© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
 Crisisjaren - Depressie (vervolg) 
Vanaf 1933 trad er een paar jaar lang herstel op. Het bruto binnenlands product groeide in de periode 1934-1937 zelfs zeer sterk. In 1937 besloot de Amerikaanse overheid echter over te gaan tot een belastingverhoging en minder te besteden, wat tot gevolg had dat de Amerikaanse economie weer terugviel in de recessie. Het definitieve herstel zette pas enkele jaren later in, toen de industrie in de aanloop naar de Amerikaanse inmenging in de Tweede Wereldoorlog op volle toeren begon te draaien. Toen de directe neergang voorbij was, stelde zich de prangende vraag hoe politiek gereageerd moest worden op de nijpende situatie. In het verleden had men een crisis steeds laten uitzieken: men wachtte net zo lang tot de economie zichzelf in evenwicht bracht en de groei zich weer herstelde. Als men dat ditmaal ook zou doen, zou het echter (aangenomen dat de economie per hoofd van de bevolking net zo hard zou groeien als voor de oorlog) dertig jaar duren voordat men weer het niveau van 1929 bereikt zou hebben. Tegelijkertijd was er een enorme stilliggende productiecapaciteit die de oude welvaart onmiddellijk zou kunnen herstellen als zij maar benut werd. Onder die omstandigheid werd het wel heel verleidelijk om toch maar eens aan overheidsingrijpen te denken. In de VS was de gedachte aan staatsinterventie voor de oorlog al heel populair geweest en tijdens de oorlog hadden gedwongen investeringen al tot een forse economische groei geleid, maar erna had het idee van de vrije markt de overhand gekregen. Nu sloeg de stemming weer om. De Republikeinse regering van Herbert Hoover was echter zeer afhoudend. Ze vreesde een precedent te scheppen en was bang voor een blijvende invloed van de staat op de economie. Als alternatief stimuleerde ze de zelfregulering van industrie en bankwezen en riep ze de burger op tot optimisme en bestedingsdrift. Hoewel deze boodschap ruime weerklank vond bij het meer welgestelde deel van de bevolking, wilden de nu een meerderheid vormende armen niet jarenlang op de welvaart blijven wachten en verkozen in 1933 Franklin Delano Roosevelt tot president. Hij voerde de politiek van de New Deal door die zich kenmerkte door streng overheidstoezicht op het bankwezen. Roosevelt deed echter weinig aan het stimuleren van de economie, afgezien van werkgelegenheidsprojecten en directe armoedebestrijding. In 1940 was de schade nog lang niet hersteld. Pas tijdens de Tweede Wereldoorlog zou daadkrachtige staatsinterventie de industriële productie in vier jaar meer dan verdubbelen, de basis leggend van de huidige welvaart. De crisis bleef niet tot de VS beperkt. Om te beginnen verminderde bij andere landen de export, doordat de Amerikaanse burger niets meer inkocht en de Amerikaanse deflatie de Europese en Japanse producten uit de markt prijsde. Toch leidde dat voor Amerika niet tot een compensatie van het falen van de interne markt. De VS hadden tijdens de Eerste Wereldoorlog astronomische bedragen uitgeleend aan de Entente; het land was de "Schuldeiser van de Wereld" geworden. Na de oorlog was men heel coulant geweest met het invorderen van die schulden. De bankencrisis veroorzaakte nu echter een internationale schuldencrisis. Door acuut geldgebrek gedwongen begonnen de Amerikaanse banken de schulden op te eisen. De rentestand in de hele wereld sprong omhoog. Overal klapten de investeringen en bestedingen in elkaar. Om de eigen markt te beschermen, stelden de meeste landen hogere importheffingen in, met als gevolg dat de wereldhandel sterk kromp. In het ene na het andere land stortte de economie ineen, met massale werkloosheid en verpaupering tot gevolg, ook in Nederland en België. Door het blijven vasthouden aan de koppeling tussen de munt en de gouden standaard bleef de depressie in Nederland lang duren ten opzichte van de rest van Europa. Toen de Verenigde Staten in 1929 door de crisis in eigen land de steun aan Duitsland opzegden, werd Duitsland meteen in de recessie meegezogen. Werkloosheid nam enorm toe, bestedingen en investeringen namen af. De problemen leidden tot een groei van links- en rechtsextremistische bewegingen. In 1932 trachtten de geallieerden daarom een regeling over herstelbetalingen met Duitsland te onderhandelen op de Conferentie van Lausanne. De Duitse regering kondigde echter een volledig moratorium op de betalingen van buitenlandse schulden af. Adolf Hitler erfde in 1933 een zwakke economie die kampte met een chronisch deviezentekort en die absoluut niet in staat was zichzelf te voorzien. Nederland werd eveneens hard getroffen door de recessie, die door het vasthouden aan de gouden standaard bijzonder hardnekkig bleek. Hoewel de economie zich na het loslaten van de gouden standaard eind september 1936 leek te herstellen, werd Nederland in het kielzog van de Verenigde Staten in 1937 door een tweede kleinere recessie getroffen. Ook de toenemende spanning in Europa trof de Nederlandse economie hard. De economische problemen leidden tot verpaupering en ontevredenheid, die zich onder andere uitten in onrust (Jordaanoproer) en de groei van de NSB. Pas na de Tweede Wereldoorlog zou de Nederlandse economie daadwerkelijk opbloeien. Nederland kende voor wat betreft de gouden standaard drie periodes: De goudenmuntenstandaard tot 1914, waarbij bankbiljetten volledig werden gedekt door goud. Houders van bankbiljetten hadden het recht om bankpapier in te wisselen voor goud. Het muntgeld was "intrinsiek volwaardig" en had een eigen waarde in edele metalen. Tussen 1918 en 1936 kende Nederland de goudkernstandaard, waarbij de bankbiljetten voor 40% waren gedekt door goud, maar waarbij het publiek niet het recht had om bankbiljetten voor goud in te wisselen (behalve uitzonderingen, zoals internationale betalingen). Bovendien kwamen (naast munten met een intrinsieke waarde) ook "onvolwaardige munten" in omloop, de zogenaamde tekenmunten. De waarde ervan werd niet bepaald door de metaalwaarde, maar door het teken dat de overheid er op had aangebracht. Van 1945 tot 1971 kende Nederland de goudwisselstandaard waarbij de gulden via een omweg een band had met goud. Dit liep via het systeem van Bretton Woods waarbij de gulden in vaste verhouding stond tot de dollar die op zijn beurt gekoppeld was aan goud. Daarbij dienden naast eigen goud ook goudwissels (vorderingen in goud) als dekking. Omdat de dollar na de devaluatie in 1971 niet meer inwisselbaar was voor goud, kwam in Nederland een einde aan de deze standaard. Ook de waarde van munten tegenover edelmetaal veranderde diverse keren. In de Muntwet van 1816 werd voor het eerst formeel vastgelegd dat de gulden 9,6 gram fijn zilver moest bevatten. In 1875 voerde de overheid het gouden tientje in als nieuwe standaardmunt. De gulden vertegenwoordigde voortaan ruim 0,6 gram fijn goud. Eind 1946 meldde de Nederlandse regering bij het IMF een zogenoemde goudpariteit aan van 0,335 gram fijn goud. In 1967 besloot de Nederlandse overheid om zilveren guldens te vervangen door nikkelen exemplaren, omdat de zilverprijs enorm was gestegen.
United States Library of Congress's Prints and Photographs division under the digital ID fsa.8b29516 Copyright expired. As a pre-1946 Canadian image, also public domain in the United States. Nationale Archief en Dossier Administratie, gecatalogiseerd onder de ARC Identificatie (National Archives Identifier) 541927. Terug vorige pagina Geneeskunde

   © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas 

Crisisjaren - Depressie (vervolg) 
Vanaf 1933 trad er een paar jaar lang herstel op. Het bruto binnenlands product groeide in de periode 1934-1937 zelfs zeer sterk. In 1937 besloot de Amerikaanse overheid echter over te gaan tot een belastingverhoging en minder te besteden, wat tot gevolg had dat de Amerikaanse economie weer terugviel in de recessie. Het definitieve herstel zette pas enkele jaren later in, toen de industrie in de aanloop naar de Amerikaanse inmenging in de Tweede Wereldoorlog op volle toeren begon te draaien. Toen de directe neergang voorbij was, stelde zich de prangende vraag hoe politiek gereageerd moest worden op de nijpende situatie. In het verleden had men een crisis steeds laten uitzieken: men wachtte net zo lang tot de economie zichzelf in evenwicht bracht en de groei zich weer herstelde. Als men dat ditmaal ook zou doen, zou het echter (aangenomen dat de economie per hoofd van de bevolking net zo hard zou groeien als voor de oorlog) dertig jaar duren voordat men weer het niveau van 1929 bereikt zou hebben. Tegelijkertijd was er een enorme stilliggende productiecapaciteit die de oude welvaart onmiddellijk zou kunnen herstellen als zij maar benut werd. Onder die omstandigheid werd het wel heel verleidelijk om toch maar eens aan overheidsingrijpen te denken. In de VS was de gedachte aan staatsinterventie voor de oorlog al heel populair geweest en tijdens de oorlog hadden gedwongen investeringen al tot een forse economische groei geleid, maar erna had het idee van de vrije markt de overhand gekregen. Nu sloeg de stemming weer om. De Republikeinse regering van Herbert Hoover was echter zeer afhoudend. Ze vreesde een precedent te scheppen en was bang voor een blijvende invloed van de staat op de economie. Als alternatief stimuleerde ze de zelfregulering van industrie en bankwezen en riep ze de burger op tot optimisme en bestedingsdrift. Hoewel deze boodschap ruime weerklank vond bij het meer welgestelde deel van de bevolking, wilden de nu een meerderheid vormende armen niet jarenlang op de welvaart blijven wachten en verkozen in 1933 Franklin Delano Roosevelt tot president. Hij voerde de politiek van de New Deal door die zich kenmerkte door streng overheidstoezicht op het bankwezen. Roosevelt deed echter weinig aan het stimuleren van de economie, afgezien van werkgelegenheidsprojecten en directe armoedebestrijding. In 1940 was de schade nog lang niet hersteld. Pas tijdens de Tweede Wereldoorlog zou daadkrachtige staatsinterventie de industriële productie in vier jaar meer dan verdubbelen, de basis leggend van de huidige welvaart. De crisis bleef niet tot de VS beperkt. Om te beginnen verminderde bij andere landen de export, doordat de Amerikaanse burger niets meer inkocht en de Amerikaanse deflatie de Europese en Japanse producten uit de markt prijsde. Toch leidde dat voor Amerika niet tot een compensatie van het falen van de interne markt. De VS hadden tijdens de Eerste Wereldoorlog astronomische bedragen uitgeleend aan de Entente; het land was de "Schuldeiser van de Wereld" geworden. Na de oorlog was men heel coulant geweest met het invorderen van die schulden. De bankencrisis veroorzaakte nu echter een internationale schuldencrisis. Door acuut geldgebrek gedwongen begonnen de Amerikaanse banken de schulden op te eisen. De rentestand in de hele wereld sprong omhoog. Overal klapten de investeringen en bestedingen in elkaar. Om de eigen markt te beschermen, stelden de meeste landen hogere importheffingen in, met als gevolg dat de wereldhandel sterk kromp. In het ene na het andere land stortte de economie ineen, met massale werkloosheid en verpaupering tot gevolg, ook in Nederland en België. Door het blijven vasthouden aan de koppeling tussen de munt en de gouden standaard bleef de depressie in Nederland lang duren ten opzichte van de rest van Europa. Toen de Verenigde Staten in 1929 door de crisis in eigen land de steun aan Duitsland opzegden, werd Duitsland meteen in de recessie meegezogen. Werkloosheid nam enorm toe, bestedingen en investeringen namen af. De problemen leidden tot een groei van links- en rechtsextremistische bewegingen. In 1932 trachtten de geallieerden daarom een regeling over herstelbetalingen met Duitsland te onderhandelen op de Conferentie van Lausanne. De Duitse regering kondigde echter een volledig moratorium op de betalingen van buitenlandse schulden af. Adolf Hitler erfde in 1933 een zwakke economie die kampte met een chronisch deviezentekort en die absoluut niet in staat was zichzelf te voorzien. Nederland werd eveneens hard getroffen door de recessie, die door het vasthouden aan de gouden standaard bijzonder hardnekkig bleek. Hoewel de economie zich na het loslaten van de gouden standaard eind september 1936 leek te herstellen, werd Nederland in het kielzog van de Verenigde Staten in 1937 door een tweede kleinere recessie getroffen. Ook de toenemende spanning in Europa trof de Nederlandse economie hard. De economische problemen leidden tot verpaupering en ontevredenheid, die zich onder andere uitten in onrust (Jordaanoproer) en de groei van de NSB. Pas na de Tweede Wereldoorlog zou de Nederlandse economie daadwerkelijk opbloeien. Nederland kende voor wat betreft de gouden standaard drie periodes: De goudenmuntenstandaard tot 1914, waarbij bankbiljetten volledig werden gedekt door goud. Houders van bankbiljetten hadden het recht om bankpapier in te wisselen voor goud. Het muntgeld was "intrinsiek volwaardig" en had een eigen waarde in edele metalen. Tussen 1918 en 1936 kende Nederland de goudkernstandaard, waarbij de bankbiljetten voor 40% waren gedekt door goud, maar waarbij het publiek niet het recht had om bankbiljetten voor goud in te wisselen (behalve uitzonderingen, zoals internationale betalingen). Bovendien kwamen (naast munten met een intrinsieke waarde) ook "onvolwaardige munten" in omloop, de zogenaamde tekenmunten. De waarde ervan werd niet bepaald door de metaalwaarde, maar door het teken dat de overheid er op had aangebracht. Van 1945 tot 1971 kende Nederland de goudwisselstandaard waarbij de gulden via een omweg een band had met goud. Dit liep via het systeem van Bretton Woods waarbij de gulden in vaste verhouding stond tot de dollar die op zijn beurt gekoppeld was aan goud. Daarbij dienden naast eigen goud ook goudwissels (vorderingen in goud) als dekking. Omdat de dollar na de devaluatie in 1971 niet meer inwisselbaar was voor goud, kwam in Nederland een einde aan de deze standaard. Ook de waarde van munten tegenover edelmetaal veranderde diverse keren. In de Muntwet van 1816 werd voor het eerst formeel vastgelegd dat de gulden 9,6 gram fijn zilver moest bevatten. In 1875 voerde de overheid het gouden tientje in als nieuwe standaardmunt. De gulden vertegenwoordigde voortaan ruim 0,6 gram fijn goud. Eind 1946 meldde de Nederlandse regering bij het IMF een zogenoemde goudpariteit aan van 0,335 gram fijn goud. In 1967 besloot de Nederlandse overheid om zilveren guldens te vervangen door nikkelen exemplaren, omdat de zilverprijs enorm was gestegen.
United States Library of Congress's Prints and Photographs division under the digital ID fsa.8b29516 Copyright expired. As a pre-1946 Canadian image, also public domain in the United States. Nationale Archief en Dossier Administratie, gecatalogiseerd onder de ARC Identificatie (National Archives Identifier) 541927.