© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Srebrenica - Dutchbat
De val van Srebrenica op 11 juli 1995 was de inname van de Bosnische stad Srebrenica en de daaropvolgende deportatie en genocide van meer dan 7000 moslimjongens en -mannen, die formeel onder bescherming stonden van een VN-bataljon bestaande uit Nederlandse militairen. Het exacte aantal slachtoffers is nooit vast komen te staan. Na het uiteenvallen van Joegoslavië en de burgeroorlog die daarop volgde werd de stad, evenals Tuzla, Sarajevo, Goražde en Žepa, door de Verenigde Naties tot veilige enclave voor moslims verklaard, binnen een door Bosnische Serviërs beheerst gebied. Voor de veiligheid van de ruim 30.000 inwoners van de enclave werd gezorgd door de aanwezigheid van een internationale vredesmacht onder de vlag van de Verenigde Naties. In 1993 werd Srebrenica door Servische eenheden dusdanig bedreigd dat de stad door de Verenigde Naties werd uitgeroepen tot de eerste “safe area” in het Bosnische conflict. Op 11 juli 1995, toen ruim 600 Nederlandse UNPROFOR-militairen (achtereenvolgens de bataljons 'Dutchbat I, II en III') in Tuzla en Srebrenica hun humanitaire werk deden, drongen Bosnisch-Servische troepen onder bevel van generaal Ratko Mladić met hulp van tanks de stad binnen en deporteerden en vermoordden een groot deel van de daar aanwezige moslimmannen en -jongens. Het wordt gezien als de ergste daad van genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog. Toen Dutchbat de veiligheidstaken in de twee enclaves overnam van de Canadezen was het Bosnische gebied rond Srebrenica al drastisch gekrompen. Bosnische eenheden hadden zich rond de stad ingegraven. Daarvoor verlieten groepen bewoners onder leiding van gewapende mannen nu en dan de enclave om voedsel te vinden in de omringende Servische dorpen. Aangezien de Servische burgers hun voedsel - dat voor deze burgers evenzeer van levensbelang was - vaak met hun leven beschermden en beide groepen bovendien doodsbang waren voor elkaar, hadden ontmoetingen tussen Bosnische en Servische burgers op deze voedseltochten vaak een dodelijke afloop. Deze plundertochten werden veelal uitgevoerd onder leiding van Naser Oric, de algemene militaire commandant van de moslims in Srebrenica. De afspraak met de Bosnische leiding was dat de enclave gedemilitariseerd zou worden, dat was een voorwaarde van de VN, echter op bevel van de Bosnische president Alija Izetbegović werden alleen de grootste en defecte wapens ingeleverd. De moslimtroepen binnen de enclave voerden regelmatig aanvallen uit op omliggende Servische posten opzettelijk vanaf posities vlakbij de waarnemingsposten van de VN. Voortvloeiende uit het zwakke mandaat van de VN, dat voorzag in waarneming in een enclave waarvan de grenzen niet afgebakend werden, had Dutchbat slechts lichte wapens ter verdediging van de bewoners van de enclaves die het bataljon geacht werd te beschermen. Naar algemeen oordeel waren de wapens van Dutchbat te licht voor een effectieve verdediging. De visie van de VN was echter dat alleen al de aanwezigheid van Dutchbat de Serviërs ervan zou weerhouden de enclave aan te vallen: "to deter by presence". Een andere handicap was de slechte communicatie tussen de hoofdkwartieren van Srebrenica, Tuzla, Sarajevo, Den Haag en het VN-hoofdkwartier in Zagreb. Toen de Serviërs Srebrenica naderden sloeg overste Thom Karremans alarm. Hij vroeg viermaal om luchtsteun, op 6 en 8 juli 1995, en tweemaal op 11 juli. De eerste twee keer weigerde brigadegeneraal C.H. Nicolai vanuit Sarajevo Karremans' verzoek aan het VN-hoofdkwartier in Zagreb aan Janvier door te geven, omdat de aanvragen niet voldeden aan de gemaakte afspraken omtrent het aanvragen van luchtsteun (op dat moment waren er nog geen directe gevechtshandelingen.) Op 8 juli werd in de buurt van een observatiepost gevochten tussen Servische en moslimstrijders. De post kwam in de vuurlinie te liggen, toen een Servisch pantservoertuig door de moslim-linies brak. De militairen van Dutchbat kregen tien minuten de tijd om de post te verlaten, die daarop door de Serviërs werd overgenomen. Zij stuitten bij hun vertrek op een barricade van moslimstrijders, die merkten dat door de overname van de observatiepost de Serviërs gebiedswinst boekten. De Dutchbatters reden met hun pantservoertuig door de barricade. De Nederlandse soldaat Raviv van Renssen verloor daarbij het leven door een handgranaat, die vanuit de barricade op het voertuig werd geworpen. Op 11 juli, toen Servische tanks de stad al waren binnengedrongen, speelde generaal Nicolaï Karremans' aanvraag voor luchtsteun door aan Janvier, die zou hebben geweigerd. De tweede aanvraag op 11 juli werd wel gehonoreerd. De vliegtuigen (F-16's), die in afwachting van een inzetbevel al uren rondcirkelden, waren ondertussen door Nicolaï gesommeerd terug te gaan naar hun basis in Italië om bij te tanken. Uiteindelijk hebben twee Nederlandse F-16's om 14.40 uur een luchtaanval op twee tanks uitgevoerd, vrijwel zonder tactisch effect. De leiding berustte bij eerste luitenant Manja Blok. Haar vliegtuig wierp -in opdracht van een militair op de grond- twee bommen af op twee Servische tanks. Een groep Amerikaanse jachtbommenwerpers kon zijn doel echter niet vinden en moest terugkeren naar de basis. De enclave was toen reeds onder de voet gelopen en de luchtaanval werd op bevel van de VN en na sterk aandringen van minister Voorhoeve afgebroken, omdat Servische militairen dreigden Dutchbatters te doden.De Nederlandse militairen en duizenden inwoners waren intussen naar het nabijgelegen Potočari gevlucht, de VN- basis waar Dutchbat was gelegerd. Op 13 juli werden de jongens en mannen die bij Dutchbat in Potočari met hun families veiligheid zochten door zwaarbewapende Servische soldaten onder regie van Ratko Mladić gescheiden van de vrouwen en kinderen. Bij die operatie assisteerde Dutchbat om een en ander ordelijk te doen verlopen. Mladić beloofde dat de jongens en mannen slechts geëvacueerd zouden worden, alle gedeporteerden bleken later echter vermoord of vermist. Hierbij waren zowel Mladić's soldaten als paramilitairen van de groep de Schorpioenen betrokken. Dutchbat werd aansluitend teruggetrokken op één compagnie na, de Alfacompagnie van 42 Bataljon Limburgse Jagers. Zij behoorde tot het oorspronkelijke Dutchbat 4; de eenheid bleef in Shimin Han tot november 1995. De feestelijke ontvangst in Zagreb van de Nederlandse militairen door minister Voorhoeve veroorzaakte commotie: hossende en bierdrinkende Dutchbatters in Zagreb die in het NOS Journaal te zien waren tijdens het verdwijnen van de geëvacueerde moslims in Srebrenica hebben de indruk van onverschillige soldaten gewekt. Volgens het NIOD-rapport ging het echter slechts om enkele feestvierders. In 2002 waren nog maar ruim zestig van de lichamen teruggevonden. Anno 2005 zijn meer dan 1500 lichamen geïdentificeerd. Door internationale inspanning tracht men de gevonden lijken te identificeren voor de nabestaanden. Deze hebben zich sinds 1995 verenigd in de 'Campagne voor Waarheid en Gerechtigheid'. Het definitieve onderzoeksrapport werd op woensdag 10 april 2002 in de Rolzaal in Den Haag aan het kabinet gepresenteerd en openbaar gemaakt door een van de onderzoeksleiders, NIOD-directeur Hans Blom. Minister De Grave als de minister van VROM en Jan Pronk, gaf binnen enkele dagen te kennen consequenties te trekken uit het rapport en te willen aftreden. Op dinsdag 16 april 2002 viel het gehele tweede kabinet-Kok als gevolg van de kabinetscrisis over het Srebrenica-drama. Bij monde van premier Wim Kok heeft de Nederlandse regering hiermee openlijk wel verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen op zich genomen maar niet de schuld. Die moet volgens Kok in breder, internationaler verband gezocht worden, niet het minst bij de Serviërs. Het parlement ging vervolgens over tot het instellen van de parlementaire enquête naar de val van Srebrenica. De enquêtecommissie stond onder leiding van Bert Bakker (D66).
Kaart van Bosnië en Herzegovina met duiding Srebrenica. Auteur: Mazbln  Creative Commons-licenties Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported, 2.5 Algemeen, 2.0 Algemeen en 1.0 Algemeen. Copyright on defensie.nl is CC0, including images, unless an image has an explicit statement to the contrary. Ministry of Defence, Netherlands.

                          © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas

Srebrenica - Dutchbat
De val van Srebrenica op 11 juli 1995 was de inname van de Bosnische stad Srebrenica en de daaropvolgende deportatie en genocide van meer dan 7000 moslimjongens en -mannen, die formeel onder bescherming stonden van een VN-bataljon bestaande uit Nederlandse militairen. Het exacte aantal slachtoffers is nooit vast komen te staan. Na het uiteenvallen van Joegoslavië en de burgeroorlog die daarop volgde werd de stad, evenals Tuzla, Sarajevo, Goražde en Žepa, door de Verenigde Naties tot veilige enclave voor moslims verklaard, binnen een door Bosnische Serviërs beheerst gebied. Voor de veiligheid van de ruim 30.000 inwoners van de enclave werd gezorgd door de aanwezigheid van een internationale vredesmacht onder de vlag van de Verenigde Naties. In 1993 werd Srebrenica door Servische eenheden dusdanig bedreigd dat de stad door de Verenigde Naties werd uitgeroepen tot de eerste “safe area” in het Bosnische conflict. Op 11 juli 1995, toen ruim 600 Nederlandse UNPROFOR-militairen (achtereenvolgens de bataljons 'Dutchbat I, II en III') in Tuzla en Srebrenica hun humanitaire werk deden, drongen Bosnisch-Servische troepen onder bevel van generaal Ratko Mladić met hulp van tanks de stad binnen en deporteerden en vermoordden een groot deel van de daar aanwezige moslimmannen en -jongens. Het wordt gezien als de ergste daad van genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog. Toen Dutchbat de veiligheidstaken in de twee enclaves overnam van de Canadezen was het Bosnische gebied rond Srebrenica al drastisch gekrompen. Bosnische eenheden hadden zich rond de stad ingegraven. Daarvoor verlieten groepen bewoners onder leiding van gewapende mannen nu en dan de enclave om voedsel te vinden in de omringende Servische dorpen. Aangezien de Servische burgers hun voedsel - dat voor deze burgers evenzeer van levensbelang was - vaak met hun leven beschermden en beide groepen bovendien doodsbang waren voor elkaar, hadden ontmoetingen tussen Bosnische en Servische burgers op deze voedseltochten vaak een dodelijke afloop. Deze plundertochten werden veelal uitgevoerd onder leiding van Naser Oric, de algemene militaire commandant van de moslims in Srebrenica. De afspraak met de Bosnische leiding was dat de enclave gedemilitariseerd zou worden, dat was een voorwaarde van de VN, echter op bevel van de Bosnische president Alija Izetbegović werden alleen de grootste en defecte wapens ingeleverd. De moslimtroepen binnen de enclave voerden regelmatig aanvallen uit op omliggende Servische posten opzettelijk vanaf posities vlakbij de waarnemingsposten van de VN. Voortvloeiende uit het zwakke mandaat van de VN, dat voorzag in waarneming in een enclave waarvan de grenzen niet afgebakend werden, had Dutchbat slechts lichte wapens ter verdediging van de bewoners van de enclaves die het bataljon geacht werd te beschermen. Naar algemeen oordeel waren de wapens van Dutchbat te licht voor een effectieve verdediging. De visie van de VN was echter dat alleen al de aanwezigheid van Dutchbat de Serviërs ervan zou weerhouden de enclave aan te vallen: "to deter by presence". Een andere handicap was de slechte communicatie tussen de hoofdkwartieren van Srebrenica, Tuzla, Sarajevo, Den Haag en het VN-hoofdkwartier in Zagreb. Toen de Serviërs Srebrenica naderden sloeg overste Thom Karremans alarm. Hij vroeg viermaal om luchtsteun, op 6 en 8 juli 1995, en tweemaal op 11 juli. De eerste twee keer weigerde brigadegeneraal C.H. Nicolai vanuit Sarajevo Karremans' verzoek aan het VN- hoofdkwartier in Zagreb aan Janvier door te geven, omdat de aanvragen niet voldeden aan de gemaakte afspraken omtrent het aanvragen van luchtsteun (op dat moment waren er nog geen directe gevechtshandelingen.) Op 8 juli werd in de buurt van een observatiepost gevochten tussen Servische en moslimstrijders. De post kwam in de vuurlinie te liggen, toen een Servisch pantservoertuig door de moslim-linies brak. De militairen van Dutchbat kregen tien minuten de tijd om de post te verlaten, die daarop door de Serviërs werd overgenomen. Zij stuitten bij hun vertrek op een barricade van moslimstrijders, die merkten dat door de overname van de observatiepost de Serviërs gebiedswinst boekten. De Dutchbatters reden met hun pantservoertuig door de barricade. De Nederlandse soldaat Raviv van Renssen verloor daarbij het leven door een handgranaat, die vanuit de barricade op het voertuig werd geworpen. Op 11 juli, toen Servische tanks de stad al waren binnengedrongen, speelde generaal Nicolaï Karremans' aanvraag voor luchtsteun door aan Janvier, die zou hebben geweigerd. De tweede aanvraag op 11 juli werd wel gehonoreerd. De vliegtuigen (F-16's), die in afwachting van een inzetbevel al uren rondcirkelden, waren ondertussen door Nicolaï gesommeerd terug te gaan naar hun basis in Italië om bij te tanken. Uiteindelijk hebben twee Nederlandse F-16's om 14.40 uur een luchtaanval op twee tanks uitgevoerd, vrijwel zonder tactisch effect. De leiding berustte bij eerste luitenant Manja Blok. Haar vliegtuig wierp -in opdracht van een militair op de grond- twee bommen af op twee Servische tanks. Een groep Amerikaanse jachtbommenwerpers kon zijn doel echter niet vinden en moest terugkeren naar de basis. De enclave was toen reeds onder de voet gelopen en de luchtaanval werd op bevel van de VN en na sterk aandringen van minister Voorhoeve afgebroken, omdat Servische militairen dreigden Dutchbatters te doden.De Nederlandse militairen en duizenden inwoners waren intussen naar het nabijgelegen Potočari gevlucht, de VN-basis waar Dutchbat was gelegerd. Op 13 juli werden de jongens en mannen die bij Dutchbat in Potočari met hun families veiligheid zochten door zwaarbewapende Servische soldaten onder regie van Ratko Mladić gescheiden van de vrouwen en kinderen. Bij die operatie assisteerde Dutchbat om een en ander ordelijk te doen verlopen. Mladić beloofde dat de jongens en mannen slechts geëvacueerd zouden worden, alle gedeporteerden bleken later echter vermoord of vermist. Hierbij waren zowel Mladić's soldaten als paramilitairen van de groep de Schorpioenen betrokken. Dutchbat werd aansluitend teruggetrokken op één compagnie na, de Alfacompagnie van 42 Bataljon Limburgse Jagers. Zij behoorde tot het oorspronkelijke Dutchbat 4; de eenheid bleef in Shimin Han tot november 1995. De feestelijke ontvangst in Zagreb van de Nederlandse militairen door minister Voorhoeve veroorzaakte commotie: hossende en bierdrinkende Dutchbatters in Zagreb die in het NOS Journaal te zien waren tijdens het verdwijnen van de geëvacueerde moslims in Srebrenica hebben de indruk van onverschillige soldaten gewekt. Volgens het NIOD-rapport ging het echter slechts om enkele feestvierders. In 2002 waren nog maar ruim zestig van de lichamen teruggevonden. Anno 2005 zijn meer dan 1500 lichamen geïdentificeerd. Door internationale inspanning tracht men de gevonden lijken te identificeren voor de nabestaanden. Deze hebben zich sinds 1995 verenigd in de 'Campagne voor Waarheid en Gerechtigheid'. Het definitieve onderzoeksrapport werd op woensdag 10 april 2002 in de Rolzaal in Den Haag aan het kabinet gepresenteerd en openbaar gemaakt door een van de onderzoeksleiders, NIOD-directeur Hans Blom. Minister De Grave als de minister van VROM en Jan Pronk, gaf binnen enkele dagen te kennen consequenties te trekken uit het rapport en te willen aftreden. Op dinsdag 16 april 2002 viel het gehele tweede kabinet-Kok als gevolg van de kabinetscrisis over het Srebrenica-drama.  Bij monde van premier Wim Kok heeft de Nederlandse regering hiermee openlijk wel verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen op zich genomen maar niet de schuld. Die moet volgens Kok in breder, internationaler verband gezocht worden, niet het minst bij de Serviërs. Het parlement ging vervolgens over tot het instellen van de parlementaire enquête naar de val van Srebrenica. De enquêtecommissie stond onder leiding van Bert Bakker (D66).
Kaart van Bosnië en Herzegovina met duiding Srebrenica. Auteur: Mazbln  Creative Commons-licenties Naamsvermelding-Gelijk delen 3.0 Unported, 2.5 Algemeen, 2.0 Algemeen en 1.0 Algemeen. Copyright on defensie.nl is CC0, including images, unless an image has an explicit statement to the contrary. Ministry of Defence, Netherlands.