© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Evolutie - Creatie
EVOLUTIE (evolutietheorie): de geleidelijke ontwikkeling van de soorten leven op aarde. CREATIE (creationisme): elke soort is apart door God geschapen. Evolutie: de geleidelijke ontwikkeling uit een gemeenschappelijke afstamming van dier- en plantensoorten. Charles Darwin (1809-1882) wordt beschouwd als de belangrijkste grondlegger van de evolutietheorie, vanwege zijn boek (1859): "On the origin of species by means of natural selection" ("Over de oorsprong van soorten door middel van natuurlijke selectie, of: het behoud van begunstigde rassen in de strijd om het bestaan"). Natuurlijke Selectie: volgens Darwin kan in de strijd om het bestaan het kleinste voordeel van doorslaggevend belang zijn. Organismen met een erfelijke eigenschap, die voor een grotere overlevingskans zorgt, zullen meer nakomelingen krijgen en zo zal de soort met die gunstige aanpassing de overhand krijgen en de ander met de nadelige (geworden) eigenschap (pen) geheel verdringen. Creationisme: creationisten zijn o.a. christenen die op grond van het bijbelboek Genesis, geloven dat God de wereld (inclusief al de soorten leven) in 6 dagen geschapen heeft, en dat die schepping toevertrouwd is aan de mens. Het gelijk van beiden: God schiep al de soorten leven met in zich de mogelijkheid van geleidelijke aanpassing. Met andere woorden: de evolutie is een onderdeel van de schepping. Evolutie - Creatie: Niet levende dingen noemen we 'materie' en al wat leeft 'organisch'. Een leven heet een organisme (zoals alle planten, dieren, schimmels en bacteriën), die kan bestaan uit één of meer cellen. De eencelligen waren het eerst op aarde (bacteriën). Zij 'produceren zuurstof' en maakten daarmee de weg vrij voor organismen die 'zuurstof' nodig hebben om te kunnen leven, zoals wij mensen en de andere dieren (meercelligen). Het leven is gebaseerd op een zogenaamde voedselketen: eten en gegeten worden. De koe eet gras, wij eten de koe. Door dit systeem konden er zoveel verschillende soorten van organismen ontstaan. Plantaardige soorten leefden in de oceanen en breidden zich uit naar het land. De eerste dieren die planten aten leefden daarom in de zee en later ook op het land. Deze planteneters kregen in de voedselketen de vleesetende dieren (roofdieren) achter zich aan. De mens staat boven aan de voedselketen, maar is op zijn beurt niet eeuwig levend, wordt belaagd door ziektenverwekkers, is kwetsbaar voor ongevallen en opzet door andere mensen of ontmoetingen met andere roofdieren. Een dood lichaam wordt uiteindelijk weer gegeten door bacteriën. Planten, fotosynthese: Al het dierlijk leven, en dus ook de mens, heeft zuurstof (gas) nodig (inademen) om te kunnen leven, vervolgens wordt koolstofdioxide (gas) uitgeademd. Toen het leven op aarde begon, bestond de lucht voor een groot deel uit koolstofdioxide, en was er geen zuurstof in de lucht. Fotosynthese: de planten, die voor de dieren al op aarde waren, gebruiken koolstofdioxide en 'ademen' zuurstof uit. Dit gebeurt via een ingewikkeld proces, dat we fotosynthese noemen: onder invloed van het zonlicht wordt het koolstofdioxide in de groene bladkorrels (dat bladgroen wordt 'chlorofyl' genoemd) omgezet in voor hen bruikbare stoffen (voedsel-energie) waarbij zuurstof vrijkomt. Dankzij de planten werd er in vele jaren genoeg zuurstof opgebouwd in de atmosfeer (lucht) voor de ontwikkeling van diersoorten, met uiteindelijk de mens. Hierdoor ontstond een kringloop: een belangrijk evenwicht, dat momenteel verstoord wordt door de mens, die veel koolstofdioxide (door verbranding van aardolieproducten, denk aan uitlaatgassen van auto's, vliegtuigen en industrie) de lucht inblaast, terwijl die aan de andere kant de bomen (planten), die het koolstofdioxide omzetten in zuurstof, ook nog eens massaal kapt (ontbossing). Wereldwijd pleit men voor maatregelen. Taxonomie: Als we over plant- en/of diersoorten praten (biologie), is het van belang dat we dezelfde naam voor "hetzelfde beestje" gebruiken, anders onstaat er verwaring. Dit noemen we de Taxonomie: het vinden, beschrijven, indelen en benoemen van organismen; dit gebeurt in Latijnse namen. In de biologie is het werk van Linnaeus in de 18e eeuw zeer belangrijk. Bij het classificeren (indelen) van planten en dieren was al snel de gedachte opgekomen, dat sommige soorten meer op elkaar lijken dan andere. Linnaeus sprak al van 'families', 'geslachten' en 'soorten'. Zijn werk was vooral gebaseerd op de uitwendige bouw van planten en dieren. In de eeuwen daarna ontdekte men steeds meer, zoals dat het afstammen van soorten (verwantschap) met de ontdekking van het DNA (1869) een nauwkeuriger inzicht geeft. DNA is de belangrijkste drager van erfelijke informatie in de cel (len) van alle bekende organismen. Indelingsvoorbeeld: de mens behoort tot de familie Hominidae (Grote mensapen en mensachtigen); de wetenschappelijke naam voor mens is "Homo sapiens", en bestaat uit de geslachtsnaam Homo, die in het Latijn "mens" betekent, en de eveneens Latijnse soortnaam 'sapiens', die "verstandig" of "wijs" betekent. Dat verstandige lijkt wensvol denken. Natuurlijke selectie: houdt in, dat organismen die beter in hun omgeving passen, meer kans hebben om te overleven en voor nakomelingen te zorgen, dan minder goed aangepaste organismen. Daardoor hebben zij een betere kans tot overleven en zullen zij steeds meer de overhand nemen in de populatie (groep): we noemen dit "survival of the fittest" ofwel 'overleven van de best aangepaste'. Een paartje konijnen dat in een veilige omgeving met voldoende voedsel wordt geplaatst zonder roofdieren, kan zich in enkele generaties enorm vermenigvuldigen. In de natuur blijft de konijnenstand echter gemiddeld genomen gelijk. Er gaan dus aanzienlijke aantallen konijnen dood, voor ze zich kunnen voortplanten. De konijnen zijn niet allemaal precies hetzelfde. Sommigen krijgen een ziekte, andere worden met een kreupel pootje geboren, andere gaan teveel op in wat ze aan het doen zijn en kijken niet goed om zich heen. Natuurlijke selectie nu, houdt in, dat het konijn met het kreupele pootje en het konijn dat niet goed oplet, meer kans maken door een vos te worden opgegeten, dan een konijn dat wel goed kan rennen en goed om zich heen kijkt. Over een termijn van duizenden en miljoenen jaren, zal een soort daarom geleidelijk veranderen. Mens - Domesticatie: Selectie kan ook op een niet-natuurlijke wijze plaatsvinden. Bijvoorbeeld door domesticatie: is het proces waarmee de mens dieren en planten door selectie en fokken zodanig van eigenschappen verandert, dat deze steeds meer aangepast raken aan het leven dichtbij en in dienst van de mens. Zeker als de mens ook bepaalt hoe deze exemplaren zich (mogen) voortplanten, leidt dit tot veel snellere veranderingen. Zo zijn in slechts enkele honderden jaren vele hondenrassen ontstaan. Een Russische onderzoeker ging zilvervossen kweken op tamheid en sociaal gedrag, ten opzichte van de mens. Binnen opvallend korte tijd had hij een vossenras 'geproduceerd', dat niet alleen in zijn gedrag, maar ook in zijn uiterlijk sterk op een hond leek. Een recente ontwikkeling is de 'genetische manipulatie': rechtstreeks ingrijpen in het erfelijk materiaal, de genen. Het eerste gedomesticeerde dier was de hond, die waarschijnlijk al tienduizenden jaren geleden werd gedomesticeerd. De hond werd gevolgd door de geit, het schaap en het varken, al rond 8000 v. Chr. De koe volgde rond 6000 v. Chr., het paard werd rond 4000 v. Chr. gedomesticeerd en de cavia ongeveer 1000 v. Chr. Paleontologie, is de wetenschap die de ontwikkeling van het leven op onze planeet in het geologisch verleden bestudeert met behulp van fossielen. Geologie, is de wetenschap die de Aarde, haar geschiedenis en de processen die haar vormen en gevormd hebben, bestudeert. Fossiel: een bewaard gebleven overblijfsel van leven. Onder fossiele overblijfselen verstaat men, alle resten en sporen van planten en dieren die geconserveerd (bewaard gebleven) zijn in de aardbodem. Hoewel dat vaak wordt gedacht, hoeven fossielen niet 'versteend' te zijn. De paleontologie omvat tevens het bestuderen van de afstamming en verwantschap van uitgestorven soorten met nu levende organismen, hun leefomgeving (paleomilieu) en de geschiedenis van de Aarde. Paleontologen verrichten zowel praktisch veldwerk (opgravingen, expedities etc.) als theoretisch, natuurwetenschappelijk onderzoek in laboratoria, zoals het determineren (o.a. vaststellen van de soort) en dateren van fossielen.
portret door Julia Margaret Cameron. Bron/fotograaf: Jon Sullivan (PD Photo.org). Lithografie uit Haeckels Kunstformen der Natur (1904).

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Evolutie - Creatie
EVOLUTIE (evolutietheorie): de geleidelijke ontwikkeling van de soorten leven op aarde. CREATIE (creationisme): elke soort is apart door God geschapen. Evolutie: de geleidelijke ontwikkeling uit een gemeenschappelijke afstamming van dier- en plantensoorten. Charles Darwin (1809-1882) wordt beschouwd als de belangrijkste grondlegger van de evolutietheorie, vanwege zijn boek (1859): "On the origin of species by means of natural selection" ("Over de oorsprong van soorten door middel van natuurlijke selectie, of: het behoud van begunstigde rassen in de strijd om het bestaan"). Natuurlijke Selectie: volgens Darwin kan in de strijd om het bestaan het kleinste voordeel van doorslaggevend belang zijn. Organismen met een erfelijke eigenschap, die voor een grotere overlevingskans zorgt, zullen meer nakomelingen krijgen en zo zal de soort met die gunstige aanpassing de overhand krijgen en de ander met de nadelige (geworden) eigenschap (pen) geheel verdringen. Creationisme: creationisten zijn o.a. christenen die op grond van het bijbelboek Genesis, geloven dat God de wereld (inclusief al de soorten leven) in 6 dagen geschapen heeft, en dat die schepping toevertrouwd is aan de mens. Het gelijk van beiden: God schiep al de soorten leven met in zich de mogelijkheid van geleidelijke aanpassing. Met andere woorden: de evolutie is een onderdeel van de schepping. Evolutie - Creatie: Niet levende dingen noemen we 'materie' en al wat leeft 'organisch'. Een leven heet een organisme (zoals alle planten, dieren, schimmels en bacteriën), die kan bestaan uit één of meer cellen. De eencelligen waren het eerst op aarde (bacteriën). Zij 'produceren zuurstof' en maakten daarmee de weg vrij voor organismen die 'zuurstof' nodig hebben om te kunnen leven, zoals wij mensen en de andere dieren (meercelligen). Het leven is gebaseerd op een zogenaamde voedselketen: eten en gegeten worden. De koe eet gras, wij eten de koe. Door dit systeem konden er zoveel verschillende soorten van organismen ontstaan. Plantaardige soorten leefden in de oceanen en breidden zich uit naar het land. De eerste dieren die planten aten leefden daarom in de zee en later ook op het land. Deze planteneters kregen in de voedselketen de vleesetende dieren (roofdieren) achter zich aan. De mens staat boven aan de voedselketen, maar is op zijn beurt niet eeuwig levend, wordt belaagd door ziektenverwekkers, is kwetsbaar voor ongevallen en opzet door andere mensen of ontmoetingen met andere roofdieren. Een dood lichaam wordt uiteindelijk weer gegeten door bacteriën. Planten, fotosynthese: Al het dierlijk leven, en dus ook de mens, heeft zuurstof (gas) nodig (inademen) om te kunnen leven, vervolgens wordt koolstofdioxide (gas) uitgeademd. Toen het leven op aarde begon, bestond de lucht voor een groot deel uit koolstofdioxide, en was er geen zuurstof in de lucht. Fotosynthese: de planten, die voor de dieren al op aarde waren, gebruiken koolstofdioxide en 'ademen' zuurstof uit. Dit gebeurt via een ingewikkeld proces, dat we fotosynthese noemen: onder invloed van het zonlicht wordt het koolstofdioxide in de groene bladkorrels (dat bladgroen wordt 'chlorofyl' genoemd) omgezet in voor hen bruikbare stoffen (voedsel-energie) waarbij zuurstof vrijkomt. Dankzij de planten werd er in vele jaren genoeg zuurstof opgebouwd in de atmosfeer (lucht) voor de ontwikkeling van diersoorten, met uiteindelijk de mens. Hierdoor ontstond een kringloop: een belangrijk evenwicht, dat momenteel verstoord wordt door de mens, die veel koolstofdioxide (door verbranding van aardolieproducten, denk aan uitlaatgassen van auto's, vliegtuigen en industrie) de lucht inblaast, terwijl die aan de andere kant de bomen (planten), die het koolstofdioxide omzetten in zuurstof, ook nog eens massaal kapt (ontbossing). Wereldwijd pleit men voor maatregelen. Taxonomie: Als we over plant- en/of diersoorten praten (biologie), is het van belang dat we dezelfde naam voor "hetzelfde beestje" gebruiken, anders onstaat er verwaring. Dit noemen we de Taxonomie: het vinden, beschrijven, indelen en benoemen van organismen; dit gebeurt in Latijnse namen. In de biologie is het werk van Linnaeus in de 18e eeuw zeer belangrijk. Bij het classificeren (indelen) van planten en dieren was al snel de gedachte opgekomen, dat sommige soorten meer op elkaar lijken dan andere. Linnaeus sprak al van 'families', 'geslachten' en 'soorten'. Zijn werk was vooral gebaseerd op de uitwendige bouw van planten en dieren. In de eeuwen daarna ontdekte men steeds meer, zoals dat het afstammen van soorten (verwantschap) met de ontdekking van het DNA (1869) een nauwkeuriger inzicht geeft. DNA is de belangrijkste drager van erfelijke informatie in de cel (len) van alle bekende organismen. Indelingsvoorbeeld: de mens behoort tot de familie Hominidae (Grote mensapen en mensachtigen); de wetenschappelijke naam voor mens is "Homo sapiens", en bestaat uit de geslachtsnaam Homo, die in het Latijn "mens" betekent, en de eveneens Latijnse soortnaam 'sapiens', die "verstandig" of "wijs" betekent. Dat verstandige lijkt wensvol denken. Natuurlijke selectie: houdt in, dat organismen die beter in hun omgeving passen, meer kans hebben om te overleven en voor nakomelingen te zorgen, dan minder goed aangepaste organismen. Daardoor hebben zij een betere kans tot overleven en zullen zij steeds meer de overhand nemen in de populatie (groep): we noemen dit "survival of the fittest" ofwel 'overleven van de best aangepaste'. Een paartje konijnen dat in een veilige omgeving met voldoende voedsel wordt geplaatst zonder roofdieren, kan zich in enkele generaties enorm vermenigvuldigen. In de natuur blijft de konijnenstand echter gemiddeld genomen gelijk. Er gaan dus aanzienlijke aantallen konijnen dood, voor ze zich kunnen voortplanten. De konijnen zijn niet allemaal precies hetzelfde. Sommigen krijgen een ziekte, andere worden met een kreupel pootje geboren, andere gaan teveel op in wat ze aan het doen zijn en kijken niet goed om zich heen. Natuurlijke selectie nu, houdt in, dat het konijn met het kreupele pootje en het konijn dat niet goed oplet, meer kans maken door een vos te worden opgegeten, dan een konijn dat wel goed kan rennen en goed om zich heen kijkt. Over een termijn van duizenden en miljoenen jaren, zal een soort daarom geleidelijk veranderen. Mens - Domesticatie: Selectie kan ook op een niet-natuurlijke wijze plaatsvinden. Bijvoorbeeld door domesticatie: is het proces waarmee de mens dieren en planten door selectie en fokken zodanig van eigenschappen verandert, dat deze steeds meer aangepast raken aan het leven dichtbij en in dienst van de mens. Zeker als de mens ook bepaalt hoe deze exemplaren zich (mogen) voortplanten, leidt dit tot veel snellere veranderingen. Zo zijn in slechts enkele honderden jaren vele hondenrassen ontstaan. Een Russische onderzoeker ging zilvervossen kweken op tamheid en sociaal gedrag, ten opzichte van de mens. Binnen opvallend korte tijd had hij een vossenras 'geproduceerd', dat niet alleen in zijn gedrag, maar ook in zijn uiterlijk sterk op een hond leek. Een recente ontwikkeling is de 'genetische manipulatie': rechtstreeks ingrijpen in het erfelijk materiaal, de genen. Het eerste gedomesticeerde dier was de hond, die waarschijnlijk al tienduizenden jaren geleden werd gedomesticeerd. De hond werd gevolgd door de geit, het schaap en het varken, al rond 8000 v. Chr. De koe volgde rond 6000 v. Chr., het paard werd rond 4000 v. Chr. gedomesticeerd en de cavia ongeveer 1000 v. Chr. Paleontologie, is de wetenschap die de ontwikkeling van het leven op onze planeet in het geologisch verleden bestudeert met behulp van fossielen. Geologie, is de wetenschap die de Aarde, haar geschiedenis en de processen die haar vormen en gevormd hebben, bestudeert. Fossiel: een bewaard gebleven overblijfsel van leven. Onder fossiele overblijfselen verstaat men, alle resten en sporen van planten en dieren die geconserveerd (bewaard gebleven) zijn in de aardbodem. Hoewel dat vaak wordt gedacht, hoeven fossielen niet 'versteend' te zijn. De paleontologie omvat tevens het bestuderen van de afstamming en verwantschap van uitgestorven soorten met nu levende organismen, hun leefomgeving (paleomilieu) en de geschiedenis van de Aarde. Paleontologen verrichten zowel praktisch veldwerk (opgravingen, expedities etc.) als theoretisch, natuurwetenschappelijk onderzoek in laboratoria, zoals het determineren (o.a. vaststellen van de soort) en dateren van fossielen.
Lithografie uit Haeckels Kunstformen der Natur (1904). portret door Julia Margaret Cameron. Bron/fotograaf: Jon Sullivan (PD Photo.org).