© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
VOC Verenigde Oost-Indische Compagnie 
VOC Verenigde Oost-Indische Compagnie was een particuliere Nederlandse handelsonderneming met een monopolie op de overzeese handel tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop (Zuid-Afrika) en ten westen van de Straat Magellaan (Zuid-Amerika). De VOC werd in 1602 opgericht als de “Generale Vereenichde Geoctroyeerde Compagnie”. Het was destijds het grootste handelsbedrijf ter wereld en was de eerste naamloze vennootschap met vrij verhandelbare aandelen. De VOC wordt vaak genoemd als het eerste bedrijf dat in meerdere landen vestigingen had. De VOC richtte een handelsnetwerk op tussen de diverse handelsposten in de Aziatische regio. Deze intra-Aziatische handel zorgde vele jaren voor grote winsten. De VOC sloot daartoe naar believen tractaten (verdragen) met oosterse alleenheersers en vorsten. De compagnie sloeg eigen munten, want in Azië was nauwelijks vraag naar Europese producten, afgezien van wapens, wetenschappelijke instrumenten en medische handboeken. De VOC had een eigen leger en oorlogsschepen ter handhaving of uitbreiding van haar positie en om zo nodig handel met de lokale bevolking af te dwingen. De compagnie stortte zich in de eerste jaren in dure militaire campagnes om de Portugezen uit Aziatische handelsposten te verdrijven en andere concurrenten op een afstand te houden. Rond 1700 was de helft van het aantal medewerkers soldaat. Binnen de Aziatische factorijen (handelsposten) en het door haar gecontroleerde gebied regelde de compagnie bestuur en rechtspraak. Er werd handel gedreven (soms kort) met onder meer Mokka, Perzië, Gujarat, Malabar, Ceylon, de Coromandelkust, Bengalen, Ayutthaya, Cambodja, Birma, Vietnam, Formosa, China, Japan, Java en de Molukken waar lange tijd de meeste winst werd gemaakt. De VOC stimuleerde ontdekkingsreizen in de hoop op snellere verbindingen, nieuwe handelscontacten en producten, taalonderzoek met de bedoeling het christelijk geloof onder de aandacht van de plaatselijke bevolking te brengen en etnobotanisch onderzoek om het aantal slachtoffers onder haar werknemers te doen afnemen. Op het toppunt van haar macht had de VOC 25.000 werknemers in Azië in dienst. In Nederland had de VOC zo'n 3.000 personeelsleden en indirect waren in de toelevering velen er economisch afhankelijk van. Van hoog tot laag hielden de werknemers zich bezig met smokkel om hun karige salarissen aan te vullen. De VOC had veel te lijden van de Vierde Engels- Nederlandse Oorlog (1780-1784), toen door de Engelsen meerdere handelsposten ingenomen werden en volle handelsschepen gekaapt werden. De verliezen worden geraamd op mogelijk zestig miljoen gulden. Tijdens de Bataafse Republiek werd het bedrijf in maart 1795 genationaliseerd. De schuld bedroeg een jaar later 120 miljoen gulden die de staat overnam. Het octrooi werd nog tweemaal verlengd om de lopende zaken af te handelen. De VOC hield officieel op te bestaan op 31 december 1799. Voorgeschiedenis Tussen 1498 en 1595 was de specerijenhandel op Oost-Indië volledig in handen van de Portugezen, gedekt door het pauselijke Verdrag van Tordesillas. Nadat Portugal met Spanje - waarmee de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in oorlog was - één land was geworden, werd het de Nederlanders verboden om Spaanse en Portugese havens aan te doen. Daarop werd in de republiek besloten om zelf de specerijen te gaan halen in Oost-Indië. Er ontstonden vanaf 1595 meerdere compagnieën met handel op Oost-Indië. Raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt was niet de enige die vond dat de financiering van de concurrentie de winst drukte. Daarnaast konden de kleine compagnieën geen rol spelen in de strijd tegen de koning van Spanje. Een grote verenigde compagnie zou daarentegen in zijn ogen een krachtig militair én economisch wapen zijn, en hij dwong de compagnieën te fuseren. De inkomsten die de VOC in de vorm van allerlei belastingen en accijnzen voor de staat zou genereren, werden voor het land van groot belang geacht voor de Tachtigjarige Oorlog. Dat bleek in de praktijk ook zo te zijn. Aan het eind van zijn leven liet Van Oldenbarnevelt weten dat bij de oprichting voor hem het staatsbelang zwaarder woog dan dat van de aandeelhouders. In 1602 gingen zes compagnieën over in de VOC. Op 20 maart 1602 verleenden de Staten-Generaal een octrooi met daarin vastgelegd dat vanuit de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden alleen de VOC het recht had zeehandel te drijven in het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan. De dag van de octrooiverlening wordt algemeen beschouwd als de officiële oprichtingsdatum. Het octrooi had een geldigheid van eenentwintig jaar. Afgesproken was dat de participanten het recht hadden om na tien jaar hun gehele inleg terug te krijgen. De 73 bewindhebbers van de zes voormalige compagnieën kregen de dagelijkse leiding. Dit aantal moest door natuurlijk verloop worden teruggebracht tot 60 bewindhebbers. Het werden er weer meer toen in de periode 1613-1665 diverse provincies en steden een zetel opeisten nadat de Staten-Generaal fikse subsidies hadden verleend. Vanaf 1696 mocht de Ridderschap van Holland twee bewindhebbers installeren. Daarmee kwam het aantal weer op 73 bewindhebbers. In 1749 werd stadhouder Willem IV aangesteld tot opperbewindhebber. Ook zijn opvolger Willem V kreeg die functie. Na de Franse inval en de oprichting van de Bataafse Republiek werden alle bewindhebbers op 24 december 1795 van hun taken ontheven. Het dagelijkse bestuur werd overgenomen door het 21 leden tellende Comité tot de zaken van de Oost-Indische handel en Bezittingen. De VOC was onderverdeeld in vier regionale afdelingen (Amsterdam, Zeeland, West-Friesland en Maaze) met in zes steden een kantoor dat 'kamer' genoemd werd. Het centrale bestuur kwam in handen van de Heren XVII, naar de naam van het aantal door de kamers afgevaardigde bewindhebbers. Het aantal bewindhebbers van elke kamer dat werd afgevaardigd naar de Heren XVII was zo vastgesteld dat Amsterdam geen absolute meerderheid kon krijgen. In Den Haag zetelde het Haags Besogne. Dit was een administratieve commissie binnen de VOC die de correspondentie met Indië controleerde. Vanaf 1609 was het plaatselijke bestuur in Indië in handen van de Raad van Indië. Deze was verantwoording schuldig aan de Heren XVII, maar omdat instructies gemiddeld driekwart jaar onderweg waren, was die in verregaande mate bevoegd zelf beslissingen te nemen. Deze Hoge Regering werd geleid door de gouverneur- generaal en werd bijgestaan door raadsleden. De Raad van Indië zetelde eerst op het eiland Ternate en later in de stad Batavia op Java. De eerste jaren werd zwaar geïnvesteerd in een oorlogsvloot om vaste voet in Azië te krijgen. Aan de Staten-Generaal werd geld gegeven om in Portugal handels- en oorlogsschepen aan te vallen en havens te blokkeren. Zelf veroverde de VOC in de Indische Archipel diverse Portugese forten en maakte 150 tot 200 schepen buit. De VOC groeide daarmee in de beginjaren uit tot een kaapvaartcompagnie. Ook tijdens het Twaalfjarig Bestand ging de gewapende strijd tegen de Spanjaarden en Portugezen onverminderd door. Zo werd de in Spaanse handen zijnde haven van Manilla enkele malen geblokkeerd. Pas begin jaren twintig zou de VOC van vrijbuiter worden omgevormd tot handelscompagnie. Al in 1608 werd een factorij in Masulipatnam gesticht, aan de Coromandelkust in het zuiden van India. Vanaf 1615 werd handel gedreven op Bengalen in het noorden. Aan de kaapvaart had de VOC in de eerste 21 jaar van zijn bestaan volgens historicus Victor Enthoven zo'n tien miljoen gulden verdiend. Had het die inkomsten niet gehad, dan was de compagnie volgens hem in de beginjaren al failliet gegaan. Het gemiddelde rendement op de aandelen bedroeg tot begin jaren twintig van de zeventiende eeuw zo'n zes procent op jaarbasis. Dat was minder dan de banken voor spaargeld gaven. In 1622 voerde een groep participanten oppositie tegen de bewindhebbers. Een aantal van hen had een complete voorraad handelsgoederen opgekocht, nog voordat die de republiek bereikt had. De aandeelhouders beschuldigden de bewindhebbers van mismanagement, zelfverrijking, belangenconflicten en een gebrek aan financiële openheid. Daarop werd bij de vernieuwing van het octrooi in 1623 de macht van de bewindhebbers enigszins beperkt. Er werd een regel ingesteld dat ze niet meer hun leven lang, maar slechts voor een periode van drie jaar als bewindhebber konden aanblijven en vervolgens drie jaar aan de zijlijn moesten staan. Hiermee werd al spoedig de hand gelicht. Daarnaast mochten de bewindhebbers alleen nog op publieke veilingen en tegen dezelfde voorwaarden als anderen handelswaren kopen. Vanaf 1647 werden de bewindhebbers vast bezoldigd, evenals het kantoorpersoneel. In dat jaar probeerde de in 1621 opgerichte en inmiddels nagenoeg failliete West-Indische Compagnie vergeefs te fuseren met de VOC.
Bron: TANAP Foto: Svdmolen Ets: Joseph Mulder. Bron: Stadsarchief Amsterdam. Foto: bma.amsterdam.nl ...Het schip verging op 4 juni 1629 voor de Australische westkust. Foto: ADZee.

                          © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas

VOC Verenigde Oost-Indische Compagnie 
De VOC Verenigde Oost-Indische Compagnie was een particuliere Nederlandse handelsonderneming met een monopolie op de overzeese handel tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop (Zuid-Afrika) en ten westen van de Straat Magellaan (Zuid- Amerika). De VOC werd in 1602 opgericht als de “Generale Vereenichde Geoctroyeerde Compagnie”. Het was destijds het grootste handelsbedrijf ter wereld en was de eerste naamloze vennootschap met vrij verhandelbare aandelen. De VOC wordt vaak genoemd als het eerste bedrijf dat in meerdere landen vestigingen had. De VOC richtte een handelsnetwerk op tussen de diverse handelsposten in de Aziatische regio. Deze intra-Aziatische handel zorgde vele jaren voor grote winsten. De VOC sloot daartoe naar believen tractaten (verdragen) met oosterse alleenheersers en vorsten. De compagnie sloeg eigen munten, want in Azië was nauwelijks vraag naar Europese producten, afgezien van wapens, wetenschappelijke instrumenten en medische handboeken. De VOC had een eigen leger en oorlogsschepen ter handhaving of uitbreiding van haar positie en om zo nodig handel met de lokale bevolking af te dwingen. De compagnie stortte zich in de eerste jaren in dure militaire campagnes om de Portugezen uit Aziatische handelsposten te verdrijven en andere concurrenten op een afstand te houden. Rond 1700 was de helft van het aantal medewerkers soldaat. Binnen de Aziatische factorijen (handelsposten) en het door haar gecontroleerde gebied regelde de compagnie bestuur en rechtspraak. Er werd handel gedreven (soms kort) met onder meer Mokka, Perzië, Gujarat, Malabar, Ceylon, de Coromandelkust, Bengalen, Ayutthaya, Cambodja, Birma, Vietnam, Formosa, China, Japan, Java en de Molukken waar lange tijd de meeste winst werd gemaakt. De VOC stimuleerde ontdekkingsreizen in de hoop op snellere verbindingen, nieuwe handelscontacten en producten, taalonderzoek met de bedoeling het christelijk geloof onder de aandacht van de plaatselijke bevolking te brengen en etnobotanisch onderzoek om het aantal slachtoffers onder haar werknemers te doen afnemen. Op het toppunt van haar macht had de VOC 25.000 werknemers in Azië in dienst. In Nederland had de VOC zo'n 3.000 personeelsleden en indirect waren in de toelevering velen er economisch afhankelijk van. Van hoog tot laag hielden de werknemers zich bezig met smokkel om hun karige salarissen aan te vullen. De VOC had veel te lijden van de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784), toen door de Engelsen meerdere handelsposten ingenomen werden en volle handelsschepen gekaapt werden. De verliezen worden geraamd op mogelijk zestig miljoen gulden. Tijdens de Bataafse Republiek werd het bedrijf in maart 1795 genationaliseerd. De schuld bedroeg een jaar later 120 miljoen gulden die de staat overnam. Het octrooi werd nog tweemaal verlengd om de lopende zaken af te handelen. De VOC hield officieel op te bestaan op 31 december 1799. Voorgeschiedenis Tussen 1498 en 1595 was de specerijenhandel op Oost-Indië volledig in handen van de Portugezen, gedekt door het pauselijke Verdrag van Tordesillas. Nadat Portugal met Spanje - waarmee de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in oorlog was - één land was geworden, werd het de Nederlanders verboden om Spaanse en Portugese havens aan te doen. Daarop werd in de republiek besloten om zelf de specerijen te gaan halen in Oost-Indië. Er ontstonden vanaf 1595 meerdere compagnieën met handel op Oost-Indië. Raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt was niet de enige die vond dat de financiering van de concurrentie de winst drukte. Daarnaast konden de kleine compagnieën geen rol spelen in de strijd tegen de koning van Spanje. Een grote verenigde compagnie zou daarentegen in zijn ogen een krachtig militair én economisch wapen zijn, en hij dwong de compagnieën te fuseren. De inkomsten die de VOC in de vorm van allerlei belastingen en accijnzen voor de staat zou genereren, werden voor het land van groot belang geacht voor de Tachtigjarige Oorlog. Dat bleek in de praktijk ook zo te zijn. Aan het eind van zijn leven liet Van Oldenbarnevelt weten dat bij de oprichting voor hem het staatsbelang zwaarder woog dan dat van de aandeelhouders. In 1602 gingen zes compagnieën over in de VOC. Op 20 maart 1602 verleenden de Staten- Generaal een octrooi met daarin vastgelegd dat vanuit de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden alleen de VOC het recht had zeehandel te drijven in het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan. De dag van de octrooiverlening wordt algemeen beschouwd als de officiële oprichtingsdatum. Het octrooi had een geldigheid van eenentwintig jaar. Afgesproken was dat de participanten het recht hadden om na tien jaar hun gehele inleg terug te krijgen. De 73 bewindhebbers van de zes voormalige compagnieën kregen de dagelijkse leiding. Dit aantal moest door natuurlijk verloop worden teruggebracht tot 60 bewindhebbers. Het werden er weer meer toen in de periode 1613- 1665 diverse provincies en steden een zetel opeisten nadat de Staten-Generaal fikse subsidies hadden verleend. Vanaf 1696 mocht de Ridderschap van Holland twee bewindhebbers installeren. Daarmee kwam het aantal weer op 73 bewindhebbers. In 1749 werd stadhouder Willem IV aangesteld tot opperbewindhebber. Ook zijn opvolger Willem V kreeg die functie. Na de Franse inval en de oprichting van de Bataafse Republiek werden alle bewindhebbers op 24 december 1795 van hun taken ontheven. Het dagelijkse bestuur werd overgenomen door het 21 leden tellende Comité tot de zaken van de Oost-Indische handel en Bezittingen. De VOC was onderverdeeld in vier regionale afdelingen (Amsterdam, Zeeland, West-Friesland en Maaze) met in zes steden een kantoor dat 'kamer' genoemd werd. Het centrale bestuur kwam in handen van de Heren XVII, naar de naam van het aantal door de kamers afgevaardigde bewindhebbers. Het aantal bewindhebbers van elke kamer dat werd afgevaardigd naar de Heren XVII was zo vastgesteld dat Amsterdam geen absolute meerderheid kon krijgen. In Den Haag zetelde het Haags Besogne. Dit was een administratieve commissie binnen de VOC die de correspondentie met Indië controleerde. Vanaf 1609 was het plaatselijke bestuur in Indië in handen van de Raad van Indië. Deze was verantwoording schuldig aan de Heren XVII, maar omdat instructies gemiddeld driekwart jaar onderweg waren, was die in verregaande mate bevoegd zelf beslissingen te nemen. Deze Hoge Regering werd geleid door de gouverneur- generaal en werd bijgestaan door raadsleden. De Raad van Indië zetelde eerst op het eiland Ternate en later in de stad Batavia op Java. De eerste jaren werd zwaar geïnvesteerd in een oorlogsvloot om vaste voet in Azië te krijgen. Aan de Staten-Generaal werd geld gegeven om in Portugal handels- en oorlogsschepen aan te vallen en havens te blokkeren. Zelf veroverde de VOC in de Indische Archipel diverse Portugese forten en maakte 150 tot 200 schepen buit. De VOC groeide daarmee in de beginjaren uit tot een kaapvaartcompagnie. Ook tijdens het Twaalfjarig Bestand ging de gewapende strijd tegen de Spanjaarden en Portugezen onverminderd door. Zo werd de in Spaanse handen zijnde haven van Manilla enkele malen geblokkeerd. Pas begin jaren twintig zou de VOC van vrijbuiter worden omgevormd tot handelscompagnie. Al in 1608 werd een factorij in Masulipatnam gesticht, aan de Coromandelkust in het zuiden van India. Vanaf 1615 werd handel gedreven op Bengalen in het noorden. Aan de kaapvaart had de VOC in de eerste 21 jaar van zijn bestaan volgens historicus Victor Enthoven zo'n tien miljoen gulden verdiend. Had het die inkomsten niet gehad, dan was de compagnie volgens hem in de beginjaren al failliet gegaan. Het gemiddelde rendement op de aandelen bedroeg tot begin jaren twintig van de zeventiende eeuw zo'n zes procent op jaarbasis. Dat was minder dan de banken voor spaargeld gaven. In 1622 voerde een groep participanten oppositie tegen de bewindhebbers. Een aantal van hen had een complete voorraad handelsgoederen opgekocht, nog voordat die de republiek bereikt had. De aandeelhouders beschuldigden de bewindhebbers van mismanagement, zelfverrijking, belangenconflicten en een gebrek aan financiële openheid. Daarop werd bij de vernieuwing van het octrooi in 1623 de macht van de bewindhebbers enigszins beperkt. Er werd een regel ingesteld dat ze niet meer hun leven lang, maar slechts voor een periode van drie jaar als bewindhebber konden aanblijven en vervolgens drie jaar aan de zijlijn moesten staan. Hiermee werd al spoedig de hand gelicht. Daarnaast mochten de bewindhebbers alleen nog op publieke veilingen en tegen dezelfde voorwaarden als anderen handelswaren kopen. Vanaf 1647 werden de bewindhebbers vast bezoldigd, evenals het kantoorpersoneel. In dat jaar probeerde de in 1621 opgerichte en inmiddels nagenoeg failliete West-Indische Compagnie vergeefs te fuseren met de VOC.
Bron: TANAP Foto: Svdmolen Ets: Joseph Mulder. Bron: Stadsarchief Amsterdam. Foto: bma.amsterdam.nl ...Het schip verging op 4 juni 1629 voor de Australische westkust. Foto: ADZee.