© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
 Crisisjaren - Depressie 
De Grote Depressie is de naam die vooral in de Verenigde Staten wordt gegeven aan de economische crisis die het gevolg was van een bankencrisis en internationale schuldencrisis in de jaren dertig van de 20e eeuw. In het Nederlands spreekt men meestal van de crisisjaren. Deze economische crisis was van invloed op de levensomstandigheden van zeer vele mensen over de hele wereld. Het was de grootste en belangrijkste economische depressie (neergang) in de nieuwste tijd, en wordt in de 21e eeuw als voorbeeld aangehaald van hoe diep de wereldeconomie kan vallen. De eerste oorzaak ligt in de landbouw. In de jaren twintig ontstond een grote overproductie. De VS hadden tijdens de Eerste Wereldoorlog veel voedselhulp verleend aan Europa. De Amerikaanse boeren hadden zich zo ingesteld op deze hulpverlening, dat toen Europa eenmaal weer zelf zijn voedsel ging verbouwen de Amerikaanse boeren met een geweldige overproductie kwamen te zitten waardoor de prijzen daalden. Dit zorgde voor enorme schulden, wat nadelig was voor de plattelandsbanken. De plattelandsbanken op hun beurt hadden weer nauwe banden met de grote banken. De grote banken konden deze grote klap niet opvangen en een crisis was het gevolg. Daarbij kwam dat de boeren dachten dat alleen een nog grotere productie hen uit de problemen kon helpen, aangezien men vanwege de lagere prijs meer moest produceren om hetzelfde te verdienen. Dit leidde echter tot nog meer overproductie, die werd verbrand of in zee gegooid terwijl velen honger leden maar het voedsel niet konden betalen. Een tweede oorzaak ligt in de industrie, waarin destijds de meeste Amerikanen werkzaam waren. Tijdens de jaren twintig nam daar de productie enorm toe, dankzij de mechanisering, maar de lonen stegen niet mee omdat de vakbonden zwak waren en omdat er veel immigranten uit arme delen van Europa kwamen die bereid waren voor weinig geld te werken. Door de lage lonen konden veel mensen de producten die in fabrieken geproduceerd werden niet betalen, waardoor ook de fabrieken met een overproductie kampten. De overproductie in de landbouw en industrie werd niet voldoende erkend, laat staan de gevaren ervan. Een andere verklaring komt van de Oostenrijkse economische school. Theoretici van de "Oostenrijkse School" die schreven over de Grote Depressie zijn onder andere de Oostenrijkse econoom Friedrich Hayek en de Amerikaanse econoom Murray Rothbard, die America's Great Depression (1963) schreef. In hun ogen en ook die van de monetaristen, is de Federal Reserve, gecreëerd in 1913, de grote schuldige; maar in tegenstelling tot de monetaristen, stellen zij dat de hoofdoorzaak van de depressie, de expansie van het geldaanbod in de jaren twintig, heeft geleid tot een onduurzame krediet-gedreven bubbel. In deze Oostenrijkse kijk was het de inflatie van het geldaanbod dat leidde tot een onduurzame bubbel in zowel prijzen van activa (aandelen en obligaties) en kapitaalgoederen. Tegen de tijd dat de FED haar beleid aanscherpte in 1928, was het veel te laat en was, volgens de Oostenrijkers, een depressie onvermijdelijk. Volgens de Oostenrijkers was de kunstmatige ingreep in de economie een ramp voor de Depressie, en hebben de overheidsinspanningen om de economie na de crash van 1929 overeind proberen te houden het alleen maar erger gemaakt. Volgens Rothbard, vertraagde de overheidsinterventie de aanpassing van de markt en maakte dit de weg naar een volledig herstel moeilijker. In augustus 1929 stagneerde de Amerikaanse economie, wat het begin van een recessie inluidde. Recessie betekent letterlijk 'teruggang' of 'achteruitgang'. In de economie betekent dit dat de economische groei daalt en lager is dan gemiddeld. In de praktijk wordt meestal van een recessie gesproken als de groei van het bruto nationaal product gedurende twee of meer opeenvolgende kwartalen negatief is (Hebbink & Van Velthoven, 2003, p. 153). Wanneer de productie van een economie langdurig en sterk daalt, is er sprake van een depressie. In de conjunctuurbeweging van een economie is de recessie onderdeel van een laagconjunctuur. Ten gevolge van een recessie vinden vaak reorganisaties en meer ontslagen plaats bij bedrijven. Er wordt minder geld uitgegeven aan extra scholing, en er kunnen bedrijven failliet gaan. Het landelijke werkloosheidscijfer kan hierdoor stijgen. Als gevolg van een recessie kan er bij de overheidsfinanciën een financieringstekort ontstaan of sterk oplopen, omdat de belastinginkomsten van de overheid teruglopen en de uitgaven stijgen. Op de aandelenbeurs speculeerden veel mensen met geleend geld. Dit geld zat weer in de banken die in crisis verkeerden. Op 24 oktober 1929 (Zwarte Donderdag) barstte de zeepbel en klapten de aandelenkoersen in elkaar. Vijf dagen later (zwarte dinsdag) stortte de effectenbeurs in. Er kwam een run op de spaarbanken van mensen die al hun tegoeden wilden opnemen. Een groot aantal banken ging hierdoor over de kop en velen verloren al hun spaargeld. In het daaropvolgende jaar gold dit voor zo'n 700 Amerikaanse banken. De Amerikaanse middenklasse verloor een groot deel van haar koopkracht en bezuinigde meer dan strikt noodzakelijk was. Veel industrieën hadden toch al een slechte orderpositie en gingen nu acuut failliet. Ze konden nergens geld meer lenen en als ze schulden hadden gemaakt bij een failliete bank werden die zonder coulance ingevorderd. De ontslagen arbeiders zagen door het ontbreken van sociale voorzieningen hun koopkracht tot nul dalen. De ontwikkelingen gingen zo snel dat de normale evenwichtsmechanismen (rentedaling en loonkostendaling) niet meer functioneerden. Banken die er niet meer waren, konden ook geen geld meer uitlenen, zodat er hoe dan ook minder geïnvesteerd werd. Door het wegvallen van vertrouwen gingen de mensen thuis hun geld oppotten zodat de rente juist steeg. De vraaguitval leidde tot de gevreesde deflatoire spiraal: de prijzen daalden zo snel dat de consument, hopend op een nog verdere daling, zijn bestedingen uitstelde in plaats van vergrootte. Deflatie betekent ook dat de reële rente stijgt, zodat externe sturing door verlaging van de officiële rentestand geen effect meer heeft. Investeren was dus duur en leek gezien de enorme overproductie ook onzinnig. De kapitaalinvesteringen vielen dan ook vrijwel stil. Omdat de lonen al zo laag waren, hadden loonkostendalingen weinig positieve invloed op de investeringen en ze versterkten de deflatoire spiraal. Dergelijke crises hadden zich in het verleden al veel vaker voorgedaan, maar deze keer was de neergang ongekend fel. Het bruto nationaal product van de VS daalde in 1930 met 40%. Toen eind 1931 de economie stabiliseerde — voornamelijk doordat de prijzen niet verder konden dalen en de consument gedwongen was zijn geld uit te geven — bleek de welvaart dat jaar met nog eens 10% te zijn afgenomen. Wat een hele generatie had opgebouwd, leek in één klap tenietgedaan. In 1932 daalde het bruto binnenlands product met dertien procent. In 1933 nam de werkloosheid toe tot 25%. Stempelen verwijst naar het verkrijgen van een stempel door werklozen in een stempellokaal. Dit was in het begin van de 20ste eeuw gangbaar, vooral in de jaren '30 tijdens de Grote Depressie. Werklozen moesten dit één of twee keer per dag doen om in aanmerking te komen voor een werkloosheidsuitkering. Het voorkwam ook dat werklozen zwartwerk konden verrichten. Werklozen ervoeren het stempelen vaak als vernederend. Werklozen die lid waren van een vakvereniging, hadden het 'voorrecht' op een vast tijdstip te kunnen stempelen. Bovendien hoefden ze vaak niet naar een stempellokaal te gaan, maar konden ze terecht in het kantoor van de vakbond of bij een bestuurslid van de bond.
oproep bevorderen onderwijskansen voor jonge vrouwen op zoek naar opleiding voor een baan. Auteur: Dorothea Lange. Library of Congress LC-USF34- 009694-E. Collectie Spaarnestad Voor meer informatie en voor meer foto’s uit de collectie van Spaarnestad Photo, bezoek onze Beeldbank. Nationaal Archief. Auteur: Carl Mydans.  Library of Congress Digital ID- (digital file from original neg.) fsa 8a00156 http- hdl.loc.gov loc.pnp fsa.8a00156 No copyright restriction known. Staff photographer reproduction rights transferred to Library of Congress through Instrument of Gift.

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

 Crisisjaren - Depressie 
De Grote Depressie is de naam die vooral in de Verenigde Staten wordt gegeven aan de economische crisis die het gevolg was van een bankencrisis en internationale schuldencrisis in de jaren dertig van de 20e eeuw. In het Nederlands spreekt men meestal van de crisisjaren. Deze economische crisis was van invloed op de levensomstandigheden van zeer vele mensen over de hele wereld. Het was de grootste en belangrijkste economische depressie (neergang) in de nieuwste tijd, en wordt in de 21e eeuw als voorbeeld aangehaald van hoe diep de wereldeconomie kan vallen. De eerste oorzaak ligt in de landbouw. In de jaren twintig ontstond een grote overproductie. De VS hadden tijdens de Eerste Wereldoorlog veel voedselhulp verleend aan Europa. De Amerikaanse boeren hadden zich zo ingesteld op deze hulpverlening, dat toen Europa eenmaal weer zelf zijn voedsel ging verbouwen de Amerikaanse boeren met een geweldige overproductie kwamen te zitten waardoor de prijzen daalden. Dit zorgde voor enorme schulden, wat nadelig was voor de plattelandsbanken. De plattelandsbanken op hun beurt hadden weer nauwe banden met de grote banken. De grote banken konden deze grote klap niet opvangen en een crisis was het gevolg. Daarbij kwam dat de boeren dachten dat alleen een nog grotere productie hen uit de problemen kon helpen, aangezien men vanwege de lagere prijs meer moest produceren om hetzelfde te verdienen. Dit leidde echter tot nog meer overproductie, die werd verbrand of in zee gegooid terwijl velen honger leden maar het voedsel niet konden betalen. Een tweede oorzaak ligt in de industrie, waarin destijds de meeste Amerikanen werkzaam waren. Tijdens de jaren twintig nam daar de productie enorm toe, dankzij de mechanisering, maar de lonen stegen niet mee omdat de vakbonden zwak waren en omdat er veel immigranten uit arme delen van Europa kwamen die bereid waren voor weinig geld te werken. Door de lage lonen konden veel mensen de producten die in fabrieken geproduceerd werden niet betalen, waardoor ook de fabrieken met een overproductie kampten. De overproductie in de landbouw en industrie werd niet voldoende erkend, laat staan de gevaren ervan. Een andere verklaring komt van de Oostenrijkse economische school. Theoretici van de "Oostenrijkse School" die schreven over de Grote Depressie zijn onder andere de Oostenrijkse econoom Friedrich Hayek en de Amerikaanse econoom Murray Rothbard, die America's Great Depression (1963) schreef. In hun ogen en ook die van de monetaristen, is de Federal Reserve, gecreëerd in 1913, de grote schuldige; maar in tegenstelling tot de monetaristen, stellen zij dat de hoofdoorzaak van de depressie, de expansie van het geldaanbod in de jaren twintig, heeft geleid tot een onduurzame krediet-gedreven bubbel. In deze Oostenrijkse kijk was het de inflatie van het geldaanbod dat leidde tot een onduurzame bubbel in zowel prijzen van activa (aandelen en obligaties) en kapitaalgoederen. Tegen de tijd dat de FED haar beleid aanscherpte in 1928, was het veel te laat en was, volgens de Oostenrijkers, een depressie onvermijdelijk. Volgens de Oostenrijkers was de kunstmatige ingreep in de economie een ramp voor de Depressie, en hebben de overheidsinspanningen om de economie na de crash van 1929 overeind proberen te houden het alleen maar erger gemaakt. Volgens Rothbard, vertraagde de overheidsinterventie de aanpassing van de markt en maakte dit de weg naar een volledig herstel moeilijker. In augustus 1929 stagneerde de Amerikaanse economie, wat het begin van een recessie inluidde. Recessie betekent letterlijk 'teruggang' of 'achteruitgang'. In de economie betekent dit dat de economische groei daalt en lager is dan gemiddeld. In de praktijk wordt meestal van een recessie gesproken als de groei van het bruto nationaal product gedurende twee of meer opeenvolgende kwartalen negatief is (Hebbink & Van Velthoven, 2003, p. 153). Wanneer de productie van een economie langdurig en sterk daalt, is er sprake van een depressie. In de conjunctuurbeweging van een economie is de recessie onderdeel van een laagconjunctuur. Ten gevolge van een recessie vinden vaak reorganisaties en meer ontslagen plaats bij bedrijven. Er wordt minder geld uitgegeven aan extra scholing, en er kunnen bedrijven failliet gaan. Het landelijke werkloosheidscijfer kan hierdoor stijgen. Als gevolg van een recessie kan er bij de overheidsfinanciën een financieringstekort ontstaan of sterk oplopen, omdat de belastinginkomsten van de overheid teruglopen en de uitgaven stijgen. Op de aandelenbeurs speculeerden veel mensen met geleend geld. Dit geld zat weer in de banken die in crisis verkeerden. Op 24 oktober 1929 (Zwarte Donderdag) barstte de zeepbel en klapten de aandelenkoersen in elkaar. Vijf dagen later (zwarte dinsdag) stortte de effectenbeurs in. Er kwam een run op de spaarbanken van mensen die al hun tegoeden wilden opnemen. Een groot aantal banken ging hierdoor over de kop en velen verloren al hun spaargeld. In het daaropvolgende jaar gold dit voor zo'n 700 Amerikaanse banken. De Amerikaanse middenklasse verloor een groot deel van haar koopkracht en bezuinigde meer dan strikt noodzakelijk was. Veel industrieën hadden toch al een slechte orderpositie en gingen nu acuut failliet. Ze konden nergens geld meer lenen en als ze schulden hadden gemaakt bij een failliete bank werden die zonder coulance ingevorderd. De ontslagen arbeiders zagen door het ontbreken van sociale voorzieningen hun koopkracht tot nul dalen. De ontwikkelingen gingen zo snel dat de normale evenwichtsmechanismen (rentedaling en loonkostendaling) niet meer functioneerden. Banken die er niet meer waren, konden ook geen geld meer uitlenen, zodat er hoe dan ook minder geïnvesteerd werd. Door het wegvallen van vertrouwen gingen de mensen thuis hun geld oppotten zodat de rente juist steeg. De vraaguitval leidde tot de gevreesde deflatoire spiraal: de prijzen daalden zo snel dat de consument, hopend op een nog verdere daling, zijn bestedingen uitstelde in plaats van vergrootte. Deflatie betekent ook dat de reële rente stijgt, zodat externe sturing door verlaging van de officiële rentestand geen effect meer heeft. Investeren was dus duur en leek gezien de enorme overproductie ook onzinnig. De kapitaalinvesteringen vielen dan ook vrijwel stil. Omdat de lonen al zo laag waren, hadden loonkostendalingen weinig positieve invloed op de investeringen en ze versterkten de deflatoire spiraal. Dergelijke crises hadden zich in het verleden al veel vaker voorgedaan, maar deze keer was de neergang ongekend fel. Het bruto nationaal product van de VS daalde in 1930 met 40%. Toen eind 1931 de economie stabiliseerde — voornamelijk doordat de prijzen niet verder konden dalen en de consument gedwongen was zijn geld uit te geven — bleek de welvaart dat jaar met nog eens 10% te zijn afgenomen. Wat een hele generatie had opgebouwd, leek in één klap tenietgedaan. In 1932 daalde het bruto binnenlands product met dertien procent. In 1933 nam de werkloosheid toe tot 25%. Stempelen verwijst naar het verkrijgen van een stempel door werklozen in een stempellokaal. Dit was in het begin van de 20ste eeuw gangbaar, vooral in de jaren '30 tijdens de Grote Depressie. Werklozen moesten dit één of twee keer per dag doen om in aanmerking te komen voor een werkloosheidsuitkering. Het voorkwam ook dat werklozen zwartwerk konden verrichten. Werklozen ervoeren het stempelen vaak als vernederend. Werklozen die lid waren van een vakvereniging, hadden het 'voorrecht' op een vast tijdstip te kunnen stempelen. Bovendien hoefden ze vaak niet naar een stempellokaal te gaan, maar konden ze terecht in het kantoor van de vakbond of bij een bestuurslid van de bond.
oproep bevorderen onderwijskansen voor jonge vrouwen op zoek naar opleiding voor een baan. No copyright restriction known. Staff photographer reproduction rights transferred to Library of Congress through Instrument of Gift. Auteur: Dorothea Lange. Library of Congress LC-USF34- 009694-E. Auteur: Carl Mydans.  Library of Congress Digital ID- (digital file from original neg.) fsa 8a00156 http- hdl.loc.gov loc.pnp fsa.8a00156 Collectie Spaarnestad Voor meer informatie en voor meer foto’s uit de collectie van Spaarnestad Photo, bezoek onze Beeldbank. Nationaal Archief.