© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Willem van Oranje - de Opstand
Hij begon zijn loopbaan in dienst van keizer Karel V. Zijn naam is Willem van Nassau. Hij was aanvankelijk stadhouder (plaatsvervanger) voor de regerend heer der Nederlanden (keizer Karel V dus). In 1544 stierf een neef van Willem, René van Chalon, die in 1530 door een erfenis onder meer het onafhankelijke prinsdom Orange (Nederlands: Oranje) verworven had. Omsloten door Frankrijk, was het een twistappel tussen Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk (Karel V), de officiële soeverein. De 26-jarige René had bij testament bepaald dat Willem van Nassau zijn opvolger zou worden. Ook keizer Karel V, destijds Heer der Nederlanden en keizer van het Heilige Roomse Rijk, stemde daarmee in. De elfjarige Willem erfde daardoor het prinsdom Orange met de prestigieuze titel van prins. Naast de lijfspreuk “Je maintiendrai” (ik zal handhaven), voerde hij nu dus ook de titel Prins van Oranje. Naast dit prinsdom erfde Willem van zijn neef belangrijke voorrechten en bezittingen in de Nederlanden. Karel V verbond aan de erfenis echter een voorwaarde: overgang tot het rooms-katholieke geloof en opvoeding aan het hof in Brussel (tot zijn elfde levensjaar kreeg Willem een opvoeding in lutherse zin op het stamslot Dillenburg in Duitsland. Zijn moeder was overtuigd protestant en bracht dat over op haar kinderen). Vanwege de belangrijkheid van de erfenis gingen de ouders en Willem akkoord met de eisen van Karel V en ging Willem over op het rooms- katholieke geloof. Aan het hof van keizer Karel (in Brussel) werd de Duitstalige Willem ingewijd tot diplomaat. Hij leerde Latijn, Frans, Spaans, Italiaans en het plaatselijke Nederlands. Er ontstonden contacten op allerlei niveaus. Fernando Álvarez de Toledo, hertog van Alva en staatssecretaris Granvelle leerde hij kennen. Ook kreeg hij in 1545 Karel V te zien, toen deze uit Duitsland naar Brussel was teruggekeerd en in 1549 Karels zoon Filips, die uit Spanje kwam. Het bleek dat de jonge prins zich uitstekend wist te redden. Zijn levenshouding werd gekenmerkt door optimisme en welsprekendheid. Hij bleek over diplomatieke gaven te beschikken. Hij kreeg zijn bijnaam de De Zwijger niet vanwege zwijgzaamheid, maar vanwege zijn gewoonte nooit het achterste van zijn tong te laten zien. Op 8 juli 1551 trad de 18-jarige Willem in het huwelijk met Anna van Egmont. Zoals gebruikelijk in zijn kringen was het huwelijk gebaseerd op berekening en familiebelang. Door het huwelijk vergrootte hij zijn belangen in de Nederlanden. Stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht De jonge Willem werd een van de belangrijkste edelen aan het hof van Karel V. Toen Karel op 25 oktober 1555 terugtrad als koning van Spanje, keizer van Duitsland en heer der Nederlanden, zei hij tegen zijn zoon en opvolger Filips II: Houd deze jongeman in ere, hij kan je waardevolste raadgever en steun zijn. In deze tijd toonde Willem zich nog trouw aan de rooms-katholieke kerk. In 1555 werd Filips II heer der Nederlanden en het jaar daarop ook koning van Spanje, waar hij overigens al vanaf 1539 als regent voor zijn vader optrad. Filips II was een overtuigd aanhanger van de rooms-katholieke kerk. De reeds in 1550 ingevoerde strenge 'plakkaten' (verordening) tegen de aanhangers van Maarten Luther hadden zijn volledige instemming. Hij zag het als zijn levensdoel om één groot rijk te scheppen met slechts één godsdienst, het rooms-katholicisme. Op dit punt wilde Filips van geen wijken weten. Prins Willem had, hoewel trouw aan de rooms-katholieke kerk, waardering voor de kritische humanist Erasmus. De koning, Philps II, trachtte nadrukkelijk Willem van Oranje aan zich te binden. In 1556 werd Willem ridder in de Orde van het Gulden Vlies. In het kader van de vredesonderhandelingen met Frankrijk, die in april 1559 zouden leiden tot de vrede van Cateau-Cambrésis, kreeg Willem van Filips belangrijke diplomatieke opdrachten. Daardoor leerde hij de groten van Europa kennen. Hij ontmoette onder anderen koning Hendrik II van Frankrijk en was samen met de hertog van Alva een van de belangrijkste raadsheren van Filips. Willem werd bovendien door Filips benoemd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Filips had een Geheime Raad met vertrouwelingen ingesteld, hij voerde strenge plakkaten voor de vervolging van de protestanten in. Aangaande het rijksbestuur streefde hij naar een krachtig centraal gezag, ten koste van lokale privileges, waaronder bijvoorbeeld de eigen belastingpolitiek van de Staten-Generaal. Vooral de invoering van de Tiende Penning riep heel wat spanning en weerstand onder de burgers op. Tussen Filips en de Nederlandse adel boterde het niet erg. Filips maakte liever gebruik van raadgevers van elders, zoals de Spanjaard Ruy Gómez de Silva en de topdiplomaat van Franse afkomst Nicolas Perrenot de Granvelle, die zijn vader al zo goed gediend had. Toen Filips in het najaar van 1559 naar Spanje vertrok, was geen enkele Nederlandse edelman daar echt rouwig om. Volgens niet geheel bevestigde bronnen zou hij prins Willem bij het afscheid hebben toegevoegd: Niet de Staten (Nederlandse adel), maar gij, gij, gij. Filips was kennelijk vooral in Willem teleurgesteld. Ze zouden elkaar nooit meer zien. Filips II benoemde in 1559 Margaretha van Parma tot landvoogdes voor de Nederlanden. De feitelijke machthebber was echter een vertrouweling van Filips, Antoine Perrenot de Granvelle als adviseur van Margareta, die in 1561 bovendien aartsbisschop van Mechelen werd. De politiek inzake de religie en het landsbestuur gaf ook spanning met de adel in de Nederlanden. Onder de hoge adel kwamen o.a. Filips van Montmorency (graaf van Horne), Lamoraal (graaf van Egmont), en Willem van Oranje in verzet. Op 11 maart 1563 stuurden zij een scherpe en waarschuwende brief aan koning Filips II. Het resultaat was echter averechts. Het deed Filips II zich nog meer vastbijten in zijn voorgestane intimidatiepolitiek. Najaar van 1564 wendde de Raad van State van de Nederlanden zich opnieuw tot Filips over de gevolgen van de gevoerde politiek. In de besluitvorming over de brief aan Filips II sprak prins Willem op 31 december 1564 een beroemde rede uit, de zogenaamde 'Oudejaarsrede'. De rede behoort tot de hoogtepunten in de Nederlandse geschiedenis, maar slechts delen zijn bewaard gebleven. In deze urenlange rede voerde hij openlijk en duidelijk een pleidooi voor gewetensvrijheid van de onderdanen. Lange tijd is hieruit door latere geschiedschrijvers de volgende zin geciteerd: “Ik kan niet goedkeuren dat vorsten over het geweten van hun onderdanen willen heersen en hun de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen.” Pas op 18 januari 1565 bracht Egmont de wens van de Raad van State over aan Filips II. Filips wees het verzoek van de Raad van State radicaal af. Bovendien moesten de belastingmaatregelen zo nodig met geweld worden ingevoerd. De centralisatie van de besluitvorming werd doorgedrukt. Het conflict tussen Filips en prins Willem was een feit. De aanloop naar de Opstand was begonnen. Op 25 december 1565 werd het Verbond der Edelen opgericht. Het Verbond der Edelen werd aangevoerd door Hendrik van Brederode, geflankeerd door de graven Floris van Culemborg en Lodewijk van Nassau. Zij kanaliseerden de toenemende onvrede onder de lagere en middelgrote adel met protestantse sympathieën. Zij wilden naar het voorbeeld van de Franse Hugenoten de krachten bundelen van al wie godsdienstvrede voorstond. De kopstukken van de hoge adel - graaf Lamoraal van Egmont, de graaf van Horne, Filips van Montmorency, baron Floris van Montigny, de graaf van Hoogstraten, Antoon II van Lalaing en Willem van Oranje - hielden zich aanvankelijk afzijdig. Willem van Oranje stond in contact met het Verbond via zijn broer Lodewijk van Nassau. Naast de vrees voor de invoering van de Spaanse inquisitie en afkeer van strenge godsdienstplakkaten, speelde voor de adel het streven naar het behoud van de eigen positie een rol. Vele edelen waren verarmd en door de opkomst van ambtenaren als uitvoerders van het bestuur van hun invloed beroofd. Op 5 april 1566 kwamen zo'n 200 edelen bijeen afkomstig uit alle delen van de Nederlanden. Ze verschaften zich toegang tot het Paleis op de Koudenberg en overhandigden het Smeekschrift der Edelen aan landvoogdes Margaretha van Parma. Bij de overhandiging werden de edelen bedacht met de Franse naam gueux (bedelaars), die ze als een eretitel gingen aannemen (in het Nederlands verbasterd tot: geuzen). Willem wachtte de door Filips II gestuurde Alva niet af. Hij vluchtte in april 1567 met zijn gezin naar Duitsland, waarna markies Maximiliaan van Hénin-Liétard op 17 juni 1567 benoemd werd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht en deze Willems functie als stadhouder dus overnam. Alleen Willems 12-jarige zoon Filips Willem bleef achter in Leuven, waar hij studeerde. Hij werd in 1568 afgevoerd naar Spanje, om een goede katholieke opvoeding te krijgen. Willem zou hem nooit meer terugzien. Margaretha trad af als landvoogdes uit protest tegen Alva, die haar betrekkelijk verzoeningsgezinde beleid doorkruiste. Alva werd benoemd als haar opvolger. Willem van Oranje vertrok op 15 april 1567, naar Dillenburg en hoewel hij Alva zijn diensten aanbood, viel op 16 december het besluit om ook hem te vervolgen. De dagvaarding werd in januari 1568 openbaar gemaakt. Alle bezittingen van de Prins van Oranje in de Nederlanden werden verbeurd verklaard. Willem begon daarop vanuit de Dillenburg in Duitsland met het aanwerven van troepen en nam de wapens op tegen de hertog van Alva, de vertegenwoordiger van koning Filips II. Oranje lanceerde zijn eerste invasie in de Nederlanden. Zijn zwager Willem IV van den Bergh werd als eerste verslagen in de slag bij Dalheim (25 april 1568). Op 25 mei 1568 leverde een legertje van Oranje, o.l.v zijn broer Lodewijk, slag tegen de koningsgezinden o.l.v de stadhouder van Groningen, Jan van Ligne, graaf van Arenberg in de Slag bij Heiligerlee. Het was een overwinning voor de opstandelingen, maar hier sneuvelde wel Willems broer Adolf. Alva wist het effect te neutraliseren door de onthoofding op 6 juni 1568 op de markt in Brussel van Egmont en Horne. Daarna ging het slecht met de krijgsverrichtingen van Oranje. Willem van Oranje had lang geaarzeld voor hij iets ondernam tot hulp aan de verdrukte Nederlanden. Nog in maart 1567, tijdens de slag bij Oosterweel, weigerde hij (vanuit Antwerpen) het protestantse leger te hulp te komen. Maar door de manier waarop hij behandeld werd door de Spaanse overheerser, gecombineerd met dagelijkse verzoeken tot hulp, veranderde hij van mening. Hij benaderde verscheidene Duitse vorsten om financiële hulp en verkocht: 'zilverwerk, kleinodiën, tapijten en ander vorstelijk huissieraad'. Zijn broer graaf Lodewijk van Nassau zou in Friesland en Groningen een aanval ondernemen. De Staatse huurlingen trokken bij Bellingwolde het land binnen en namen de Wedderborg, het bezit van de (afwezige) Spaanse stadhouder in Groningen Jean de (Jan van) Ligne in beslag.                        De stad Groningen ging niet mee in de opstand. Het gevolg was dat na zes weken beleg de troepen van Alva naderden en Lodewijk niets anders restte dan te vluchten naar Oost-Friesland. Tijdens deze vlucht werden de troepen van graaf Lodewijk ter hoogte van Heiligerlee onderschept door Spaanse troepen. Toen Lodewijk van Nassau vernam dat zijn tegenstander (Alva) tegen hem optrok, wist hij zijn troepen toch te motiveren en stelde hen op bij het klooster van Heiligerlee. Op deze 23e mei 1568 verkeerde het Staatse leger in slechte toestand door honger en achterstallige soldijbetaling. Door militiare strategie en omstandigheden werd de Slag bij Heiligerlee toch een overwining voor de opstandelingen. Willem verloor in 1568 de Slag bij Jemmingen in Oost-Friesland. Ook in Brabant verloor hij de slag bij Geldenaken tegen Alva op 22/23 oktober 1568. Alles bij elkaar leverde het jaar 1568 militair- strategisch slechts winst op voor de Spanjaarden, en de financiële middelen van de prins waren eigenlijk uitgeput. Wel trachtte Willem in de volgende jaren, 1569-1571, slag te leveren, maar blijvende winst of opstand onder de bevolking leverde dit alles niet op. Militaire steun kreeg de prins van de watergeuzen, wier bezittingen ook geconfisqueerd waren. Aan hen reikte hij kaperbrieven uit om Spaanse schepen te plunderen. De druk op de bevolking nam toe. Alva voerde de Tiende Penning in, een vorm van belasting die enorm veel verzet opriep.
 Karel V en Philips II. Auteur: Antonio Arias Fernández. Willem I van Nassau, prins van Oranje en Stadhouder, 22 jaar,1555.  Schilder: Anthonis Mor van Dashorst. In Museum Schloss Wilhelmshöhe Anna van Egmont, Gravin van Buren, 1550. De eerste vrouw van Willem van Oranje. Philips II in wapenuitrusting, 1557.  Schilder: Anthonis Mor. In Monasterio San Lorenzo de El Escorial. Nicolas Perrenot de Granvelle, 16e eeuw. Schilder: Titan. In Besançon, musée du Temps. Portret van Filips van Montmorency, Graaf van Horn (Hoorn).  Emanuel van Meteren: Historie der Neder-land-scher ende haerder na-buren oorlogen, 1614. Collection Peace Palace Library, The Hague. In Besançon, musée du Temps.  Lamoral, Graaf van Egmont.  In Grafik aus dem Klebeband Nr. 1 der Fürstlich Waldeckschen Hofbibliothek Arolsen Hendrik van Brederode biedt Margaretha van Parma namens het Verbond der Edelen het Smeekschrift der Edelen aan, 1567.  Auteur: Famiano Strada (1572-1649); Pierre Du Ryer (ca.1606-1658). In Peace Palace Library

                          © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

     Willem van Oranje -      de Opstand
Hij begon zijn loopbaan in dienst van keizer Karel V. Zijn naam is Willem van Nassau. Hij was aanvankelijk stadhouder (plaatsvervanger) voor de regerend heer der Nederlanden (keizer Karel V dus). In 1544 stierf een neef van Willem, René van Chalon, die in 1530 door een erfenis onder meer het onafhankelijke prinsdom Orange (Nederlands: Oranje) verworven had. Omsloten door Frankrijk, was het een twistappel tussen Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk (Karel V), de officiële soeverein. De 26-jarige René had bij testament bepaald dat Willem van Nassau zijn opvolger zou worden. Ook keizer Karel V, destijds Heer der Nederlanden en keizer van het Heilige Roomse Rijk, stemde daarmee in. De elfjarige Willem erfde daardoor het prinsdom Orange met de prestigieuze titel van prins. Naast de lijfspreuk “Je maintiendrai” (ik zal handhaven), voerde hij nu dus ook de titel Prins van Oranje. Naast dit prinsdom erfde Willem van zijn neef belangrijke voorrechten en bezittingen in de Nederlanden. Karel V verbond aan de erfenis echter een voorwaarde: overgang tot het rooms-katholieke geloof en opvoeding aan het hof in Brussel (tot zijn elfde levensjaar kreeg Willem een opvoeding in lutherse zin op het stamslot Dillenburg in Duitsland. Zijn moeder was overtuigd protestant en bracht dat over op haar kinderen). Vanwege de belangrijkheid van de erfenis gingen de ouders en Willem akkoord met de eisen van Karel V en ging Willem over op het rooms-katholieke geloof. Aan het hof van keizer Karel (in Brussel) werd de Duitstalige Willem ingewijd tot diplomaat. Hij leerde Latijn, Frans, Spaans, Italiaans en het plaatselijke Nederlands. Er ontstonden contacten op allerlei niveaus. Fernando Álvarez de Toledo, hertog van Alva en staatssecretaris Granvelle leerde hij kennen. Ook kreeg hij in 1545 Karel V te zien, toen deze uit Duitsland naar Brussel was teruggekeerd en in 1549 Karels zoon Filips, die uit Spanje kwam. Het bleek dat de jonge prins zich uitstekend wist te redden. Zijn levenshouding werd gekenmerkt door optimisme en welsprekendheid. Hij bleek over diplomatieke gaven te beschikken. Hij kreeg zijn bijnaam de De Zwijger niet vanwege zwijgzaamheid, maar vanwege zijn gewoonte nooit het achterste van zijn tong te laten zien. Op 8 juli 1551 trad de 18- jarige Willem in het huwelijk met Anna van Egmont. Zoals gebruikelijk in zijn kringen was het huwelijk gebaseerd op berekening en familiebelang. Door het huwelijk vergrootte hij zijn belangen in de Nederlanden. De Nederlanden bestonden in die tijd uit 17 provinciën. Stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht De jonge Willem werd een van de belangrijkste edelen aan het hof van Karel V. Toen Karel op 25 oktober 1555 terugtrad als koning van Spanje, keizer van Duitsland en heer der Nederlanden, zei hij tegen zijn zoon en opvolger Filips II: Houd deze jongeman in ere, hij kan je waardevolste raadgever en steun zijn. In deze tijd toonde Willem zich nog trouw aan de rooms-katholieke kerk. In 1555 werd Filips II heer der Nederlanden en het jaar daarop ook koning van Spanje, waar hij overigens al vanaf 1539 als regent voor zijn vader optrad. Filips II was een overtuigd aanhanger van de rooms-katholieke kerk. De reeds in 1550 ingevoerde strenge 'plakkaten' (verordening) tegen de aanhangers van Maarten Luther hadden zijn volledige instemming. Hij zag het als zijn levensdoel om één groot rijk te scheppen met slechts één godsdienst, het rooms-katholicisme. Op dit punt wilde Filips van geen wijken weten. Prins Willem had, hoewel trouw aan de rooms- katholieke kerk, waardering voor de kritische humanist Erasmus. De koning, Philps II, trachtte nadrukkelijk Willem van Oranje aan zich te binden. In 1556 werd Willem ridder in de Orde van het Gulden Vlies. In het kader van de vredesonderhandelingen met Frankrijk, die in april 1559 zouden leiden tot de vrede van Cateau-Cambrésis, kreeg Willem van Filips belangrijke diplomatieke opdrachten. Daardoor leerde hij de groten van Europa kennen. Hij ontmoette onder anderen koning Hendrik II van Frankrijk en was samen met de hertog van Alva een van de belangrijkste raadsheren van Filips. Willem werd bovendien door Filips benoemd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Filips had een Geheime Raad met vertrouwelingen ingesteld, hij voerde strenge plakkaten voor de vervolging van de protestanten in. Aangaande het rijksbestuur streefde hij naar een krachtig centraal gezag, ten koste van lokale privileges, waaronder bijvoorbeeld de eigen belastingpolitiek van de Staten-Generaal. Vooral de invoering van de Tiende Penning riep heel wat spanning en weerstand onder de burgers op. Tussen Filips en de Nederlandse adel boterde het niet erg. Filips maakte liever gebruik van raadgevers van elders, zoals de Spanjaard Ruy Gómez de Silva en de topdiplomaat van Franse afkomst Nicolas Perrenot de Granvelle, die zijn vader al zo goed gediend had. Toen Filips in het najaar van 1559 naar Spanje vertrok, was geen enkele Nederlandse edelman daar echt rouwig om. Volgens niet geheel bevestigde bronnen zou hij prins Willem bij het afscheid hebben toegevoegd: Niet de Staten (Nederlandse adel), maar gij, gij, gij. Filips was kennelijk vooral in Willem teleurgesteld. Ze zouden elkaar nooit meer zien. Filips II benoemde in 1559 Margaretha van Parma tot landvoogdes voor de Nederlanden. De feitelijke machthebber was echter een vertrouweling van Filips, Antoine Perrenot de Granvelle als adviseur van Margareta, die in 1561 bovendien aartsbisschop van Mechelen werd. De politiek inzake de religie en het landsbestuur gaf ook spanning met de adel in de Nederlanden. Onder de hoge adel kwamen o.a. Filips van Montmorency (graaf van Horne), Lamoraal (graaf van Egmont), en Willem van Oranje in verzet. Op 11 maart 1563 stuurden zij een scherpe en waarschuwende brief aan koning Filips II. Het resultaat was echter averechts. Het deed Filips II zich nog meer vastbijten in zijn voorgestane intimidatiepolitiek. Najaar van 1564 wendde de Raad van State van de Nederlanden zich opnieuw tot Filips over de gevolgen van de gevoerde politiek. In de besluitvorming over de brief aan Filips II sprak prins Willem op 31 december 1564 een beroemde rede uit, de zogenaamde 'Oudejaarsrede'. De rede behoort tot de hoogtepunten in de Nederlandse geschiedenis, maar slechts delen zijn bewaard gebleven. In deze urenlange rede voerde hij openlijk en duidelijk een pleidooi voor gewetensvrijheid van de onderdanen. Lange tijd is hieruit door latere geschiedschrijvers de volgende zin geciteerd: “Ik kan niet goedkeuren dat vorsten over het geweten van hun onderdanen willen heersen en hun de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen.” Pas op 18 januari 1565 bracht Egmont de wens van de Raad van State over aan Filips II. Filips wees het verzoek van de Raad van State radicaal af. Bovendien moesten de belastingmaatregelen zo nodig met geweld worden ingevoerd. De centralisatie van de besluitvorming werd doorgedrukt. Het conflict tussen Filips en prins Willem was een feit. De aanloop naar de Opstand was begonnen. Op 25 december 1565 werd het Verbond der Edelen opgericht. Het Verbond der Edelen werd aangevoerd door Hendrik van Brederode, geflankeerd door de graven Floris van Culemborg en Lodewijk van Nassau. Zij kanaliseerden de toenemende onvrede onder de lagere en middelgrote adel met protestantse sympathieën. Zij wilden naar het voorbeeld van de Franse Hugenoten de krachten bundelen van al wie godsdienstvrede voorstond. De kopstukken van de hoge adel - graaf Lamoraal van Egmont, de graaf van Horne, Filips van Montmorency, baron Floris van Montigny, de graaf van Hoogstraten, Antoon II van Lalaing en Willem van Oranje - hielden zich aanvankelijk afzijdig. Willem van Oranje stond in contact met het Verbond via zijn broer Lodewijk van Nassau. Naast de vrees voor de invoering van de Spaanse inquisitie en afkeer van strenge godsdienstplakkaten, speelde voor de adel het streven naar het behoud van de eigen positie een rol. Vele edelen waren verarmd en door de opkomst van ambtenaren als uitvoerders van het bestuur van hun invloed beroofd. Op 5 april 1566 kwamen zo'n 200 edelen bijeen afkomstig uit alle delen van de Nederlanden. Ze verschaften zich toegang tot het Paleis op de Koudenberg en overhandigden het Smeekschrift der Edelen aan landvoogdes Margaretha van Parma. Bij de overhandiging werden de edelen bedacht met de Franse naam gueux (bedelaars), die ze als een eretitel gingen aannemen (in het Nederlands verbasterd tot: geuzen). Willem wachtte de door Filips II gestuurde Alva niet af. Hij vluchtte in april 1567 met zijn gezin naar Duitsland, waarna markies Maximiliaan van Hénin-Liétard op 17 juni 1567 benoemd werd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht en deze Willems functie als stadhouder dus overnam. Alleen Willems 12-jarige zoon Filips Willem bleef achter in Leuven, waar hij studeerde. Hij werd in 1568 afgevoerd naar Spanje, om een goede katholieke opvoeding te krijgen. Willem zou hem nooit meer terugzien. Margaretha trad af als landvoogdes uit protest tegen Alva, die haar betrekkelijk verzoeningsgezinde beleid doorkruiste. Alva werd benoemd als haar opvolger. Willem van Oranje vertrok op 15 april 1567, naar Dillenburg en hoewel hij Alva zijn diensten aanbood, viel op 16 december het besluit om ook hem te vervolgen. De dagvaarding werd in januari 1568 openbaar gemaakt. Alle bezittingen van de Prins van Oranje in de Nederlanden werden verbeurd verklaard. Willem begon daarop vanuit de Dillenburg in Duitsland met het aanwerven van troepen en nam de wapens op tegen de hertog van Alva, de vertegenwoordiger van koning Filips II. Oranje lanceerde zijn eerste invasie in de Nederlanden. Zijn zwager Willem IV van den Bergh werd als eerste verslagen in de slag bij Dalheim (25 april 1568). Op 25 mei 1568 leverde een legertje van Oranje, o.l.v zijn broer Lodewijk, slag tegen de koningsgezinden o.l.v de stadhouder van Groningen, Jan van Ligne, graaf van Arenberg in de Slag bij Heiligerlee. Het was een overwinning voor de opstandelingen, maar hier sneuvelde wel Willems broer Adolf. Alva wist het effect te neutraliseren door de onthoofding op 6 juni 1568 op de markt in Brussel van Egmont en Horne. Daarna ging het slecht met de krijgsverrichtingen van Oranje. Willem van Oranje had lang geaarzeld voor hij iets ondernam tot hulp aan de verdrukte Nederlanden. Nog in maart 1567, tijdens de slag bij Oosterweel, weigerde hij (vanuit Antwerpen) het protestantse leger te hulp te komen. Maar door de manier waarop hij behandeld werd door de Spaanse overheerser, gecombineerd met dagelijkse verzoeken tot hulp, veranderde hij van mening. Hij benaderde verscheidene Duitse vorsten om financiële hulp en verkocht: 'zilverwerk, kleinodiën, tapijten en ander vorstelijk huissieraad'. Zijn broer graaf Lodewijk van Nassau zou in Friesland en Groningen een aanval ondernemen. De Staatse huurlingen trokken bij Bellingwolde het land binnen en namen de Wedderborg, het bezit van de (afwezige) Spaanse stadhouder in Groningen Jean de (Jan van) Ligne in beslag.                        De stad Groningen ging niet mee in de opstand. Het gevolg was dat na zes weken beleg de troepen van Alva naderden en Lodewijk niets anders restte dan te vluchten naar Oost- Friesland. Tijdens deze vlucht werden de troepen van graaf Lodewijk ter hoogte van Heiligerlee onderschept door Spaanse troepen. Toen Lodewijk van Nassau vernam dat zijn tegenstander (Alva) tegen hem optrok, wist hij zijn troepen toch te motiveren en stelde hen op bij het klooster van Heiligerlee. Op deze 23e mei 1568 verkeerde het Staatse leger in slechte toestand door honger en achterstallige soldijbetaling. Door militiare strategie en omstandigheden werd de Slag bij Heiligerlee toch een overwining voor de opstandelingen. Hij verloor in 1568 de Slag bij Jemmingen in Oost-Friesland. Ook in Brabant verloor hij de slag bij Geldenaken tegen Alva op 22/23 oktober 1568. Alles bij elkaar leverde het jaar 1568 militair-strategisch slechts winst op voor de Spanjaarden, en de financiële middelen van de prins waren eigenlijk uitgeput. Wel trachtte Willem in de volgende jaren, 1569-1571, slag te leveren, maar blijvende winst of opstand onder de bevolking leverde dit alles niet op. Militaire steun kreeg de prins van de watergeuzen, wier bezittingen ook geconfisqueerd waren. Aan hen reikte hij kaperbrieven uit om Spaanse schepen te plunderen. De druk op de bevolking nam toe. Alva voerde de Tiende Penning in, een vorm van belasting die enorm veel verzet opriep.
 Karel V en Philips II. Auteur: Antonio Arias Fernández. Willem I van Nassau, prins van Oranje en Stadhouder, 22 jaar,1555.  Schilder: Anthonis Mor van Dashorst. In Museum Schloss Wilhelmshöhe Anna van Egmont, Gravin van Buren, 1550. De eerste vrouw van Willem van Oranje. Philips II in wapenuitrusting, 1557.  Schilder: Anthonis Mor. In Monasterio San Lorenzo de El Escorial. Nicolas Perrenot de Granvelle, 16e eeuw. Schilder: Titan. In Besançon, musée du Temps. Portret van Filips van Montmorency, Graaf van Horn (Hoorn).  Emanuel van Meteren: Historie der Neder-land-scher ende haerder na-buren oorlogen, 1614. Collection Peace Palace Library, The Hague. In Besançon, musée du Temps.  Lamoral, Graaf van Egmont.  In Grafik aus dem Klebeband Nr. 1 der Fürstlich Waldeckschen Hofbibliothek Arolsen Hendrik van Brederode biedt Margaretha van Parma namens het Verbond der Edelen het Smeekschrift der Edelen aan, 1567.  Auteur: Famiano Strada (1572-1649); Pierre Du Ryer (ca.1606-1658). In Peace Palace Library

 Museum JoCas