© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
 Eerste Wereldoorlog (slot)
Aanvankelijk speelde de luchtoorlog een bescheiden rol. Vliegtuigen werden, zoals in de Balkanoorlogen, slechts ingezet voor verkenningsvluchten. Het eerste luchtgevecht vond plaats toen in augustus 1914 een Servisch verkenningsvliegtuig een Oostenrijks-Hongaars toestel tegenkwam. De piloot trok een revolver en schoot op het Servische toestel. Meteen werden alle piloten met revolvers uitgerust, later volgden boordmitrailleurs. Verkenning was en bleef het voornaamste doel van de vliegtuigen. Bombardementen kwamen ook voor, maar hiervoor moest de piloot de bom tussen de benen houden en zelf het toestel uitwerken. Ook werden wel zeppelins ingezet. Deze kolossen konden meer bommen vervoeren en werden door de Duitsers veelvuldig ingezet om Londen te bombarderen. Zij waren echter ook een makkelijk doelwit en zeer kwetsbaar, omdat ze zo groot waren en met waterstof waren gevuld. Naast verkenning en bombardementen, was intimidatie van de bevolking een doel van de inzet van vliegtuigen en zeppelins. Bekend waren de vele "dogfights" tussen de Duitse en geallieerde vliegers. Manfred von Richthofen, oftewel de Rode Baron, behaalde 80 overwinningen. De Fransman René Fonck bleef hier met 75 niet ver achter. Hermann Göring, de latere luchtmaarschalk en nazipartijbons, was ook oorlogsvlieger. Amerikaanse oorlogsdeelname Duitsland beantwoordde de blokkade van de geallieerden met het duikbootwapen. Duitse duikboten schuimden de zeeën af en torpedeerden koopvaarders. Behalve geallieerde schepen, werden ook wel eens neutrale schepen getroffen, zoals de Lusitania. Dit werd de Duitsers door veel neutralen, waaronder de Verenigde Staten, zeer kwalijk genomen. De Amerikanen hielden zich echter lang afzijdig van de oorlog, die ze als een Europese aangelegenheid zagen, vanwege de Monroedoctrine. In 1917 zat er geen beweging in de fronten. Een Duitse poging om de Britse vloot te vernietigen en zo de blokkade te breken was in 1916 met de zeeslag bij Jutland mislukt. De Duitsers vernietigden meer schepen dan de Britten, maar waagden zich niet meer op open zee. Een onbeperkte duikbootoorlog zou de kans geven om het Verenigd Koninkrijk te isoleren en tot overgave te dwingen. Dit zou echter kunnen leiden tot een oorlog met de Verenigde Staten. De Duitsers zetten het plan toch door, maar trachtten Japan en Mexico tot de Centralen te doen toetreden om zo de Amerikanen af te leiden. Een telegram met deze strekking (Zimmermanntelegram) werd echter onderschept door de Britse geheime dienst en doorgespeeld aan de Amerikaanse regering. Naar aanleiding hiervan, en van de onbeperkte duikbootoorlog, kon de vanaf het begin op geallieerde handen zijnde president Woodrow Wilson het Amerikaanse parlement overtuigen om Duitsland op 6 april 1917 de oorlog te verklaren. De Mexicanen hadden echter net de Mexicaanse Revolutie achter de rug en hadden geen behoefte aan nieuwe strijd. Ook Japan zag van deelname af. De Amerikaanse aanwezigheid had, vooral in het begin, een louter psychologische waarde. Zo kolossaal als de Amerikaanse marine was, zo klein was hun landleger. Er was mankracht genoeg, maar er was onvoldoende bewapening. Kanonnen moesten van de Britten worden geleend. De Duitsers zagen echter een nieuw leger tegenover zich dat steeds verder aangroeide. Hun duikboten waren onvoldoende om de oorlogskonvooien tegen te houden. De tijd werkte in hun nadeel: steeds meer troepen stroomden Europa binnen en de ongeschonden Amerikaanse wapenfabrieken draaiden op volle toeren. De slag aan de Schelde werd uitgevochten met een belangrijke inzet van Amerikaanse grondtroepen. Het Flanders Field American Cemetery and Memorial is hiervan een stille getuige. Tussen de Duitse en geallieerde loopgraven lag een strook modder, omgeploegd door granaatexplosies en infanterie, en bezaaid met landmijnen en prikkeldraad. Dit was het niemandsland. Het enige wat groeide op het niemandsland en in de loopgraven was de klaproos (papaver). Daarom staat deze rode bloem symbool voor de Eerste Wereldoorlog. Het leven in de loopgraaf was een nachtmerrie. Loopgraven vormden, met name in het voorjaar, winter en herfst, modderige geulen waarin men tot de knieën in de modder zakte. Alles werd vochtig en smerig en het water drong door kleren en laarzen heen. Dit leidde onder meer tot "loopgravenvoeten", het verweken van langdurig natte voeten met sterk vergrote kans op beschadigingen en daardoor infecties met als uiterste gevolg dood door gangreen. Soms werd gebruikgemaakt van houten planken om de begaanbaarheid te verbeteren; in Duitse loopgraven was dit iets sneller gebruikelijk. Lijken konden vaak door de omstandigheden en de grote aantallen, niet snel worden begraven. Op de lijken en ander afval kwamen ratten af, die zich in hoog tempo konden vermenigvuldigden. Slechts als een deel van het front langere tijd 'in rust' was kon er enige verbetering in de leefomstandigheden worden gerealiseerd. Bij offensieven was het nog erger. De verdedigers werden soms dagenlang aan artilleriebombardementen blootgesteld. Ondertussen trokken de aanvallers troepen samen. Als (men dacht dat) alle vijandelijke artillerie en mitrailleursnesten uitgeschakeld waren viel de infanterie aan, onder dekking van granaatvuur. Soms was de coördinatie niet goed: dan verloren de soldaten hun dekking of werden door de eigen artillerie beschoten. Dit is overigens ook wel opzettelijk gedaan als de infanterie niet snel genoeg opschoot. Zo maakten de soldaten de oversteek over het niemandsland naar de vijandelijke loopgraaf. De verdedigers wisten echter meestal al door de niet te verhullen intensieve voorbereiding (luchtverkenning speelde voor het eerst een grote rol) en dagenlange bombardementen wat er zou gaan gebeuren en trokken zich deels terug. Hierdoor ontstond een saillant, waarin de aanvallende infanterie klem kwam te zitten. Mitrailleursnesten aan de flanken openden het vuur en verdedigende infanterie rukte op terwijl de eigen artillerie vaak te traag was omdat deze vast kwam te zitten in de modder in het niemandsland. Nu geheel zonder dekking werd de aanvallende infanterie vrijwel geheel afgeslacht, in veel gevallen tot en met de laatste man. In 1915 vonden dergelijke kleinere aanvallen regelmatig plaats. De Duitsers hadden over het algemeen beter leefbare loopgraven dan de geallieerden. Bij de geallieerden (met name de Fransen op wiens grondgebied gevochten werd) werd het construeren van goede loopgraven ontmoedigd vanuit een offensieve gedachte en de Duitsers hadden zich daarnaast op veel plaatsen teruggetrokken op hogere en daardoor beter verdedigbare (maar ook drogere) posities. Naast alle smerigheid die ook veel ziektes met zich mee bracht waren ook zaken als continue angst, eenzaamheid en eentonigheid een hel voor de soldaten. Tijdens dagenlange beschietingen of ten tijde van code rood moet de angst om te sterven ondraaglijk zijn geweest. Er zijn verhalen over soldaten die een sigaret opstaken en door het oplichten hiervan een doelwit voor sluipschutters werden. Hier komt het bijgeloof vandaan dat nooit met een vuurtje meer dan één sigaret aangestoken mag worden - dit gaf sluipschutters immers voldoende tijd om te richten. Door alle verschrikkelijke en traumatische belevenissen in de loopgraven kregen sommige soldaten last van de zogenaamde shellshock. Bij deze aandoening krijgt de soldaat last van tics of stuiptrekkingen, zoals trekjes bij de ogen, of zelfs rillingen. Shellshock werd beschouwd als een vorm van lafheid, zodat soldaten met deze verschijnselen meestal geëxecuteerd werden door hun eigen partij. Eenzaamheid kwam veel voor. Vriendschappen tussen mannen hielden zelden langer dan één maand stand, mede door de enorme aantallen slachtoffers. Eenzaamheid resulteerde in allerlei vreemde symptomen. Sommige mannen sloten vriendschappen met ratten of voorwerpen en beschouwden hen als familie, anderen praatten voortdurend in zichzelf of tegen dode lichamen. Het ontbreken van vrouwen resulteerde in seksuele relaties tussen de mannen. De eentonigheid van een soldatenbestaan in combinatie met bovenstaande zorgde na de oorlog bij overlevenden voor het zogenaamde 'loopgravensyndroom'. Veel mannen konden hun oude leven niet meer oppakken en bleven leven met dezelfde eigenaardigheden als in de loopgraven. Na de Duitse inval sloegen vele Belgen op de vlucht. Duizenden vertrokken via Oostende en Zeebrugge naar Engeland of vandaar verder naar Frankrijk. Meer dan een miljoen Belgen vluchtten naar Nederland. Onder deze vluchtelingen bevonden zich ook 33.000 militairen. Deze werden geïnterneerd omdat Nederland volgens internationaal recht als neutraal land moest zorgen dat troepen en middelen van de strijdende partijen die op zijn grondgebied terechtkwamen niet meer aan de strijd zouden kunnen deelnemen. Duizenden "gemotiveerde" Belgische militairen zouden ontsnappen om via Groot-Brittannië en Frankrijk toch weer deel te nemen aan de oorlog. De vluchtelingen werden in eerste instantie warm onthaald. De verontwaardiging over het schenden van de neutraliteit van het kleine land en de bewondering voor zijn standvastigheid waren groot. De groep vluchtelingen was echter zo groot dat al snel problemen ontstonden met huisvesting en gezondheidszorg. De Belgische overheden riepen vluchtelingen op terug te keren naar het, nu bezette, vaderland. Het grootste deel van de oorlogsvluchtelingen keerde voor het einde van het jaar daadwerkelijk terug naar huis. Meer dan 100.000 Belgen bleven echter in Nederland achter. Onder hen de gezinnen van geïnterneerde militairen. Van deze groep werden diegenen die niet zelf in hun levensonderhoud konden voorzien (ongeveer 20.000) ondergebracht in toevluchtsoorden te Gouda, Uden, Nunspeet en Ede die onder toezicht stonden van de Nederlandse overheid en waar de Belgen tot het einde van de oorlog in zeer goede omstandigheden werden gehuisvest. Inspecties van het internationale Rode Kruis onder leiding van Zwitserland, hebben dit meermaals bevestigd. Chemische en biologische oorlogvoering In de eerste maand van de oorlog, augustus 1914, vuurden Franse soldaten traangas (xylylbromide) af naar de Duitsers en waren daarmee de eersten die gifgas gebruikten. Het Duitse leger was echter het eerste dat intensief onderzoek deed naar gifgas, onder leiding van de eminente Duitse chemicus en Nobelprijswinnaar Fritz Haber, en was het eerste dat het in 1915 op grote schaal gebruikte. Maar ook de Fransen, waaronder chemicus en eveneens Nobelprijswinnaar Victor Grignard, waren hier intensief mee bezig. Aan het Russische front werd in de Slag bij Warschau door de Duitsers voor de eerste keer xylylbromide ingezet, maar het gas condenseerde door de lage temperatuur en bevroor zelfs. Later werden voor het eerst op kleine schaal aan het oostfront chloorgascilinders ingezet. De verbaasde officieren zagen hun soldaten in groene wolken verdwijnen en neervallen. Een aantal rende terug, schreeuwend dat de Duitsers hen met een "groene mist" vergiftigden. Na dit experiment gebruikten de Duitsers het gas in de Tweede Slag om Ieper. Meer dan 5.000 cilinders chloorgas werden opengezet. De Franse verdedigende regimenten raakten bevangen door het gas en een gat van 6 km ontstond. De Duitsers hadden echter ook deze aanval bedoeld als experiment en hadden niet op zo'n succes gerekend. Er waren dan ook geen soldaten voorhanden om door te stoten. Na dit succes ontstonden diverse soorten chemische oorlogswapens, zoals fosgeen en in 1917 mosterdgas. Ook probeerden Duitse en later ook Franse wetenschappers ziekteverwekkers in diverse bommen te stoppen; vooral de pest. De eerste stappen richting serieuze biologische oorlogvoering waren genomen. Chemische wapens werden al snel en op grote schaal ook door de geallieerden gebruikt. De eerste gasmaskers die hun intrede deden, waren primitief (bijvoorbeeld een lap gedrenkt in water of urine) en hielpen nauwelijks. Pas na uitgebreid onderzoek verbeterden de gasmaskers aanzienlijk wat de effectiviteit van de toch al zeer dure chemische wapens niet ten goede kwam. Bovendien was het een erg risicovolle bedoening voor de eigen troepen, daar de wind na het openzetten van de cilinders het gas de verkeerde kant kon doen opgaan. Dat laatste werd opgelost door voortaan gasgranaten te gebruiken.
The document on swiss-archives.ch (CC-BY-SA 3.0/CH) The Library of Congress Foto: Hampshire and Solent Museums Bibliothèque nationale de FranceBibliothèque nationale de France Terug vorige pagina Geneeskunde Terug vorige pagina Geneeskunde

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

 Eerste Wereldoorlog (slot)
Aanvankelijk speelde de luchtoorlog een bescheiden rol. Vliegtuigen werden, zoals in de Balkanoorlogen, slechts ingezet voor verkenningsvluchten. Het eerste luchtgevecht vond plaats toen in augustus 1914 een Servisch verkenningsvliegtuig een Oostenrijks-Hongaars toestel tegenkwam. De piloot trok een revolver en schoot op het Servische toestel. Meteen werden alle piloten met revolvers uitgerust, later volgden boordmitrailleurs. Verkenning was en bleef het voornaamste doel van de vliegtuigen. Bombardementen kwamen ook voor, maar hiervoor moest de piloot de bom tussen de benen houden en zelf het toestel uitwerken. Ook werden wel zeppelins ingezet. Deze kolossen konden meer bommen vervoeren en werden door de Duitsers veelvuldig ingezet om Londen te bombarderen. Zij waren echter ook een makkelijk doelwit en zeer kwetsbaar, omdat ze zo groot waren en met waterstof waren gevuld. Naast verkenning en bombardementen, was intimidatie van de bevolking een doel van de inzet van vliegtuigen en zeppelins. Bekend waren de vele "dogfights" tussen de Duitse en geallieerde vliegers. Manfred von Richthofen, oftewel de Rode Baron, behaalde 80 overwinningen. De Fransman René Fonck bleef hier met 75 niet ver achter. Hermann Göring, de latere luchtmaarschalk en nazipartijbons, was ook oorlogsvlieger. Amerikaanse oorlogsdeelname Duitsland beantwoordde de blokkade van de geallieerden met het duikbootwapen. Duitse duikboten schuimden de zeeën af en torpedeerden koopvaarders. Behalve geallieerde schepen, werden ook wel eens neutrale schepen getroffen, zoals de Lusitania. Dit werd de Duitsers door veel neutralen, waaronder de Verenigde Staten, zeer kwalijk genomen. De Amerikanen hielden zich echter lang afzijdig van de oorlog, die ze als een Europese aangelegenheid zagen, vanwege de Monroedoctrine. In 1917 zat er geen beweging in de fronten. Een Duitse poging om de Britse vloot te vernietigen en zo de blokkade te breken was in 1916 met de zeeslag bij Jutland mislukt. De Duitsers vernietigden meer schepen dan de Britten, maar waagden zich niet meer op open zee. Een onbeperkte duikbootoorlog zou de kans geven om het Verenigd Koninkrijk te isoleren en tot overgave te dwingen. Dit zou echter kunnen leiden tot een oorlog met de Verenigde Staten. De Duitsers zetten het plan toch door, maar trachtten Japan en Mexico tot de Centralen te doen toetreden om zo de Amerikanen af te leiden. Een telegram met deze strekking (Zimmermanntelegram) werd echter onderschept door de Britse geheime dienst en doorgespeeld aan de Amerikaanse regering. Naar aanleiding hiervan, en van de onbeperkte duikbootoorlog, kon de vanaf het begin op geallieerde handen zijnde president Woodrow Wilson het Amerikaanse parlement overtuigen om Duitsland op 6 april 1917 de oorlog te verklaren. De Mexicanen hadden echter net de Mexicaanse Revolutie achter de rug en hadden geen behoefte aan nieuwe strijd. Ook Japan zag van deelname af. De Amerikaanse aanwezigheid had, vooral in het begin, een louter psychologische waarde. Zo kolossaal als de Amerikaanse marine was, zo klein was hun landleger. Er was mankracht genoeg, maar er was onvoldoende bewapening. Kanonnen moesten van de Britten worden geleend. De Duitsers zagen echter een nieuw leger tegenover zich dat steeds verder aangroeide. Hun duikboten waren onvoldoende om de oorlogskonvooien tegen te houden. De tijd werkte in hun nadeel: steeds meer troepen stroomden Europa binnen en de ongeschonden Amerikaanse wapenfabrieken draaiden op volle toeren. De slag aan de Schelde werd uitgevochten met een belangrijke inzet van Amerikaanse grondtroepen. Het Flanders Field American Cemetery and Memorial is hiervan een stille getuige. Tussen de Duitse en geallieerde loopgraven lag een strook modder, omgeploegd door granaatexplosies en infanterie, en bezaaid met landmijnen en prikkeldraad. Dit was het niemandsland. Het enige wat groeide op het niemandsland en in de loopgraven was de klaproos (papaver). Daarom staat deze rode bloem symbool voor de Eerste Wereldoorlog. Het leven in de loopgraaf was een nachtmerrie. Loopgraven vormden, met name in het voorjaar, winter en herfst, modderige geulen waarin men tot de knieën in de modder zakte. Alles werd vochtig en smerig en het water drong door kleren en laarzen heen. Dit leidde onder meer tot "loopgravenvoeten", het verweken van langdurig natte voeten met sterk vergrote kans op beschadigingen en daardoor infecties met als uiterste gevolg dood door gangreen. Soms werd gebruikgemaakt van houten planken om de begaanbaarheid te verbeteren; in Duitse loopgraven was dit iets sneller gebruikelijk. Lijken konden vaak door de omstandigheden en de grote aantallen, niet snel worden begraven. Op de lijken en ander afval kwamen ratten af, die zich in hoog tempo konden vermenigvuldigden. Slechts als een deel van het front langere tijd 'in rust' was kon er enige verbetering in de leefomstandigheden worden gerealiseerd. Bij offensieven was het nog erger. De verdedigers werden soms dagenlang aan artilleriebombardementen blootgesteld. Ondertussen trokken de aanvallers troepen samen. Als (men dacht dat) alle vijandelijke artillerie en mitrailleursnesten uitgeschakeld waren viel de infanterie aan, onder dekking van granaatvuur. Soms was de coördinatie niet goed: dan verloren de soldaten hun dekking of werden door de eigen artillerie beschoten. Dit is overigens ook wel opzettelijk gedaan als de infanterie niet snel genoeg opschoot. Zo maakten de soldaten de oversteek over het niemandsland naar de vijandelijke loopgraaf. De verdedigers wisten echter meestal al door de niet te verhullen intensieve voorbereiding (luchtverkenning speelde voor het eerst een grote rol) en dagenlange bombardementen wat er zou gaan gebeuren en trokken zich deels terug. Hierdoor ontstond een saillant, waarin de aanvallende infanterie klem kwam te zitten. Mitrailleursnesten aan de flanken openden het vuur en verdedigende infanterie rukte op terwijl de eigen artillerie vaak te traag was omdat deze vast kwam te zitten in de modder in het niemandsland. Nu geheel zonder dekking werd de aanvallende infanterie vrijwel geheel afgeslacht, in veel gevallen tot en met de laatste man. In 1915 vonden dergelijke kleinere aanvallen regelmatig plaats. De Duitsers hadden over het algemeen beter leefbare loopgraven dan de geallieerden. Bij de geallieerden (met name de Fransen op wiens grondgebied gevochten werd) werd het construeren van goede loopgraven ontmoedigd vanuit een offensieve gedachte en de Duitsers hadden zich daarnaast op veel plaatsen teruggetrokken op hogere en daardoor beter verdedigbare (maar ook drogere) posities. Naast alle smerigheid die ook veel ziektes met zich mee bracht waren ook zaken als continue angst, eenzaamheid en eentonigheid een hel voor de soldaten. Tijdens dagenlange beschietingen of ten tijde van code rood moet de angst om te sterven ondraaglijk zijn geweest. Er zijn verhalen over soldaten die een sigaret opstaken en door het oplichten hiervan een doelwit voor sluipschutters werden. Hier komt het bijgeloof vandaan dat nooit met een vuurtje meer dan één sigaret aangestoken mag worden - dit gaf sluipschutters immers voldoende tijd om te richten. Door alle verschrikkelijke en traumatische belevenissen in de loopgraven kregen sommige soldaten last van de zogenaamde shellshock. Bij deze aandoening krijgt de soldaat last van tics of stuiptrekkingen, zoals trekjes bij de ogen, of zelfs rillingen. Shellshock werd beschouwd als een vorm van lafheid, zodat soldaten met deze verschijnselen meestal geëxecuteerd werden door hun eigen partij. Eenzaamheid kwam veel voor. Vriendschappen tussen mannen hielden zelden langer dan één maand stand, mede door de enorme aantallen slachtoffers. Eenzaamheid resulteerde in allerlei vreemde symptomen. Sommige mannen sloten vriendschappen met ratten of voorwerpen en beschouwden hen als familie, anderen praatten voortdurend in zichzelf of tegen dode lichamen. Het ontbreken van vrouwen resulteerde in seksuele relaties tussen de mannen. De eentonigheid van een soldatenbestaan in combinatie met bovenstaande zorgde na de oorlog bij overlevenden voor het zogenaamde 'loopgravensyndroom'. Veel mannen konden hun oude leven niet meer oppakken en bleven leven met dezelfde eigenaardigheden als in de loopgraven. Nederland Na de Duitse inval sloegen vele Belgen op de vlucht. Duizenden vertrokken via Oostende en Zeebrugge naar Engeland of vandaar verder naar Frankrijk. Meer dan een miljoen Belgen vluchtten naar Nederland. Onder deze vluchtelingen bevonden zich ook 33.000 militairen. Deze werden geïnterneerd omdat Nederland volgens internationaal recht als neutraal land moest zorgen dat troepen en middelen van de strijdende partijen die op zijn grondgebied terechtkwamen niet meer aan de strijd zouden kunnen deelnemen. Duizenden "gemotiveerde" Belgische militairen zouden ontsnappen om via Groot-Brittannië en Frankrijk toch weer deel te nemen aan de oorlog. De vluchtelingen werden in eerste instantie warm onthaald. De verontwaardiging over het schenden van de neutraliteit van het kleine land en de bewondering voor zijn standvastigheid waren groot. De groep vluchtelingen was echter zo groot dat al snel problemen ontstonden met huisvesting en gezondheidszorg. De Belgische overheden riepen vluchtelingen op terug te keren naar het, nu bezette, vaderland. Het grootste deel van de oorlogsvluchtelingen keerde voor het einde van het jaar daadwerkelijk terug naar huis. Meer dan 100.000 Belgen bleven echter in Nederland achter. Onder hen de gezinnen van geïnterneerde militairen. Van deze groep werden diegenen die niet zelf in hun levensonderhoud konden voorzien (ongeveer 20.000) ondergebracht in toevluchtsoorden te Gouda, Uden, Nunspeet en Ede die onder toezicht stonden van de Nederlandse overheid en waar de Belgen tot het einde van de oorlog in zeer goede omstandigheden werden gehuisvest. Inspecties van het internationale Rode Kruis onder leiding van Zwitserland, hebben dit meermaals bevestigd. Chemische en biologische oorlogvoering In de eerste maand van de oorlog, augustus 1914, vuurden Franse soldaten traangas (xylylbromide) af naar de Duitsers en waren daarmee de eersten die gifgas gebruikten. Het Duitse leger was echter het eerste dat intensief onderzoek deed naar gifgas, onder leiding van de eminente Duitse chemicus en Nobelprijswinnaar Fritz Haber, en was het eerste dat het in 1915 op grote schaal gebruikte. Maar ook de Fransen, waaronder chemicus en eveneens Nobelprijswinnaar Victor Grignard, waren hier intensief mee bezig. Aan het Russische front werd in de Slag bij Warschau door de Duitsers voor de eerste keer xylylbromide ingezet, maar het gas condenseerde door de lage temperatuur en bevroor zelfs. Later werden voor het eerst op kleine schaal aan het oostfront chloorgascilinders ingezet. De verbaasde officieren zagen hun soldaten in groene wolken verdwijnen en neervallen. Een aantal rende terug, schreeuwend dat de Duitsers hen met een "groene mist" vergiftigden. Na dit experiment gebruikten de Duitsers het gas in de Tweede Slag om Ieper. Meer dan 5.000 cilinders chloorgas werden opengezet. De Franse verdedigende regimenten raakten bevangen door het gas en een gat van 6 km ontstond. De Duitsers hadden echter ook deze aanval bedoeld als experiment en hadden niet op zo'n succes gerekend. Er waren dan ook geen soldaten voorhanden om door te stoten. Na dit succes ontstonden diverse soorten chemische oorlogswapens, zoals fosgeen en in 1917 mosterdgas. Ook probeerden Duitse en later ook Franse wetenschappers ziekteverwekkers in diverse bommen te stoppen; vooral de pest. De eerste stappen richting serieuze biologische oorlogvoering waren genomen. Chemische wapens werden al snel en op grote schaal ook door de geallieerden gebruikt. De eerste gasmaskers die hun intrede deden, waren primitief (bijvoorbeeld een lap gedrenkt in water of urine) en hielpen nauwelijks. Pas na uitgebreid onderzoek verbeterden de gasmaskers aanzienlijk wat de effectiviteit van de toch al zeer dure chemische wapens niet ten goede kwam. Bovendien was het een erg risicovolle bedoening voor de eigen troepen, daar de wind na het openzetten van de cilinders het gas de verkeerde kant kon doen opgaan. Dat laatste werd opgelost door voortaan gasgranaten te gebruiken.
The document on swiss-archives.ch (CC-BY-SA 3.0/CH) The Library of Congress Bibliothèque nationale de FranceBibliothèque nationale de France Foto: Hampshire and Solent Museums