© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Geneeskunde - Medicijnen (vervolg)
De Grieks-Romeinse arts Claudius Galenus was een van de bekendste artsen uit de oudheid. Hij hield zich al bezig met hersen- en oogchirurgie. Zijn geschriften werden in het Middeleeuwse Europa belangrijke werken voor artsen, met name nadat Andreas Vesalius veel van Galenus’ werken vertaalde in het Latijn. Een andere bekende arts uit de Grieks-Romeinse tijd was Aulus Cornelius Celsus. Hij schreef een van de eerste medische encyclopedieën over de Romeinse en Alexandrijnse geneeskunde, die nog tot in de 18e eeuw werd gehanteerd door artsen. De Romeinen kenden al verschillende instrumenten voor geneeskunde, waaronder enkele speciaal voor vrouwen. Ze gebruikten reeds pincetten, scalpels, en scharen, en waren bekend met methodes als hechten en cataractextractie. Perzië profiteerde vanwege zijn centrale ligging van de ontwikkelingen op het gebied van geneeskunde in zowel Griekenland als India. De eerste generatie van Perzische artsen werd opgeleid in de Academie van Gondesjapoer. Tijdens het gouden tijdperk van de islamitische beschaving, droegen moslimartsen sterk bij aan de ontwikkeling van de geneeskunst. Ze hielden zich onder andere bezig met anatomie, oogheelkunde, farmacologie, fysiologie en chirurgie. De islamitische geneeskunst borduurde verder op invloeden uit zowel de Oud-Indische als Oud-Griekse geneeskunst. Zo werden 129 werken van Claudius Galenus in het Arabisch vertaald door Hunayn ibn Ishaq en zijn assistenten. Muhammad ibn Zakarīya Rāzi, ook bekend als Rhazes, was de eerste arts die ethanol gebruikte bij zijn werk als arts. Abu al-Qasim al-Zahravi wordt gezien als de vader van de moderne chirurgie. Hij schreef onder andere de Kitab al-Tasrif (1000), een 30 delen tellende encyclopedie die tot de 17e eeuw zowel aan islamitische als Europese medische scholen werd gebruikt als lesmateriaal. Een andere invloedrijke persoon in de islamitische geneeskunst was Avicenna. Van zijn hand zijn de Canon van de geneeskunde (1025) en Het boek van geneeskunde (1027), die eveneens tot de 17e eeuw vast lesmateriaal waren aan islamitische en Europese scholen. Avicenna deed tevens belangrijk onderzoek naar infectieziektes, zoals het voorkomen van verspreiding door zieke patiënten af te zonderen, en medisch onderzoek. Middeleeuws Europa In het middeleeuwse Europa kwam de geneeskunde na de val van het Romeinse Rijk tijdelijk in een dal terecht. Veel van de oude kennis verdween en werd op grote schaal vervangen door lokale geneeswijzen. In kloosters werden wel de medische geschriften uit de Romeinse tijd bewaard. Deze kloosters hadden vaak speciale ruimtes voor de behandeling van zieken. De kloosters bleven echter vasthouden aan de oude medische kennis van Galenus en Hippocrates, en er werd nauwelijks onderzoek gedaan naar nieuwe geneeswijzen. Het Christendom zag ziektes namelijk als een test van God, en dus als iets dat de zieke zelf moest overwinnen. Georganiseerde, professionele geneeskunde kwam weer op gang na de oprichting van het medisch college Schola Medica Salernitana in Italië. In de 12e eeuw werden universiteiten gesticht waar ook geneeskunde kon worden gestudeerd. Artsen hielden zich echter voornamelijk bezig met kruiden en medicijnen. Chirurgie werd bijna niet toegepast. Alleen chirurgijns hielden zich hiermee bezig. Tijdens de renaissance werd steeds meer geëxperimenteerd met anatomie en bestudering van het lichaam. Andreas Vesalius leverde onder ander een grote bijdrage aan de ontwikkeling van de geneeskunde in Europa door middel van zijn anatomie van de hersenen en andere organen.In de 19e eeuw kwam de geneeskunde weer in een stroomversnelling, mede door verbeteringen op het gebied van scheikunde en laboratoriumtechnieken, maar ook door het vernieuwde denken. Er werd steeds meer geëxperimenteerd en oude stellingen en opvattingen werden niet meer zomaar voor waar aangenomen. Oude ideeën over infectieziekten werden bijvoorbeeld vervangen door nieuwe kennis over virologie en bacteriologie. Tevens ontstond er specialisatie, waarbij artsen en onderzoekers zich toe gingen leggen op een bepaald gedeelte van de geneeskunst. In 1676 ontdekte Antonie van Leeuwenhoek voor het eerst bacteriën en andere micro-organismen met zijn microscoop. Louis Pasteur legde een verband tussen deze micro-organismen en ziektes, en zorgde zo voor een revolutie in de geneeskunde. Hij ontwikkelde samen met Claude Bernard het pasteuriseren (verhitten tot 72 graden Celsius), wat vandaag de dag nog steeds wordt gebruikt. Ignaz Semmelweis (1818–1865) wist in 1847 het aantal sterfgevallen door kraamvrouwenkoorts sterk terug te dringen door artsen die zwangere vrouwen hielpen bij de bevalling aan te raden eerst hun handen goed te reinigen voor ze aan het werk gingen. Zijn bevindingen werden echter niet door de medische gemeenschap erkend totdat de Britse arts Joseph Lister in 1865 het principe van een antisepticum en het reinigen van wonden ontdekte. In de 19e eeuw werden voor het eerst geneesmiddelen voor specifieke ziektes ontwikkeld. Ook werd meer bekend over hoe ziektes voorkomen konden worden door te zorgen voor goede hygiëne. Een nieuwe sprong voorwaarts gebeurde toen Alexander Fleming de penicilline ontdekte in 1928. Na de publicatie van Charles Darwins De oorsprong der soorten, publiceerde Gregor Mendel (1822–1884) in 1865 zijn boek over erfelijkheidsleer, wat later bekend kwam te staan als de Wetten van Mendel. Deze vormde begin 20e eeuw de basis voor klassieke genetica. In 1953 leidde de ontdekking van de structuur van DNA door James Watson en Francis Crick tot de ontwikkeling van moleculaire biologie en moderne genetica. Geneeskunde was oorspronkelijk voornamelijk een vakgebied voor mannen. Vrouwen werkten uitsluitend als zusters of verpleegsters. Onder andere Florence Nightingale droeg bij aan de emancipatie binnen de geneeskunde. Tot de vroege 20e eeuw was de ontwikkeling van de geneeskunde met name in Europa nog nauw verbonden met de kerk. Zo was vaak toestemming van de kerk nodig voor het voorschrijven van medicijnen of het uitvoeren van een operatie. Vandaag de dag is de geneeskunde nog steeds in ontwikkeling.
Foto: Realmastery (CC BY-SA 4.0) Bron: Mackintosh, Donald James Published: William Hodge Edinburgh ; London 1916 Plates 21 & 8 (CC BY 4.0) By: Mackintosh, Donald James Published: W. Hodge Edinburgh and Glasgow 1916 page 80 (CC BY 4.0)

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Geneeskunde - Medicijnen (vervolg)
De Grieks-Romeinse arts Claudius Galenus was een van de bekendste artsen uit de oudheid. Hij hield zich al bezig met hersen- en oogchirurgie. Zijn geschriften werden in het Middeleeuwse Europa belangrijke werken voor artsen, met name nadat Andreas Vesalius veel van Galenus’ werken vertaalde in het Latijn. Een andere bekende arts uit de Grieks-Romeinse tijd was Aulus Cornelius Celsus. Hij schreef een van de eerste medische encyclopedieën over de Romeinse en Alexandrijnse geneeskunde, die nog tot in de 18e eeuw werd gehanteerd door artsen. De Romeinen kenden al verschillende instrumenten voor geneeskunde, waaronder enkele speciaal voor vrouwen. Ze gebruikten reeds pincetten, scalpels, en scharen, en waren bekend met methodes als hechten en cataractextractie. Perzië profiteerde vanwege zijn centrale ligging van de ontwikkelingen op het gebied van geneeskunde in zowel Griekenland als India. De eerste generatie van Perzische artsen werd opgeleid in de Academie van Gondesjapoer. Tijdens het gouden tijdperk van de islamitische beschaving, droegen moslimartsen sterk bij aan de ontwikkeling van de geneeskunst. Ze hielden zich onder andere bezig met anatomie, oogheelkunde, farmacologie, fysiologie en chirurgie. De islamitische geneeskunst borduurde verder op invloeden uit zowel de Oud-Indische als Oud-Griekse geneeskunst. Zo werden 129 werken van Claudius Galenus in het Arabisch vertaald door Hunayn ibn Ishaq en zijn assistenten. Muhammad ibn Zakarīya Rāzi, ook bekend als Rhazes, was de eerste arts die ethanol gebruikte bij zijn werk als arts. Abu al-Qasim al-Zahravi wordt gezien als de vader van de moderne chirurgie. Hij schreef onder andere de Kitab al- Tasrif (1000), een 30 delen tellende encyclopedie die tot de 17e eeuw zowel aan islamitische als Europese medische scholen werd gebruikt als lesmateriaal. Een andere invloedrijke persoon in de islamitische geneeskunst was Avicenna. Van zijn hand zijn de Canon van de geneeskunde (1025) en Het boek van geneeskunde (1027), die eveneens tot de 17e eeuw vast lesmateriaal waren aan islamitische en Europese scholen. Avicenna deed tevens belangrijk onderzoek naar infectieziektes, zoals het voorkomen van verspreiding door zieke patiënten af te zonderen, en medisch onderzoek. Middeleeuws Europa In het middeleeuwse Europa kwam de geneeskunde na de val van het Romeinse Rijk tijdelijk in een dal terecht. Veel van de oude kennis verdween en werd op grote schaal vervangen door lokale geneeswijzen. In kloosters werden wel de medische geschriften uit de Romeinse tijd bewaard. Deze kloosters hadden vaak speciale ruimtes voor de behandeling van zieken. De kloosters bleven echter vasthouden aan de oude medische kennis van Galenus en Hippocrates, en er werd nauwelijks onderzoek gedaan naar nieuwe geneeswijzen. Het Christendom zag ziektes namelijk als een test van God, en dus als iets dat de zieke zelf moest overwinnen. Georganiseerde, professionele geneeskunde kwam weer op gang na de oprichting van het medisch college Schola Medica Salernitana in Italië. In de 12e eeuw werden universiteiten gesticht waar ook geneeskunde kon worden gestudeerd. Artsen hielden zich echter voornamelijk bezig met kruiden en medicijnen. Chirurgie werd bijna niet toegepast. Alleen chirurgijns hielden zich hiermee bezig. Tijdens de renaissance werd steeds meer geëxperimenteerd met anatomie en bestudering van het lichaam. Andreas Vesalius leverde onder ander een grote bijdrage aan de ontwikkeling van de geneeskunde in Europa door middel van zijn anatomie van de hersenen en andere organen.In de 19e eeuw kwam de geneeskunde weer in een stroomversnelling, mede door verbeteringen op het gebied van scheikunde en laboratoriumtechnieken, maar ook door het vernieuwde denken. Er werd steeds meer geëxperimenteerd en oude stellingen en opvattingen werden niet meer zomaar voor waar aangenomen. Oude ideeën over infectieziekten werden bijvoorbeeld vervangen door nieuwe kennis over virologie en bacteriologie. Tevens ontstond er specialisatie, waarbij artsen en onderzoekers zich toe gingen leggen op een bepaald gedeelte van de geneeskunst. In 1676 ontdekte Antonie van Leeuwenhoek voor het eerst bacteriën en andere micro- organismen met zijn microscoop. Louis Pasteur legde een verband tussen deze micro- organismen en ziektes, en zorgde zo voor een revolutie in de geneeskunde. Hij ontwikkelde samen met Claude Bernard het pasteuriseren (verhitten tot 72 graden Celsius), wat vandaag de dag nog steeds wordt gebruikt. Ignaz Semmelweis (1818–1865) wist in 1847 het aantal sterfgevallen door kraamvrouwenkoorts sterk terug te dringen door artsen die zwangere vrouwen hielpen bij de bevalling aan te raden eerst hun handen goed te reinigen voor ze aan het werk gingen. Zijn bevindingen werden echter niet door de medische gemeenschap erkend totdat de Britse arts Joseph Lister in 1865 het principe van een antisepticum en het reinigen van wonden ontdekte. In de 19e eeuw werden voor het eerst geneesmiddelen voor specifieke ziektes ontwikkeld. Ook werd meer bekend over hoe ziektes voorkomen konden worden door te zorgen voor goede hygiëne. Een nieuwe sprong voorwaarts gebeurde toen Alexander Fleming de penicilline ontdekte in 1928. Na de publicatie van Charles Darwins De oorsprong der soorten, publiceerde Gregor Mendel (1822–1884) in 1865 zijn boek over erfelijkheidsleer, wat later bekend kwam te staan als de Wetten van Mendel. Deze vormde begin 20e eeuw de basis voor klassieke genetica. In 1953 leidde de ontdekking van de structuur van DNA door James Watson en Francis Crick tot de ontwikkeling van moleculaire biologie en moderne genetica. Geneeskunde was oorspronkelijk voornamelijk een vakgebied voor mannen. Vrouwen werkten uitsluitend als zusters of verpleegsters. Onder andere Florence Nightingale droeg bij aan de emancipatie binnen de geneeskunde. Tot de vroege 20e eeuw was de ontwikkeling van de geneeskunde met name in Europa nog nauw verbonden met de kerk. Zo was vaak toestemming van de kerk nodig voor het voorschrijven van medicijnen of het uitvoeren van een operatie. Vandaag de dag is de geneeskunde nog steeds in ontwikkeling.
Foto: Realmastery (CC BY-SA 4.0) Bron: Mackintosh, Donald James Published: William Hodge Edinburgh ; London 1916 Plates 21 & 8 (CC BY 4.0) By: Mackintosh, Donald James Published: W. Hodge Edinburgh and Glasgow 1916 page 80 (CC BY 4.0)