© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Dorestad
Dorestad was een van de belangrijkste en succesvolste internationale handelsplaatsen in Noordwest-Europa van het einde van de 7e tot het midden van de 9e eeuw. Het was gelegen in en bij het huidige Wijk bij Duurstede en lag bij de splitsing van de rivier de Rijn met de Lek bij de overblijfselen van een voormalig Romeins castellum, wellicht Levefanum. In de vroegste stadsontwikkelingen in Nederland zou Dorestad in zijn bestaan zijn positie hebben ontleend aan langeafstands- en regionale handel en productie. Het wordt daarin wel beschouwd als een uitzonderlijke plaats, en als "experimentele uitwisselingsplaats" tussen de christelijke Franken en de niet-christelijke noordelijkere gebieden. Aan het einde van de 7e eeuw werd Dorestad omschreven als patria Frigonum/Frixonum, dus liggende in het land der Friezen. Het was in zijn bestaan tot aan het begin van de 8e eeuw vaak de inzet in de oorlog tussen de Friezen en de Franken. Rond 719 kwam Dorestad in de strijd tussen de Friezen en Franken definitief in Frankische handen door Karel Martel. In circa 840 droeg Lotharius I Dorestad over aan de Deense broers Rorik en Harald. Rond het midden van de 9e eeuw raakte Dorestad in verval. Het inwonertal van Dorestad tijdens zijn bloeitijd wordt op 2500 tot 3000 geschat. Algemeen wordt aangenomen dat de plaatsnaam Dorestad, of eigenlijk Dorestat (Dorestate) etymologisch op zijn minst deels van Keltische oorsprong is. De plaatsnaam is vanaf de 7e eeuw uit bronnen bekend. De voornaamste reden dat Dorestad op deze plek als bloeiende handelsplaats (emporium) ontstond is van verkeersgeografische aard. Dorestad lag, in tegenstelling tot het nabij gelegen Utrecht en Vechten, op het kruispunt van twee belangrijke handelsroutes over water. Via de ene route had Dorestad een verbinding via de Kromme Rijn, Utrechtse Vecht en het Almere met de Friese gebieden en Wadden. Het verbond in grotere zin in die verbinding het Duitse Rijnland via de Rijn met Scandinavië en het Oostzeegebied. De tweede handelsroute liep langs de Lek naar de kust en vormde een verbinding tussen het Rijnland en Engeland. Ook kon men via deze verbinding de Schelde bereiken en daardoor Neustrië, het kerngebied van de Salische Franken in Vlaanderen, Brabant en het noorden van Frankrijk. Door middel van archeologische opgravingen is tot 1994 circa 55 hectare in Wijk bij Duurstede blootgelegd. Met name tussen 1967 en 1977 heeft de toenmalige ROB (Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek) tegenwoordig Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) naar aanleiding van bouwplannen het grootste archeologische onderzoek in Nederland gedaan, met opgravingen over een oppervlakte van 30 hectare. Mede uit deze onderzoeken onderscheidt men vandaag de dag drie specifieke delen in de agglomeratie van het voormalige Dorestad: Benedenstad: het noordelijk deel, heden gelegen in de stadsbebouwing van Wijk bij Duurstede. Bovenstad: het zuidelijk deel, heden gelegen bij het dorp Rijswijk. Hierin valt ook het castellum. Middendeel: het gebied tussen de Beneden- en Bovenstad. Het noordelijk deel bleek bij de opgravingen uit drie zones te bestaan: de haven, een daarop aansluitende zone met dichte bebouwing van vermoedelijk handelslieden en in het achterland een zone van verspreide bebouwing met boerderijen. De haven van Dorestad bestond aan de waterkant uit houten steigerconstructies op palen in de rivier de Rijn. De Rijn verlegde echter langzaam zijn loop in oostelijke richting en de steigers moesten telkens worden verlengd, waardoor een uitgebreid complex van platformconstructies ontstond. Van deze constructies schat men het aantal verticale palen op wellicht 150.000 tot 200.000 stuks. Resten van het zuidelijk deel van Dorestad zijn in de loop der eeuwen door de veranderende rivierloop grotendeels weggespoeld, bij baggerwerkzaamheden worden nog wel restanten aangetroffen. Andere restanten zijn ook als herbruikt bouwmateriaal terug te vinden. Mogelijk is er sprake geweest van lintbebouwing langs de rivier die 3 kilometer lang is geweest, met honderden huizen en duizenden inwoners. Ook waren er in Dorestad twee grote begraafplaatsen waarvan tijdens de opgravingen duizenden graven tevoorschijn kwamen. Dorestad zelf was niet omwald. In de wijk De Geer lag een versterking met een grachtenstructuur, mogelijk een vluchtburcht. Huizenbouw vond plaats in hout. Bij de huizen bevonden zich meestal meerdere waterputten veelal gemaakt van eikenhouten vaten, vermoedelijk herbruikte wijnvaten. Jaarringonderzoek op het eikenhout van de vaten toont een vermoedelijke herkomst uit Rijnland-Hessen met dateringen van de bomenkap tussen 685 en 835. In een jaarringonderzoek naar aanleiding van de opgravingen tussen 1967 en 1977 op bijna 2000 stuks hout van verschillende boomsoorten, komen dateringen voor van bomenkap in de periode tussen 650 en 850. De boerderijen konden afmetingen van 25 bij 8 meter hebben met lange gebogen wanden waardoor de plattegrond enigszins op die van een schip leek. De boerderijwanden waren gemaakt van een vlechtwerk met leem, het dak van riet of stro. De boerderij was qua binnenruimte onderverdeeld en had meestal een inpandige veestal. In Amersfoort is op landgoed Schothorst een boerderij gereconstrueerd gebaseerd op de opgravingsgegevens. Men heeft inzicht in wat voor handel destijds in Dorestad plaatsvond door de archeologische vondsten en de tolregisters. Er werden zowel goederen verhandeld voor het dagelijks gebruik als luxe en exotische goederen. Wat door archeologen terug werd gevonden was voornamelijk aarde- en glaswerk, zoals Keulse potten uit het Midden Rijn-gebied in Duitsland, en maalstenen uit de Eifel. Verder wijn uit Hessen, grote hoeveelheden barnsteen uit de Baltische staten en uit Scandinavië slijpstenen. In de tolregisters van Dorestad staat handel vermeld van pelzen, textiel, verfstoffen, zout, voedsel, honing en ook slaven en jachthonden. Tevens werden er ambachten uitgeoefend en producten vervaardigd: onder meer uit glas, hout, steen, leer en al dan niet edele metalen. Uit been en gewei werden kammen en uit brons sieraden en sleutels gemaakt. Van ruwe barnsteen werden voorwerpen vervaardigd als spinklosjes en kralen, waarbij de kralen ook wel van glas werden gemaakt. In de handelsplaats en directe omgeving vond een vrij omvangrijke agrarische productie plaats, met vele boeren die de handelsplaats en haar bewoners van voedsel voorzagen. Dorestad was wijd en zijd bekend doordat het een munt bezat. Rond 640 was muntmeester Madelinus hier werkzaam. Tot aan circa 690 werden er gouden munten geslagen, daarna veel zilveren sceatta's. Deze waren een tijdlang het voornaamste betaalmiddel in West- en Noord-Europa. In de Karolingische tijd werden er in Dorestad munten geslagen met een opschrift van Pepijn de Korte, Karel de Grote en Lodewijk de Vrome. Muntgeld dat in Dorestad is geslagen is tot in Rusland teruggevonden. Een schenkingsoorkonde van Karel de Grote uit 777 vermeldt dat er in Dorestad oeverbelasting (ripaticum) werd geheven.
Bron: Modifications: Cropped to the low countries area. The original can be viewed here: Frankish Empire 481 to 814-fr.svg. Modifications made by Richardprins.
Friese rijk ten tijde van Radboud, koning (hertog) van de Friezen. Anno 716
Auteur: Sonty567. Bron: Picture partially made after drawing in/ Afbeelding nagemaakt deels naar afbeelding in:  W.A. van Es, H. Sarfatij en P.J. Woltering (1988), Archeologie in Nederland, Meulenhoff Informatief, Amsterdam, page 171 Foto: PHGCOM. Bron: Own work, photographed at Metropolitan Museum of Art

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Dorestad
Dorestad was een van de belangrijkste en succesvolste internationale handelsplaatsen in Noordwest-Europa van het einde van de 7e tot het midden van de 9e eeuw. Het was gelegen in en bij het huidige Wijk bij Duurstede en lag bij de splitsing van de rivier de Rijn met de Lek bij de overblijfselen van een voormalig Romeins castellum, wellicht Levefanum. In de vroegste stadsontwikkelingen in Nederland zou Dorestad in zijn bestaan zijn positie hebben ontleend aan langeafstands- en regionale handel en productie. Het wordt daarin wel beschouwd als een uitzonderlijke plaats, en als "experimentele uitwisselingsplaats" tussen de christelijke Franken en de niet-christelijke noordelijkere gebieden. Aan het einde van de 7e eeuw werd Dorestad omschreven als patria Frigonum/Frixonum, dus liggende in het land der Friezen. Het was in zijn bestaan tot aan het begin van de 8e eeuw vaak de inzet in de oorlog tussen de Friezen en de Franken. Rond 719 kwam Dorestad in de strijd tussen de Friezen en Franken definitief in Frankische handen door Karel Martel. In circa 840 droeg Lotharius I Dorestad over aan de Deense broers Rorik en Harald. Rond het midden van de 9e eeuw raakte Dorestad in verval. Het inwonertal van Dorestad tijdens zijn bloeitijd wordt op 2500 tot 3000 geschat. Algemeen wordt aangenomen dat de plaatsnaam Dorestad, of eigenlijk Dorestat (Dorestate) etymologisch op zijn minst deels van Keltische oorsprong is. De plaatsnaam is vanaf de 7e eeuw uit bronnen bekend. De voornaamste reden dat Dorestad op deze plek als bloeiende handelsplaats (emporium) ontstond is van verkeersgeografische aard. Dorestad lag, in tegenstelling tot het nabij gelegen Utrecht en Vechten, op het kruispunt van twee belangrijke handelsroutes over water. Via de ene route had Dorestad een verbinding via de Kromme Rijn, Utrechtse Vecht en het Almere met de Friese gebieden en Wadden. Het verbond in grotere zin in die verbinding het Duitse Rijnland via de Rijn met Scandinavië en het Oostzeegebied. De tweede handelsroute liep langs de Lek naar de kust en vormde een verbinding tussen het Rijnland en Engeland. Ook kon men via deze verbinding de Schelde bereiken en daardoor Neustrië, het kerngebied van de Salische Franken in Vlaanderen, Brabant en het noorden van Frankrijk. Door middel van archeologische opgravingen is tot 1994 circa 55 hectare in Wijk bij Duurstede blootgelegd. Met name tussen 1967 en 1977 heeft de toenmalige ROB (Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek) tegenwoordig Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) naar aanleiding van bouwplannen het grootste archeologische onderzoek in Nederland gedaan, met opgravingen over een oppervlakte van 30 hectare. Mede uit deze onderzoeken onderscheidt men vandaag de dag drie specifieke delen in de agglomeratie van het voormalige Dorestad: Benedenstad: het noordelijk deel, heden gelegen in de stadsbebouwing van Wijk bij Duurstede. Bovenstad: het zuidelijk deel, heden gelegen bij het dorp Rijswijk. Hierin valt ook het castellum. Middendeel: het gebied tussen de Beneden- en Bovenstad. Het noordelijk deel bleek bij de opgravingen uit drie zones te bestaan: de haven, een daarop aansluitende zone met dichte bebouwing van vermoedelijk handelslieden en in het achterland een zone van verspreide bebouwing met boerderijen. De haven van Dorestad bestond aan de waterkant uit houten steigerconstructies op palen in de rivier de Rijn. De Rijn verlegde echter langzaam zijn loop in oostelijke richting en de steigers moesten telkens worden verlengd, waardoor een uitgebreid complex van platformconstructies ontstond. Van deze constructies schat men het aantal verticale palen op wellicht 150.000 tot 200.000 stuks. Resten van het zuidelijk deel van Dorestad zijn in de loop der eeuwen door de veranderende rivierloop grotendeels weggespoeld, bij baggerwerkzaamheden worden nog wel restanten aangetroffen. Andere restanten zijn ook als herbruikt bouwmateriaal terug te vinden. Mogelijk is er sprake geweest van lintbebouwing langs de rivier die 3 kilometer lang is geweest, met honderden huizen en duizenden inwoners. Ook waren er in Dorestad twee grote begraafplaatsen waarvan tijdens de opgravingen duizenden graven tevoorschijn kwamen. Dorestad zelf was niet omwald. In de wijk De Geer lag een versterking met een grachtenstructuur, mogelijk een vluchtburcht. Huizenbouw vond plaats in hout. Bij de huizen bevonden zich meestal meerdere waterputten veelal gemaakt van eikenhouten vaten, vermoedelijk herbruikte wijnvaten. Jaarringonderzoek op het eikenhout van de vaten toont een vermoedelijke herkomst uit Rijnland-Hessen met dateringen van de bomenkap tussen 685 en 835. In een jaarringonderzoek naar aanleiding van de opgravingen tussen 1967 en 1977 op bijna 2000 stuks hout van verschillende boomsoorten, komen dateringen voor van bomenkap in de periode tussen 650 en 850. De boerderijen konden afmetingen van 25 bij 8 meter hebben met lange gebogen wanden waardoor de plattegrond enigszins op die van een schip leek. De boerderijwanden waren gemaakt van een vlechtwerk met leem, het dak van riet of stro. De boerderij was qua binnenruimte onderverdeeld en had meestal een inpandige veestal. In Amersfoort is op landgoed Schothorst een boerderij gereconstrueerd gebaseerd op de opgravingsgegevens. Men heeft inzicht in wat voor handel destijds in Dorestad plaatsvond door de archeologische vondsten en de tolregisters. Er werden zowel goederen verhandeld voor het dagelijks gebruik als luxe en exotische goederen. Wat door archeologen terug werd gevonden was voornamelijk aarde- en glaswerk, zoals Keulse potten uit het Midden Rijn-gebied in Duitsland, en maalstenen uit de Eifel. Verder wijn uit Hessen, grote hoeveelheden barnsteen uit de Baltische staten en uit Scandinavië slijpstenen. In de tolregisters van Dorestad staat handel vermeld van pelzen, textiel, verfstoffen, zout, voedsel, honing en ook slaven en jachthonden. Tevens werden er ambachten uitgeoefend en producten vervaardigd: onder meer uit glas, hout, steen, leer en al dan niet edele metalen. Uit been en gewei werden kammen en uit brons sieraden en sleutels gemaakt. Van ruwe barnsteen werden voorwerpen vervaardigd als spinklosjes en kralen, waarbij de kralen ook wel van glas werden gemaakt. In de handelsplaats en directe omgeving vond een vrij omvangrijke agrarische productie plaats, met vele boeren die de handelsplaats en haar bewoners van voedsel voorzagen. Dorestad was wijd en zijd bekend doordat het een munt bezat. Rond 640 was muntmeester Madelinus hier werkzaam. Tot aan circa 690 werden er gouden munten geslagen, daarna veel zilveren sceatta's. Deze waren een tijdlang het voornaamste betaalmiddel in West- en Noord-Europa. In de Karolingische tijd werden er in Dorestad munten geslagen met een opschrift van Pepijn de Korte, Karel de Grote en Lodewijk de Vrome. Muntgeld dat in Dorestad is geslagen is tot in Rusland teruggevonden. Een schenkingsoorkonde van Karel de Grote uit 777 vermeldt dat er in Dorestad oeverbelasting (ripaticum) werd geheven.
Bron: Modifications: Cropped to the low countries area. The original can be viewed here: Frankish Empire 481 to 814-fr.svg. Modifications made by Richardprins.
Friese rijk ten tijde van Radboud, koning (hertog) van de Friezen. Anno 716
Auteur: Sonty567. Bron: Picture partially made after drawing in/ Afbeelding nagemaakt deels naar afbeelding in:  W.A. van Es, H. Sarfatij en P.J. Woltering (1988), Archeologie in Nederland, Meulenhoff Informatief, Amsterdam, page 171 Foto: PHGCOM. Bron: Own work, photographed at Metropolitan Museum of Art