© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Slavernij
De geschiedenis van de Nederlandse slavernij gaat over de slavernij in Nederland zelf, maar ook over de totstandkoming van de slavernij buiten Nederland en de rol van Nederland daarin. Slavernij is een maatschappelijk verschijnsel waarin personen eigendom zijn van een ander persoon. Slaven vallen dus onder het eigendomsrecht. Uiteraard heeft niet iedere samenleving dat eigendomsrecht op een zelfde manier vastgelegd, maar de benadering is hetzelfde. Slavernij is overal op de wereld voorgekomen. Omdat in Europa de waarde van het leven altijd hoog is geweest, was er altijd een zekere morele verplichting ten opzichte van je slaaf. Deze moest goed behandeld worden. Brandmerken in het gezicht werd bijvoorbeeld door de Romeinen als immoreel ervaren, maar het was wel een recht dat de eigenaar bezat. In (middeleeuws) Europa onderscheidden slaven zich van lijfeigenen en horigen en vrijen. Elk van deze kunnen gezien worden als een volgende stap op een schaal naar wat tegenwoordig een vrij persoon genoemd wordt. Het is niet zo dat deze stappen ook zo gemaakt werden. Het is meer zo dat een persoon afhankelijk van zijn rechten in één van deze groepen werd ingedeeld. Zowel de Kelten als de Germanen kenden een maatschappij van edelen, vrijen, halfvrijen (liten) en slaven en ook gedurende de Romeinse tijd werden er slaven gehouden. Ook de Friezen handelden in slaven, die vooral bestemd waren voor de slavenmarkten in Spanje en Caïro. Slavernij, zoals op de markt van Kamerijk, zou blijven bestaan totdat het christendom algemeen aanvaard was. Echte slaven kwamen in Nederland dan ook sinds de vroege middeleeuwen niet meer voor, ook niet tijdens de periode waarin door Nederlanders wel in slaven voor het buitenland gehandeld werd. Een vaak onderschat, of soms zelfs verzwegen aspect van de slavernij in Nederland is de rol van de Nederlander als slaaf in de moderne geschiedenis. Met name Noord-Afrikaanse kapers en handelaren, ook wel bekend als Barbarijse zeerovers, maar ook Turken, hadden het gemunt op Europeanen voor onder andere bouwprojecten en als galeislaaf, in Noord-Afrika. Ook werden slaven niet zelden gehouden met het oog op het verkrijgen van losgeld van familie of geloofsgenoten van de slaaf. Deze christenslaven werden zowel gevangen genomen tijdens het kapen van zeeschepen, als ook geroofd van de Europese kusten, waaronder de Nederlandse. Zelfs tot in IJslandse en Noord-Amerikaanse kustgemeenschappen zijn aanvallen gemeld. Het probleem van de roof van christenslaven wordt met name groot in de zeventiende en achtiende eeuw. Van de naar schatting 1 a 1,25 miljoen Europeanen die op deze wijze als slaaf gevangen genomen worden, zijn naar schatting 10 a 12.000 Nederlanders. Barbarijse zeerovers schrokken daarbij niet terug om zelfs slaven in Nederlandse kustdorpen voor de handel gevangen te nemen. Het aandeel van de Republiek in de Atlantische slavenhandel was gemiddeld zo’n vijf procent, ongeveer 500.000 mensen. De slavenhandel door de West-Indische Compagnie (WIC) heeft vooral in de beginjaren bijgedragen aan de status van de Nederlanden als economische wereldmacht. Al in 1528 werd een asiento (toestemming van Spanje om slaven te verhandelen) afgesloten tussen de Spaanse kroon en de waarschijnlijk Zuid-Nederlandse kooplieden Willem Sailler en Hendrik Eynger om gedurende vier jaar vierduizend slaven van Afrika naar het Caraïbische gebied te brengen. De slavenhandel werd echter aanvankelijk immoreel gevonden in de Nederlanden. Het was tegen de christelijke normen en waarden en aanvankelijk hield men zich hier buiten. In de strijd tegen de Spanjaarden en de Portugezen was de kaapvaart legitiem. Dit was na de oprichting in 1621 de voornaamste doelstelling en inkomstenbron van de West-Indische Compagnie (WIC). Tussen 1623 en 1636 werden 547 Spaanse en Portugese schepen gekaapt. Daarna werd het Groot Desseyn ontwikkeld, het grote plan. De Portugese suikerhandel vanuit Brazilië moest ondermijnd worden door de slavenhandel over te nemen. Met de verovering van de Zilvervloot in 1628 was er voldoende geld beschikbaar. Tussen 1630 en 1634 werd Recife met een groot deel van de Braziliaanse kust veroverd, dit werd Nederlands-Brazilië. In 1637 werd het fort te Elmina aan de Goudkust veroverd, het grote Portugese slavenhandelbolwerk. De eeuwen erna zou dit fort een van de centra van de slavenhandel van de WIC vormen. In 1641 werd ook Luanda veroverd op de Portugezen. Rond 1700 bezat de WIC een twaalftal handelsforten aan de West- Afrikaanse kust. De Nederlandse slavenhandel nam grote vormen aan, waarbij men in het Bijbelboek Genesis 9 - waarin de nakomelingen van Cham tot slavernij vervloekt worden - de rechtvaardiging vond. Om de suikerproductie in stand te houden, konden veel Portugese plantagehouders in het veroverde deel van Brazilië hun plantage behouden. Hiervoor waren particuliere slaven nodig. De opvattingen over de slavenhandel bleken rekbaar veranderd; niet-christenen mochten als slaaf worden verkocht. Vanaf 1640 begon de slavenhandel met Brazilië in te zakken en werd de handel verlegd naar de Spaanse koloniën in Amerika. Aanvankelijk vervoerden Nederlandse handelaren slaven naar Buenos Aires en Rio de la Plata in het huidige Argentinië, later werd ook het Caribische gebied doel van de slavenhandel. Toen in 1654 werd Brazilië heroverd door Portugal, waren er al zo’n 25.000 slaven aangevoerd. De suikerrietteelt werd na de herovering overgebracht naar het Caribisch gebied en het in 1634 veroverde Curaçao werd het Nederlandse verzamelpunt voor slaven. Na de Engelse verovering van Jamaica in 1655 werd het een belangrijke doorvoermarkt van slaven voor de Spaanse kolonies. Er werden ook nieuwe afnemers gevonden in de Engelsen en Fransen die tabak verbouwden op de door hen veroverde eilanden in de Caraïben en in Virginia, maar de meeste slaven gingen naar Suriname, dat vanaf 1668 definitief in Nederlandse handen was. In 1662 sloot Spanje een asiento met Domingo Grillo en Ambrosio Lomelino slaven uit Afrika te verhandelen. Grillo en Lomelino huurden de WIC in om de slaven van de Afrikaanse kust naar Zuid- Amerika aan te voeren. In het contract met de WIC werd vastgelegd dat de Hollanders gedurende 7 jaar 24.000 slaven zouden aanvoeren, circa 3500 slaven per jaar, waarbij Curaçao de tussenhaven zou zijn. Die aantallen werden echter lang niet gehaald: het gemiddelde aantal aangevoerde slaven lag eerder in de buurt van 700 per jaar. In Curaçao werden de slaven aan een kwaliteitscontrole onderworpen. Slaven werden ingedeeld naar een zogenaamd pieza de Indias, een maatstaf voor het arbeidsvermogen van een slaaf. Daarna werden de slaven aan Spaanse handelaren verkocht en naar de Spaanse koloniën vervoerd. Ook met de volgende eigenaren van het asiento sloot de WIC leveringscontracten. Door deze asiento-handel verkreeg de Republiek tussen 1660 en 1690 zo’n 30% van de slavenhandel. De totale aantallen waren echter nog beperkt; in de periode van 1658 tot 1674 werden naar schatting in totaal 45.700 slaven naar de West vervoerd. Een belangrijke factor in de Nederlandse slavenhandel werd het Coymans asiento. Balthasar Coymans leidde een filiaal van het Nederlandse handelshuis Coymans in Cádiz. Hij startte een lastercampagne om de Venetiaan Nicolas Porcio, die op dat moment de eigenaar van het asiento was, in een kwaad daglicht te stellen. Dat lukte en Coymans verkreeg in 1685 zelf het monopolie op de slavenhandel voor de Spaanse overzeese gebiedsdelen. Hij schakelde eveneens de WIC in om de slaven vanuit Afrika aan te voeren, zodat de Spaanse slavenhandel nu een volledig Nederlandse aangelegenheid was geworden. Coymans was verplicht ieder jaar 3000 piezas af te leveren, maar in de eerste drie jaar van het contract werden in totaal slechts 4896 piezas van de verwachte 9000 afgeleverd. Coymans overleed in 1686, de Spanjaarden verloren het vertrouwen in zijn opvolger en bleven achter met hun betalingen. In 1688 ging het alleenrecht terug naar de vorige eigenaar, Nicolas Porcio. In 1689 verklaarde de WIC Curaçao een open markt. Kooplieden van alle nationaliteiten waren nu welkom, maar omdat de handel nu slechts op de vrije markt kon plaatsvinden, was handel met de Spaanse koloniën niet meer mogelijk. De WIC sloot in 1689 en 1691 nog wel enkele contracten met Porcio, maar aantallen waren beperkter dan voorheen. In 1697 werd nog een contract gesloten met de Real Compañía de Cacheu, de opvolger van Porcio, voor de levering van 2500 tot 3000 slaven per jaar, maar Curaçao was voor dat contract geen doorvoerhaven meer. In 1699 werd het contract nog eens voor twee jaar verlengd. In de achttiende eeuw groeide de slavenhandel enorm. Er waren jaren dat er meer dan honderdduizend slaven werden vervoerd. Frankrijk en Engeland namen echter de positie over van de Republiek, zoals dat ook ging met de overige handel. De slavenhandel bleek ook niet erg winstgevend voor de Nederlanders, in tegenstelling tot de Engelsen. Dit kwam mede door de hoge sterfte onder de slaven op de overtocht. Het kwam voor dat 30% van de slaven stierf aan boord van de schepen. De ellendige omstandigheden die al uit dit cijfer spreken, werden verwoord in een anoniem citaat van een opvarende: "Vochtig weer en sterken wind belet hebbende de luchtgaten te openen begonnen koortzen en roode loop de negers te plaagen…hun vertrek was zoo ondraaglijk heet, dat ik er maar een oogenblik in konde verblyven. De hitte alleen maakte dit niet onmogelyk; de planken waren zoo met bloed bevlekt dat deze arme menschen als het ware daarin zwommen... Als zy door de ziekte door hun vel en hun vleesch komen, kwynen zy nog enige tyd in die toestand; door het liggen op de planken, waardoor de uitstekende knoken, vooral by de zieken, dikwijls ontveld worden, treedt dikwijls koud vuur in, totdat de barmhartige God hen den dood toezend, om dit leven van ellende te eindigen". Het duurde tot 1708 voordat opnieuw een toeleveringscontract aan de WIC werd aangeboden. Gedurende de Spaanse Successieoorlog, toen Nederland weer in oorlog raakte met Spanje en Frankrijk, verkregen de Franse bondgenoten het asiento van Spanje. Deze benaderden de WIC, maar de opdracht vond geen doorgang omdat de WIC bang was dat Curaçao door Fransen onder de voet zou worden gelopen. Toen in 1713 het asiento aan Engeland werd verleend betekende dat het verval voor de handel via Curaçao. Engeland had zijn eigen marktplaats. Aanvankelijk had de WIC het monopolie op de slavenvaart. In 1730 gaf de WIC echter het monopolie op het vervoer van slaven van Afrika naar Zuid-Amerika op en in 1738 ook het monopolie op de slavenhandel. Wel dienden de anderen recognitiegelden (is het bedrag dat de rooms-katholieken moesten betalen ten tijde van de Republiek om hun kerkdiensten ongestoord te kunnen houden. Letterlijk betekent recognitie: erkenning, te betalen aan de WIC. Vooral de Zeeuwen namen daarna de slavenvaart over, waarbij de Middelburgse Commercie Compagnie een belangrijke rol had. In 1713, direct na de Spaanse Successieoorlog kwam er abrupt een einde aan de centrale positie van Curaçao als regionale slavenmarkt. Er arriveerden gedurende de daaropvolgende jaren nog wel slavenschepen, maar de verkoop stagneerde. In 1716 liep het aantal onverkochte negotieslaven (slaven die onder het WIC-contract waren aangevuld) op tot boven de 800. Eind dat jaar brak een opstand uit onder negotieslaven op de WIC-plantage Santa Maria. Deze werd snel onderdrukt en de opstandelingen werden gevangengenomen en geëxecuteerd. Na de Zevenjarige Oorlog van 1763 droogde de slavenhandel met de Spanjaarden op Curaçao grotendeels op. Dat de slavenhandel ondanks de lage winstmarges werd voortgezet, kwam onder andere doordat veel handelaars ook belangen hadden in plantages in Suriname. Hiervoor hadden zij de slaven nodig. Het was dus voldoende als er winst werd behaald met de plantage. Op 17 augustus 1795 weigerden enkele tientallen slaven onder leiding van Tula om aan het werk te gaan op de plantage Knip. Slaven van naburige plantages sloten zich bij de opstand aan. Een eerste gewapend treffen met koloniale troepen, waaronder ook eenheden van de vrije marrons en de vrije slaven, werd door de opstandelingen gewonnen. In onderhandelingen eisten de slaven hun vrijheid. De daarop volgende confrontaties werden in het nadeel van de slaven beslecht. Na een laatste gevecht op 31 augustus was de opstand neergeslagen. De twee leiders Tula en Karpata werden door medeslaven opgebracht en vervolgens door het lokale gezag terechtgesteld, evenals 29 andere opstandelingen. Het is niet onmogelijk dat de opstand op Curaçao was geïnspireerd door de opstand in Frans Saint-Domingue (Haïti) of de opstand die kort daarvoor in Coro in Venezuela plaats vond. Na de opstand werd een beschermende slavenwetgeving op Curaçao uitgevaardigd, waarin onder meer de verstrekking van voedselrantsoenen en kleding alsmede werk- en rusttijden werden geregeld. Lijfeigene: iemands lichaam wordt beschouwd als het eigendom van de heer (landsheer, heerser) van een bepaald gebied. Het is een vorm van horigheid die de slavernij dicht benadert. Het kwam in de Europese middeleeuwen veel voor. Het verschil met slavernij is voornamelijk dat lijfeigenen een gezin konden stichten (wat met slaven lang niet altijd het geval was), een stukje land mochten bebouwen om hun gezin te voeden en niet zonder hun gezin en hun land konden worden verkocht. Horige: de horigen waren boeren die bepaalde verplichtingen hadden tot een heer. Horigen waren geen eigenaar van hun grond en gebouwen, de zogenaamde horigenhoeven, maar ze hadden bepaalde gebruiksrechten. In ruil daarvoor hadden ze verplichtingen die konden bestaan uit het afdragen van een deel van de oogst en het verlenen van herendiensten (hand-en-spandiensten). De horigen waren verplicht mee te vechten met hun heer als het domein werd aangevallen. Van zijn kant had ook de heer verplichtingen tegenover "zijn" horigen. Met name het verzekeren van rechtszekerheid en veiligheid en ook een zekere sociale zekerheid behoorden tot deze taken. De relatie horige-heer kon niet eenzijdig worden opgezegd en ging in beginsel over op een volgende generatie. In tegenstelling tot lijfeigenen konden horigen wel bezit hebben en overerven. Ze waren bovendien aan de door hen bewerkte grond verbonden (glebae adstrictus = aan de aardkluit gebonden), ze konden dus niet verhuizen, tenminste niet zonder de toestemming van hun heer. Route. Uit Nederlandse havens vertrokken schepen naar de westkust van Afrika. Het fort Elmina (in het huidige Ghana) was een belangrijk doorvoerpunt voor de Hollanders. Daar werden de slaven ingekocht en ingescheept voor een lange reis over de oceaan. Als het schip nog niet vol was, voer men voor aanvulling nog door naar wat thans Angola is. Het grootste deel van de slaven was bestemd om als werkkracht in Suriname en de Nederlandse Antillen dienst te doen. Een kleiner deel werd doorverkocht. Dit gebeurde voornamelijk op Curaçao. Aantallen Nederland verkocht en verscheepte zo'n 550.000 slaven: eerst naar Brazilië (zie: slavernij in Brazilië), later vooral naar Suriname en de Antillen. Nederland had een aandeel van zo'n 4% van de totale slavenhandel, op zijn hoogtepunt 5%, van de Europese grote mogendheden (totaal ongeveer 12,5 miljoen). Landen die de rest voor hun rekening namen, waren Portugal, Engeland, Frankrijk en Spanje.
Schilder: Boulanger Gustave Clarence Rudolphe Auteur: Robert Walsh Bron: 'Notices of Brazil in 1828 and 1829 Auteur, titre : harîrî (al-), maqâmât Artiste : wâsitî.(al-) Bron: Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures	Runehelmet derived from Aliesin Foto: Dave Ley.

                          © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas

Slavernij
De geschiedenis van de Nederlandse slavernij gaat over de slavernij in Nederland zelf, maar ook over de totstandkoming van de slavernij buiten Nederland en de rol van Nederland daarin. Slavernij is een maatschappelijk verschijnsel waarin personen eigendom zijn van een ander persoon. Slaven vallen dus onder het eigendomsrecht. Uiteraard heeft niet iedere samenleving dat eigendomsrecht op een zelfde manier vastgelegd, maar de benadering is hetzelfde. Slavernij is overal op de wereld voorgekomen. Omdat in Europa de waarde van het leven altijd hoog is geweest, was er altijd een zekere morele verplichting ten opzichte van je slaaf. Deze moest goed behandeld worden. Brandmerken in het gezicht werd bijvoorbeeld door de Romeinen als immoreel ervaren, maar het was wel een recht dat de eigenaar bezat. In (middeleeuws) Europa onderscheidden slaven zich van lijfeigenen en horigen en vrijen. Elk van deze kunnen gezien worden als een volgende stap op een schaal naar wat tegenwoordig een vrij persoon genoemd wordt. Het is niet zo dat deze stappen ook zo gemaakt werden. Het is meer zo dat een persoon afhankelijk van zijn rechten in één van deze groepen werd ingedeeld. Zowel de Kelten als de Germanen kenden een maatschappij van edelen, vrijen, halfvrijen (liten) en slaven en ook gedurende de Romeinse tijd werden er slaven gehouden. Ook de Friezen handelden in slaven, die vooral bestemd waren voor de slavenmarkten in Spanje en Caïro. Slavernij, zoals op de markt van Kamerijk, zou blijven bestaan totdat het christendom algemeen aanvaard was. Echte slaven kwamen in Nederland dan ook sinds de vroege middeleeuwen niet meer voor, ook niet tijdens de periode waarin door Nederlanders wel in slaven voor het buitenland gehandeld werd. Een vaak onderschat, of soms zelfs verzwegen aspect van de slavernij in Nederland is de rol van de Nederlander als slaaf in de moderne geschiedenis. Met name Noord-Afrikaanse kapers en handelaren, ook wel bekend als Barbarijse zeerovers, maar ook Turken, hadden het gemunt op Europeanen voor onder andere bouwprojecten en als galeislaaf, in Noord-Afrika. Ook werden slaven niet zelden gehouden met het oog op het verkrijgen van losgeld van familie of geloofsgenoten van de slaaf. Deze christenslaven werden zowel gevangen genomen tijdens het kapen van zeeschepen, als ook geroofd van de Europese kusten, waaronder de Nederlandse. Zelfs tot in IJslandse en Noord- Amerikaanse kustgemeenschappen zijn aanvallen gemeld. Het probleem van de roof van christenslaven wordt met name groot in de zeventiende en achtiende eeuw. Van de naar schatting 1 a 1,25 miljoen Europeanen die op deze wijze als slaaf gevangen genomen worden, zijn naar schatting 10 a 12.000 Nederlanders. Barbarijse zeerovers schrokken daarbij niet terug om zelfs slaven in Nederlandse kustdorpen voor de handel gevangen te nemen. Het aandeel van de Republiek in de Atlantische slavenhandel was gemiddeld zo’n vijf procent, ongeveer 500.000 mensen. De slavenhandel door de West-Indische Compagnie (WIC) heeft vooral in de beginjaren bijgedragen aan de status van de Nederlanden als economische wereldmacht. Al in 1528 werd een asiento (toestemming van Spanje om slaven te verhandelen) afgesloten tussen de Spaanse kroon en de waarschijnlijk Zuid-Nederlandse kooplieden Willem Sailler en Hendrik Eynger om gedurende vier jaar vierduizend slaven van Afrika naar het Caraïbische gebied te brengen. De slavenhandel werd echter aanvankelijk immoreel gevonden in de Nederlanden. Het was tegen de christelijke normen en waarden en aanvankelijk hield men zich hier buiten. In de strijd tegen de Spanjaarden en de Portugezen was de kaapvaart legitiem. Dit was na de oprichting in 1621 de voornaamste doelstelling en inkomstenbron van de West- Indische Compagnie (WIC). Tussen 1623 en 1636 werden 547 Spaanse en Portugese schepen gekaapt. Daarna werd het Groot Desseyn ontwikkeld, het grote plan. De Portugese suikerhandel vanuit Brazilië moest ondermijnd worden door de slavenhandel over te nemen. Met de verovering van de Zilvervloot in 1628 was er voldoende geld beschikbaar. Tussen 1630 en 1634 werd Recife met een groot deel van de Braziliaanse kust veroverd, dit werd Nederlands- Brazilië. In 1637 werd het fort te Elmina aan de Goudkust veroverd, het grote Portugese slavenhandelbolwerk. De eeuwen erna zou dit fort een van de centra van de slavenhandel van de WIC vormen. In 1641 werd ook Luanda veroverd op de Portugezen. Rond 1700 bezat de WIC een twaalftal handelsforten aan de West- Afrikaanse kust. De Nederlandse slavenhandel nam grote vormen aan, waarbij men in het Bijbelboek Genesis 9 - waarin de nakomelingen van Cham tot slavernij vervloekt worden - de rechtvaardiging vond. Om de suikerproductie in stand te houden, konden veel Portugese plantagehouders in het veroverde deel van Brazilië hun plantage behouden. Hiervoor waren particuliere slaven nodig. De opvattingen over de slavenhandel bleken rekbaar veranderd; niet- christenen mochten als slaaf worden verkocht. Vanaf 1640 begon de slavenhandel met Brazilië in te zakken en werd de handel verlegd naar de Spaanse koloniën in Amerika. Aanvankelijk vervoerden Nederlandse handelaren slaven naar Buenos Aires en Rio de la Plata in het huidige Argentinië, later werd ook het Caribische gebied doel van de slavenhandel. Toen in 1654 werd Brazilië heroverd door Portugal, waren er al zo’n 25.000 slaven aangevoerd. De suikerrietteelt werd na de herovering overgebracht naar het Caribisch gebied en het in 1634 veroverde Curaçao werd het Nederlandse verzamelpunt voor slaven. Na de Engelse verovering van Jamaica in 1655 werd het een belangrijke doorvoermarkt van slaven voor de Spaanse kolonies. Er werden ook nieuwe afnemers gevonden in de Engelsen en Fransen die tabak verbouwden op de door hen veroverde eilanden in de Caraïben en in Virginia, maar de meeste slaven gingen naar Suriname, dat vanaf 1668 definitief in Nederlandse handen was. In 1662 sloot Spanje een asiento met Domingo Grillo en Ambrosio Lomelino slaven uit Afrika te verhandelen. Grillo en Lomelino huurden de WIC in om de slaven van de Afrikaanse kust naar Zuid-Amerika aan te voeren. In het contract met de WIC werd vastgelegd dat de Hollanders gedurende 7 jaar 24.000 slaven zouden aanvoeren, circa 3500 slaven per jaar, waarbij Curaçao de tussenhaven zou zijn. Die aantallen werden echter lang niet gehaald: het gemiddelde aantal aangevoerde slaven lag eerder in de buurt van 700 per jaar. In Curaçao werden de slaven aan een kwaliteitscontrole onderworpen. Slaven werden ingedeeld naar een zogenaamd pieza de Indias, een maatstaf voor het arbeidsvermogen van een slaaf. Daarna werden de slaven aan Spaanse handelaren verkocht en naar de Spaanse koloniën vervoerd. Ook met de volgende eigenaren van het asiento sloot de WIC leveringscontracten. Door deze asiento-handel verkreeg de Republiek tussen 1660 en 1690 zo’n 30% van de slavenhandel. De totale aantallen waren echter nog beperkt; in de periode van 1658 tot 1674 werden naar schatting in totaal 45.700 slaven naar de West vervoerd. Een belangrijke factor in de Nederlandse slavenhandel werd het Coymans asiento. Balthasar Coymans leidde een filiaal van het Nederlandse handelshuis Coymans in Cádiz. Hij startte een lastercampagne om de Venetiaan Nicolas Porcio, die op dat moment de eigenaar van het asiento was, in een kwaad daglicht te stellen. Dat lukte en Coymans verkreeg in 1685 zelf het monopolie op de slavenhandel voor de Spaanse overzeese gebiedsdelen. Hij schakelde eveneens de WIC in om de slaven vanuit Afrika aan te voeren, zodat de Spaanse slavenhandel nu een volledig Nederlandse aangelegenheid was geworden. Coymans was verplicht ieder jaar 3000 piezas af te leveren, maar in de eerste drie jaar van het contract werden in totaal slechts 4896 piezas van de verwachte 9000 afgeleverd. Coymans overleed in 1686, de Spanjaarden verloren het vertrouwen in zijn opvolger en bleven achter met hun betalingen. In 1688 ging het alleenrecht terug naar de vorige eigenaar, Nicolas Porcio. In 1689 verklaarde de WIC Curaçao een open markt. Kooplieden van alle nationaliteiten waren nu welkom, maar omdat de handel nu slechts op de vrije markt kon plaatsvinden, was handel met de Spaanse koloniën niet meer mogelijk. De WIC sloot in 1689 en 1691 nog wel enkele contracten met Porcio, maar aantallen waren beperkter dan voorheen. In 1697 werd nog een contract gesloten met de Real Compañía de Cacheu, de opvolger van Porcio, voor de levering van 2500 tot 3000 slaven per jaar, maar Curaçao was voor dat contract geen doorvoerhaven meer. In 1699 werd het contract nog eens voor twee jaar verlengd. In de achttiende eeuw groeide de slavenhandel enorm. Er waren jaren dat er meer dan honderdduizend slaven werden vervoerd. Frankrijk en Engeland namen echter de positie over van de Republiek, zoals dat ook ging met de overige handel. De slavenhandel bleek ook niet erg winstgevend voor de Nederlanders, in tegenstelling tot de Engelsen. Dit kwam mede door de hoge sterfte onder de slaven op de overtocht. Het kwam voor dat 30% van de slaven stierf aan boord van de schepen. De ellendige omstandigheden die al uit dit cijfer spreken, werden verwoord in een anoniem citaat van een opvarende: "Vochtig weer en sterken wind belet hebbende de luchtgaten te openen begonnen koortzen en roode loop de negers te plaagen…hun vertrek was zoo ondraaglijk heet, dat ik er maar een oogenblik in konde verblyven. De hitte alleen maakte dit niet onmogelyk; de planken waren zoo met bloed bevlekt dat deze arme menschen als het ware daarin zwommen... Als zy door de ziekte door hun vel en hun vleesch komen, kwynen zy nog enige tyd in die toestand; door het liggen op de planken, waardoor de uitstekende knoken, vooral by de zieken, dikwijls ontveld worden, treedt dikwijls koud vuur in, totdat de barmhartige God hen den dood toezend, om dit leven van ellende te eindigen". Het duurde tot 1708 voordat opnieuw een toeleveringscontract aan de WIC werd aangeboden. Gedurende de Spaanse Successieoorlog, toen Nederland weer in oorlog raakte met Spanje en Frankrijk, verkregen de Franse bondgenoten het asiento van Spanje. Deze benaderden de WIC, maar de opdracht vond geen doorgang omdat de WIC bang was dat Curaçao door Fransen onder de voet zou worden gelopen. Toen in 1713 het asiento aan Engeland werd verleend betekende dat het verval voor de handel via Curaçao. Engeland had zijn eigen marktplaats. Aanvankelijk had de WIC het monopolie op de slavenvaart. In 1730 gaf de WIC echter het monopolie op het vervoer van slaven van Afrika naar Zuid-Amerika op en in 1738 ook het monopolie op de slavenhandel. Wel dienden de anderen recognitiegelden (is het bedrag dat de rooms-katholieken moesten betalen ten tijde van de Republiek om hun kerkdiensten ongestoord te kunnen houden. Letterlijk betekent recognitie: erkenning, te betalen aan de WIC. Vooral de Zeeuwen namen daarna de slavenvaart over, waarbij de Middelburgse Commercie Compagnie een belangrijke rol had. In 1713, direct na de Spaanse Successieoorlog kwam er abrupt een einde aan de centrale positie van Curaçao als regionale slavenmarkt. Er arriveerden gedurende de daaropvolgende jaren nog wel slavenschepen, maar de verkoop stagneerde. In 1716 liep het aantal onverkochte negotieslaven (slaven die onder het WIC-contract waren aangevuld) op tot boven de 800. Eind dat jaar brak een opstand uit onder negotieslaven op de WIC-plantage Santa Maria. Deze werd snel onderdrukt en de opstandelingen werden gevangengenomen en geëxecuteerd. Na de Zevenjarige Oorlog van 1763 droogde de slavenhandel met de Spanjaarden op Curaçao grotendeels op. Dat de slavenhandel ondanks de lage winstmarges werd voortgezet, kwam onder andere doordat veel handelaars ook belangen hadden in plantages in Suriname. Hiervoor hadden zij de slaven nodig. Het was dus voldoende als er winst werd behaald met de plantage. Op 17 augustus 1795 weigerden enkele tientallen slaven onder leiding van Tula om aan het werk te gaan op de plantage Knip. Slaven van naburige plantages sloten zich bij de opstand aan. Een eerste gewapend treffen met koloniale troepen, waaronder ook eenheden van de vrije marrons en de vrije slaven, werd door de opstandelingen gewonnen. In onderhandelingen eisten de slaven hun vrijheid. De daarop volgende confrontaties werden in het nadeel van de slaven beslecht. Na een laatste gevecht op 31 augustus was de opstand neergeslagen. De twee leiders Tula en Karpata werden door medeslaven opgebracht en vervolgens door het lokale gezag terechtgesteld, evenals 29 andere opstandelingen. Het is niet onmogelijk dat de opstand op Curaçao was geïnspireerd door de opstand in Frans Saint-Domingue (Haïti) of de opstand die kort daarvoor in Coro in Venezuela plaats vond. Na de opstand werd een beschermende slavenwetgeving op Curaçao uitgevaardigd, waarin onder meer de verstrekking van voedselrantsoenen en kleding alsmede werk- en rusttijden werden geregeld. Lijfeigene: iemands lichaam wordt beschouwd als het eigendom van de heer (landsheer, heerser) van een bepaald gebied. Het is een vorm van horigheid die de slavernij dicht benadert. Het kwam in de Europese middeleeuwen veel voor. Het verschil met slavernij is voornamelijk dat lijfeigenen een gezin konden stichten (wat met slaven lang niet altijd het geval was), een stukje land mochten bebouwen om hun gezin te voeden en niet zonder hun gezin en hun land konden worden verkocht. Horige: de horigen waren boeren die bepaalde verplichtingen hadden tot een heer. Horigen waren geen eigenaar van hun grond en gebouwen, de zogenaamde horigenhoeven, maar ze hadden bepaalde gebruiksrechten. In ruil daarvoor hadden ze verplichtingen die konden bestaan uit het afdragen van een deel van de oogst en het verlenen van herendiensten (hand-en-spandiensten). De horigen waren verplicht mee te vechten met hun heer als het domein werd aangevallen. Van zijn kant had ook de heer verplichtingen tegenover "zijn" horigen. Met name het verzekeren van rechtszekerheid en veiligheid en ook een zekere sociale zekerheid behoorden tot deze taken. De relatie horige-heer kon niet eenzijdig worden opgezegd en ging in beginsel over op een volgende generatie. In tegenstelling tot lijfeigenen konden horigen wel bezit hebben en overerven. Ze waren bovendien aan de door hen bewerkte grond verbonden (glebae adstrictus = aan de aardkluit gebonden), ze konden dus niet verhuizen, tenminste niet zonder de toestemming van hun heer. Route Uit Nederlandse havens vertrokken schepen naar de westkust van Afrika. Het fort Elmina (in het huidige Ghana) was een belangrijk doorvoerpunt voor de Hollanders. Daar werden de slaven ingekocht en ingescheept voor een lange reis over de oceaan. Als het schip nog niet vol was, voer men voor aanvulling nog door naar wat thans Angola is. Het grootste deel van de slaven was bestemd om als werkkracht in Suriname en de Nederlandse Antillen dienst te doen. Een kleiner deel werd doorverkocht. Dit gebeurde voornamelijk op Curaçao. Aantallen Nederland verkocht en verscheepte zo'n 550.000 slaven: eerst naar Brazilië (zie: slavernij in Brazilië), later vooral naar Suriname en de Antillen. Nederland had een aandeel van zo'n 4% van de totale slavenhandel, op zijn hoogtepunt 5%, van de Europese grote mogendheden (totaal ongeveer 12,5 miljoen). Landen die de rest voor hun rekening namen, waren Portugal, Engeland, Frankrijk en Spanje.
Schilder: Boulanger Gustave Clarence Rudolphe Auteur, titre : harîrî (al-), maqâmât Artiste : wâsitî.(al-) Runehelmet derived from Aliesin Bron: Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures	Auteur: Robert Walsh Bron: 'Notices of Brazil in 1828 and 1829 Foto: Dave Ley.