviteit van de WIC. In de periode 1674-1740 heeft de compagnie 383 schepen uitgereed. Van alle slavenreizen die zijn gemaakt, werden er 235 met eigen vaartuigen, 134 met gehuurde schepen en 14 met in beslag genomen smokkelschepen uitgevoerd. De eigenlijke organisatie van de slavenreizen berustte bij de verschillende kamers, die daarvoor speciale commissies in het leven hadden geroepen. Zo telde de ‘’commissie tot de saaken van de slavenhandel’’ in de kamer Amsterdam vijf leden, waarmee zij de grootste commissie van deze kamer was. De reis begon in een van de vele Nederlandse havens. Van daar voeren de Hollanders langs de Afrikaanse kust en stopten in een van de Nederlandse forten aan de Goudkust. De belangrijksten waren Elmina en Accra. Aan de slaven werden nauwkeurige eisen gesteld. Voor leverbare slaven werden gehouden: degene die niet blind, lam nog gebroken sijn, ende ook dewelke geen besmettelijke siekte hebben. Verder werd bepaald welke leeftijd de slaven mochten hebben en wat hun marktwaarde was. Volwaardige slaven waren vijftien tot en met zesendertig jaar oud, slaven ouder dan zesendertig kwamen niet in aanmerking voor transport, slaven van zes tot vijftien jaar telden als drie voor de prijs van twee en van twee tot zes jaar twee voor de prijs van één. Voor een slaaf moest volgens het contract tweehonderd gulden worden betaald. Planters van suikerplantages kregen korting. De rekening moest voor een derde voldaan worden in suiker. De betaling diende te gebeuren veertien dagen na de ontvangst van de gekochte slaven, waarbij het deel suiker belangrijker was dan het geld, dat eventueel later voldaan mocht worden. De grootste schepen die voor de slavenvaart werden uitgerust, waren fluiten, pinassen en fregatten. Dergelijke vaartuigen waren tussen de 100 en 120 voet lang en vervoerden gemiddeld zeshonderd slaven per reis. Bij het vaststellen van de ‘toerbeurten’ hanteerden men de standaard van vijfhonderd slaven voor grote schepen. In de praktijk viel het aantal vervoerde slaven altijd hoger uit dan de standaard aangaf. Deze grote slavenschepen werden bewapend met vijftien tot twintig stukken geschut en hadden een bemanning van vijfenveertig tot zestig man. De gemiddelde reisduur van een slavenschip was 516 dagen, inclusief de wachttijd in Afrika en Amerika en de terugreis naar de Republiek. De slaven werden voor 200 gulden (ongeveer een jaarloon voor een arbeider) verkocht aan tussenhandelaren en deze brachten ze onder andere naar Suriname, Berbice, Essequibo of Sint Maarten, waar ze aan plantage-eigenaren verkocht werden. De WIC nam suiker mee terug naar Nederland, waarna ze weer naar West-Afrika gingen, daarom ook wel de driehoeksvaart genoemd. In 1792 werd de tweede WIC als gevolg van teruglopende inkomsten opgeheven. De compagnie had sinds het vrijgeven van de slavenhandel enkel als bestuursapparaat gefungeerd. Rond 1800 werd er zonder succes geprobeerd een Derde WIC op te richten, maar de aanplant van suikerbieten zou op den duur het plantagesysteem en de slavenhandel op een succesvolle manier ondermijnen. Ook buiten Europa ging het de Republiek voor de wind. De Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) en de Nederlandse West-Indische Compagnie verkregen niet alleen het monopolie op de specerijenhandel, ook beheersten hun schepen de wereldzeeën. Dit was zeer tegen de zin van Engeland, dat na-ijverig was op het economisch succes van de Republiek. Hoewel zij allebei tegen de Spanjaarden gevochten hadden tijdens de Tachtigjarige Oorlog, stonden de twee landen lijnrecht tegenover elkaar toen de Republiek een groot koloniaal rijk veroverde. Dit leidde tot de Engelse oorlogen. Korte tijd leek de Republiek zeer succesvol in Brazilië. De Nederlanders waren erin geslaagd de kust tussen de monding van de Amazone en de São Francisco (een rivier ten zuiden van Recife) op de Portugezen te veroveren. Onder gouverneur-generaal Johan Maurits van Nassau- Siegen (1637-1644) was de lucratieve suikerhandel grotendeels in Nederlandse handen. Curaçao werd veroverd in 1634. In 1648 waren ook Aruba en Bonaire in Nederlandse handen. Een veelbelovende kolonie in Noord-Amerika was Nieuw-Amsterdam. Ook de prominente rol die Nederland later zou spelen in de slavenhandel was het gevolg van een reeks veroveringen op de Portugezen. Handelsroutes van slaven liepen in de zeventiende eeuw grotendeels via Elmina in Ghana (Goudkust) naar Brazilië en de Caribische eilanden. Elmina werd in 1637 veroverd, Axim in 1642. In 1641 werd onder aanvoering van Pieter Cornelisz. Jol ook Angola veroverd. De politieke structuur van de Republiek kreeg haar beslag tussen 1572 en 1609. In de beginjaren van de nieuwe staat was het aanvankelijk onduidelijk en een punt van discussie of voor een republikeins dan wel voor een monarchistisch staatsbestel gekozen zou worden. De Staten van Holland waren in meerderheid voorstander van een staat zonder vorst. Gezien de dominante positie van Holland is het niet verwonderlijk dat de voorstanders van een republiek aan het langste eind trokken. Binnen de context van Europa als geheel was het een opmerkelijke en ook revolutionaire keuze. Johan van Oldenbarnevelt heeft in hoge mate een stempel gedrukt op het politiek bestel zoals dat tijdens de eerste decennia na de moord op Willem van Oranje vorm kreeg. Hij was ontegenzeggelijk de politieke leider; de fundamentele beslissingen wat betreft het buitenlands beleid werden door hem genomen. Steeds stond voor Van Oldenbarnevelt het belang van Holland voorop. Onwillige provincies werden vroeg of laat tot de orde geroepen. In financieel opzicht waren alle gewesten van Holland afhankelijk. Ondanks het feit dat pas de Vrede van Utrecht in 1713 definitief afbreuk deed aan de rol van grote mogendheid , die de Republiek gedurende de gehele zeventiende eeuw had gespeeld, was de economische neergang al vanaf de jaren zeventig van de zeventiende eeuw zichtbaar. Dat wil zeggen: nadat de Nederlandse economie tussen 1647 en 1672 haar hoogtepunt had bereikt, verloren de Nederlanders nu gaandeweg terrein. Zij bleven de wereldeconomie, de handel in het bijzonder, echter beheersen tot ~1720. Een buitenplaats, hofstede of landhuis is een (zomer)verblijf voor rijke stedelingen. Deze investeerden vanaf het einde van de zestiende eeuw hun spaargeld in landhuizen en landbezit. Dit deed men om 's zomers de stank, de pest en de drukte in de steden te vermijden. Om het kavel rendabel te maken werd er een boerderij gebouwd, die werd verpacht. De boerderij (hofstede) was aanvankelijk voorzien van een aparte herenkamer, een luxe kamer, die door de landheer en zijn familie ’s zomers kon worden gebruikt voor hun verpozing. Omdat de eigenaren steeds rijker werden in het midden van de 17e eeuw, werd er in de loop der jaren een apart buitenhuis, naast de boerderij op het landgoed gebouwd. Uiteindelijk ontwikkelde deze trend zich vanaf het einde van de 17e eeuw in de bouw van luxueuze buitenplaatsen met barokke, symmetrische siertuinen. Buitenplaatsen liggen meestal in landschappelijk aantrekkelijke gebieden die tegelijkertijd ook goed vanuit de stad bereikbaar waren, zoals aan de Vecht, de Amstel, in het Kennemerland, het Gooi, aan de Vliet en aan de duinrand bij Wassenaar en Den Haag. Ook in polders als de Watergraafsmeer en de Beemster waren veel buitenplaatsen te vinden, evenals op het eiland Walcheren.
Auteur:  Marcelmulder68 Creative Commons-licentie Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Nederland  Illustration von William Blake für Captain John Stedman, 1796.  Johan Huydecoper van Maarsseveen, die bewindvoerder van de VOC, schepen en meerdere malen burgemeester van Amsterdam was, liet in 1628 het buitenhuis Goudestein bouwen.