© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Republiek - Vrede van Utrecht
Met de naderende Spaanse troepen in het zuiden, verlieten de Staten-Generaal Antwerpen om neer te strijken in Den Haag. Ook Willem van Oranje verliet Brabant en vertrok voorgoed naar Delft, waar hij in 1584 werd vermoord door de rooms-katholiek Balthasar Gerards, nadat hij in 1580 door Filips II vogelvrij was verklaard. Holland was hiermee het enige machtscentrum geworden in de Nederlanden. De Spanjaarden rukten in de Zuidelijke Nederlanden verder op en daarop besloten de Staten-Generaal in 1585 steun te vragen aan Elizabeth, de koningin van Engeland. Net als de daarvoor benaderde Franse koning Hendrik III, weigerde zij de aangeboden soevereiniteit. Wel wilde zij de Republiek steunen, in ruil voor zeggenschap in het bestuur en benoemde Robert Dudley, graaf van Leicester als politieke en militaire leider. Na het ondertekenen van het eerste verdrag dat de Verenigde Provincies met een land sloten, het verdrag van Nonsuch op 20 augustus 1585, was de Republiek een protectoraat van Engeland geworden. De komst van Leicester en zijn manier van werken zaaide verdeeldheid in de Republiek. Tussen Holland en Leicester ontstonden continu conflicten en ook in andere gewesten stonden de pro-Hollandse en de pro-Engelse partijen tegenover elkaar. Het wangedrag van de Engelse soldaten in de steden zorgde voor tegenstand van de bevolking. De druk vanuit de bevolking was zo groot dat enkele Engelse garnizoenen zich overgaven aan de Spanjaarden, waarmee steden als Deventer en Zutphen in Spaanse handen kwamen. Toen Leicester in 1586 tijdelijk naar Engeland vertrok, greep Holland de kans om de verloren macht naar zich toe te trekken. Nadat Leicester was teruggekeerd, probeerde hij door een militaire coup de macht terug te krijgen. Dit mislukte, waarna hij in december 1587 voorgoed terugkeerde naar Engeland. In 1588 werd, op basis van de Deductie Van Vrancken, besloten de soevereiniteit niet meer aan een vorst te laten, maar aan de Staten. Hiermee was de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een feit. Deductie van Vrancken, is een in 1587 door François Vranck geschreven document dat in 1588 werd uitgevaardigd door de Staten-Generaal van de opstandige noordelijke gewesten en steden van de Nederlanden. Het poogde "historisch bewijs" te geven voor de stelling dat de macht over de Nederlanden bij de Steden en Edelen lag, en niet bij de soeverein, de Spaanse vorst Filips II, die in 1581 met het Plakkaat van Verlatinghe van de troon vervallen was verklaard. Doordat Spanje in oorlog was met Frankrijk, en Filips II zijn militaire middelen in de zuidelijke Nederlanden inzette in Frankrijk, kreeg de Republiek kans om op sterkte te komen. Naast de adempauze die de Republiek kreeg, floreerden ook de handel, de scheepvaart en de steden. De financiële positie van Holland werd verder verstevigd door hervormingen op belastinggebied en met leningen in de vorm van gemenelandsrenten. De verbeterde financiële situatie maakte het mogelijk om het leger in grootte en in kwaliteit te verbeteren; het leger van de Republiek was na dat van Spanje het grootste en meest geavanceerde van Europa. Het was ook in deze tijd, dat onder Maurits van Oranje een groot aantal steden werd veroverd. De veroveringen brachten grote schade toe aan het Spaanse prestige in de noordelijke Nederlanden. Dit militaire succes was alleen mogelijk door de samenwerking met de bekwame Hollandse landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt, die in staat was steun te krijgen van de doorgaans verdeelde Staten-Generaal. Na de vrede tussen Spanje en Frankrijk in mei 1585 en de dood van Filips II in 1598 werden de gehoorzame provincies overgedragen aan zijn dochter, Isabella en haar man, de Oostenrijks-Habsburgse aartshertog Albrecht. Hoewel de gebieden waren overgedragen, behield Spanje er wel zijn leger, dat werd betaald door Spanje en waarvan de soldaten trouw waren aan de Spaanse koning. De zuidelijke Nederlanden bleven hiermee in feite Spaans bezit. Vanwege de grote staatsschuld van Spanje wilden de aartshertogen en de Spaanse koning in 1599 vrede met de Republiek. Deze vredesbesprekingen hadden geen kans van slagen, doordat geen van de partijen bereid waren tot concessies. Het Spaanse leger was door de slechte financiën van Spanje niet meer zo krachtig en dat gaf de Republiek de kans om diep in Vlaanderen een aanval uit te voeren op de Duinkerkerkapers.  Dit plan werd goedgekeurd door Van Oldenbarnevelt, terwijl stadhouder Willem Lodewijk vanwege de grote risico's tegen was. De twijfelende Maurits besloot toch met het leger naar Duinkerke te trekken, maar stuitte bij Nieuwpoort op het Spaanse leger. De veldslag, in 1600, die erop volgde werd met moeite gewonnen door Maurits. Door het grote risico dat genomen was, een nederlaag had kunnen leiden tot een ondergang van de nieuwe Republiek, botsten Maurits en Van Oldenbarnevelt, waardoor hun relatie bekoelde. De eerste jaren na de slag bij Nieuwpoort bleef de situatie gelijk, maar na de verovering van het laatste protestantse bolwerk in Vlaanderen, Oostende, na een beleg van drie jaar, stootte Spinola (Spaans militair strateeg) door in het oosten van de Republiek en veroverde daarbij een aantal steden. Deze Spaanse doorbraak veroorzaakte grote paniek in de Republiek en Maurits kon een aantal steden heroveren. Groenlo was te sterk om ingenomen te worden en wat volgde was een patstelling, die leidde tot een wapenstilstand en uiteindelijk tot het ondertekenen van het Twaalfjarig Bestand in 1609. Twaalfjarig Bestand In eerste instantie gingen de onderhandelingen niet over een wapenstilstand, maar over een vrede tussen beide partijen en het erkennen van de onafhankelijkheid van de Verenigde Provinciën. In ruil voor erkenning wilde Spanje dat de pas opgerichte VOC zou stoppen met haar activiteiten in Afrika en Azië. Spanje zag de VOC als een grote bedreiging voor zijn eigen handelspositie. De Republiek wilde op dit punt niet toegeven, er was immers flink geïnvesteerd in de VOC. Om toch iets te bereiken, werd er een twaalfjarige wapenstilstand afgesproken van 1609 tot 1621, op voorwaarde dat er geen West-Indische tegenhanger van de VOC opgericht zou worden. Remonstranten en contra-remonstranten Gedurende het bestand bleven er spanningen, maar beide partijen meden een gewapende confrontatie. Hoewel het op militair gebied rustiger was, was dat allerminst het geval in de maatschappij. De bevolking van de Republiek raakte in een tweedeling tussen twee stromingen in de publieke kerk, de remonstranten en decontra-remonstranten. Onder de aanhangers van de remonstranten waren de meeste Hollandse stadsbesturen en intellectuelen; onder wie Hugo de Groot en de landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt. Doordat de meeste stadsbesturen remonstrants waren, stelden zij alleen remonstrantse predikanten aan. Op het platteland, waar de regenten geen macht konden uitoefenen, waren juist veel contra-remonstranten actief. De contra-remonstranten kregen steeds meer aanhang en ook de stadhouder prins Maurits stond aan hun zijde. Door de toenemende druk op de remonstrantse stadsbesturen, stelden zij in naam van de Staten van Holland waardgelders (huursoldaten) aan om de remonstrantse steden te beschermen tegen contra-remonstrantse aanhangers. Omdat dit ongrondwettig zou zijn, oefende Maurits via de Staten-Generaal, die op Holland en Utrecht na volledig contra-remonstrants waren, druk uit om de huurlingen te ontbinden. Zo geschiedde, de waardgelders werden onder druk ontbonden en remonstrantse stadsbesturen, de provinciale Staten en andere organisaties werden gezuiverd. Leidende figuren van de remonstrantse beweging werden gearresteerd. Op 12 mei 1619 werd Van Oldenbarnevelt schuldig bevonden aan hoogverraad en ter dood veroordeeld. Hugo de Groot en Hogerbeets werden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Na de machtsovername was Maurits de nieuwe leidende persoon van de Republiek. In 1618 werd de Synode van Dordrecht gehouden, waar door theologen de remonstrantse leer werd veroordeeld. Tijdens de wapenstilstand (Twaalfjarig Bestand) tussen de Verenigde Provinciën en Spanje, brak in Duitsland de Dertigjarige Oorlog uit tussen protestantse en rooms-katholieke staten. Omdat protestantse bondgenoten voor het voortbestaan van de Republiek belangrijk waren, werden die door de Republiek gesteund met geld, materiaal en manschappen. Spanje steunde de rooms- katholieke staten. Zo werd de strijd indirect voortgezet in Duitsland. De rechtsgeleerde Hugo de Groot heeft zich tijdens zijn ballingschap nooit met zoveel woorden tot de ene of andere richting bekend, maar de publicaties van Hugo de Groot ademen zeer de sfeer van de remonstranten. Vrede van Münster De gevluchte remonstranten keerden na het overlijden van Maurits van Oranje in 1625 geleidelijk terug naar de Republiek. Daar was de remonstrantse kerk officieel verboden, maar in de praktijk gedoogd. De remonstranten stichtten vele schuilkerken. (Pas na de stichting van de Bataafse Republiek in 1795 werd het kerkgenootschap officieel erkend.) De strijd tussen de Republiek en Spanje werd met het aflopen van het Twaalfjarig Bestand in 1621 hervat. Vanaf die tijd begon ook een economische neergang door onder andere het opnieuw invoeren van handelsembargo's, opvoeren van blokkades van grote rivieren en aanvallen door kapers. Naast de economische teruggang moesten de belastingen worden verzwaard om het eigen leger te versterken. De crisis werd verergerd doordat de Republiek geen financiële steun meer kreeg van Frankrijk en Engeland. In 1624 belegerde Spanje de goed verdedigde stad Breda. Op dat moment was prins Maurits erg ziek en overleed uiteindelijk in april 1625 in Den Haag. Twee maanden later zou Breda ingenomen worden door Spanje. Omdat Spanje ook in een slechte financiële situatie verkeerde, werd het leger na de inname van Breda ingekrompen en werd er voor een verdedigende strategie gekozen. Frederik Hendrik volgde zijn halfbroer Maurits op als stadhouder en legeraanvoerder. In tegenstelling tot Maurits koos Frederik Hendrik geen partij tussen de remonstranten en de contra-remonstranten en streefde hij meer naar evenwicht. Zodoende konden remonstranten weer positie nemen in de stadsbesturen en in de Staten. Rond 1628/1629 verschoven de verhoudingen in de Lage Landen, dankzij verschillende ontwikkelingen. Zo verbeterde de financiële situatie van de Republiek, waar die van Spanje verslechterde. Het Spaanse leger werd ingekrompen, waar dat van de Republiek werd uitgebreid. Engeland werd betrokken in de oorlog tegen Spanje en dit land raakte in conflict met Frankrijk over de opvolging in Mantua (Italië). Vooral de strijd tussen Spanje en Frankrijk om de opvolging in Mantua was belangrijk voor de Republiek, omdat die ervoor zorgde dat Spanje veel geld en manschappen in Italië moest inzetten in plaats van in de Nederlanden. In 1629 veroverde Frederik Hendrik 's-Hertogenbosch. Spanje wilde vervolgens graag een nieuwe wapenstilstand, maar door de politieke verdeeldheid in de Republiek ging dat niet door. In 1632 werden tijdens de veldtocht langs de Maas door Frederik Hendrik onder andere de steden Roermond, Venlo en Maastricht veroverd. Om tegemoet te komen aan de rooms-katholieke bevolking in deze steden, mocht die er vrij haar geloof belijden. Wel moest in iedere stad één kerk afgestaan worden aan de protestanten. Opnieuw wilde Spanje praten over vrede, maar ook deze onderhandelingen mislukten door de politieke strubbelingen in de Republiek. De nieuwe Republiek werd door de omliggende landen als soevereine staat erkend. Stadhouderloze Tijdperken Uiteindelijk kwam het in de jaren veertig van de 17e eeuw tot vredesbesprekingen, die in 1648 leidden tot de Vrede van Münster. erkend als zelfstandige natie, hoewel er bij het ingaan van het Twaalfjarig Bestand al sprake was van officieuze erkenning door meerdere staten. Hiermee kwam er een eind aan de Tachtigjarge Oorlog. Een belangrijk indirect gevolg van dit verdrag was dat het Nederduits-Gereformeerde geloof de staatskerk van de Republiek werd. Alle Rooms-katholieke Kerk goederen vervielen aan de overheid; kerken, kapellen, kloosters en andere bezittingen. De rooms-katholieken moesten tot 1795 gebruikmaken van 'schuilkerken': ze mochten kerkdiensten houden, maar niet in gebouwen die aan de buitenkant als kerk herkenbaar waren. Ook kwam er een grens tussen de Republiek en de Zuidelijke Nederlanden. Die werd bepaald door de actuele frontsituatie tussen die van de Nederlandse opstandelingen en de Spanjaarden. De grens in Limburg werd pas in 1661 definitief vastgelegd met het partagetractaat (overeenkomst). Het belangrijkste gevolg voor Antwerpen was dat de Schelde bijna twee eeuwen lang afgesloten bleef (tot in 1813). Een jaar voor de Vrede van Munster overleed stadhouder Frederik Hendrik en werd opgevolgd door zijn zoon Willem II van Oranje. De grote vraag was wie nu eigenlijk het land regeerde. In oktober, na een jachtpartij op de Veluwe, kreeg de prins koorts. Hij bleek aan pokken te lijden en op 6 november stierf hij op 24- jarige leeftijd. Acht dagen later werd zijn erfgenaam geboren, de latere stadhouder Willem III. Willems stoffelijk overschot werd in maart 1651 bijgezet in de grafkelder van Oranje-Nassau in de Nieuwe Kerk in Delft. De Staatsgezinden maakten gebruik van de verwarring in het vijandelijke orangistische kamp. Er was een grote meerderheid ontstaan die geen stadhouder meer wenste en het Eerste Stadhouderloze Tijdperk was geboren. Een periode waarin geen stadhouder benoemd werd in de provincies Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel. In Friesland bleef Willem Frederik stadhouder en Groningen en Drenthe benoemden Willem Frederik als hun nieuwe stadhouder. Gedurende deze periode waren er constant spanningen tussen Oranjegezinden, die wilden dat Willem III de nieuwe stadhouder moest worden en republikeinen, die helemaal geen stadhouder wilden. Door deze spanningen waren de provincies intern instabiel en volgden ze veelal het beleid van Holland, waar raadpensionaris Johan de Witt grote invloed had. De jaren na de Vrede van Münster verliepen voor een deel van de Nederlanden economisch erg voorspoedig. De handel op zee met andere gebieden groeide flink, ten koste van Engeland.
Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Auteur: Joostik Johan van Oldenbarnevelt, 1590-1624. Schilder: Michiel Jansz. van Mierevelt. In Rijksmuseum Amsterdam. Prins Maurits tijdens de Slag bij Nieuwpoort (1600).  Schilder: Hendrick Ambrosius Packx. In Instituut Collectie Nederland. Maurits van Nassau, prins van Oranje en Stadhouder.  Schilder: Michiel Jansz. van Mierevelt. In Palace of Versailles. Hugo de Groot, 1631. Schilder: Michiel Jansz. van Mierevelt.In Museum Het Prinsenhof. Ondertekening van het verdrag van Münster, 15 mei 1648.  Schilder: Gerard ter Borch. In Rijksmuseum Amsterdam. Johan de Witt, ca. 1670.  Schilder: Caspar Netscher.In Rijksmuseum Amsterdam.

                          © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas

Republiek - Vrede van Utrecht
Met de naderende Spaanse troepen in het zuiden, verlieten de Staten-Generaal Antwerpen om neer te strijken in Den Haag. Ook Willem van Oranje verliet Brabant en vertrok voorgoed naar Delft, waar hij in 1584 werd vermoord door de rooms-katholiek Balthasar Gerards, nadat hij in 1580 door Filips II vogelvrij was verklaard. Holland was hiermee het enige machtscentrum geworden in de Nederlanden. De Spanjaarden rukten in de Zuidelijke Nederlanden verder op en daarop besloten de Staten-Generaal in 1585 steun te vragen aan Elizabeth, de koningin van Engeland. Net als de daarvoor benaderde Franse koning Hendrik III, weigerde zij de aangeboden soevereiniteit. Wel wilde zij de Republiek steunen, in ruil voor zeggenschap in het bestuur en benoemde Robert Dudley, graaf van Leicester als politieke en militaire leider. Na het ondertekenen van het eerste verdrag dat de Verenigde Provincies met een land sloten, het verdrag van Nonsuch op 20 augustus 1585, was de Republiek een protectoraat van Engeland geworden. De komst van Leicester en zijn manier van werken zaaide verdeeldheid in de Republiek. Tussen Holland en Leicester ontstonden continu conflicten en ook in andere gewesten stonden de pro-Hollandse en de pro-Engelse partijen tegenover elkaar. Het wangedrag van de Engelse soldaten in de steden zorgde voor tegenstand van de bevolking. De druk vanuit de bevolking was zo groot dat enkele Engelse garnizoenen zich overgaven aan de Spanjaarden, waarmee steden als Deventer en Zutphen in Spaanse handen kwamen. Toen Leicester in 1586 tijdelijk naar Engeland vertrok, greep Holland de kans om de verloren macht naar zich toe te trekken. Nadat Leicester was teruggekeerd, probeerde hij door een militaire coup de macht terug te krijgen. Dit mislukte, waarna hij in december 1587 voorgoed terugkeerde naar Engeland. In 1588 werd, op basis van de Deductie Van Vrancken, besloten de soevereiniteit niet meer aan een vorst te laten, maar aan de Staten. Hiermee was de Republiek een feit. Deductie van Vrancken, is een in 1587 door François Vranck geschreven document dat in 1588 werd uitgevaardigd door de Staten- Generaal van de opstandige noordelijke gewesten en steden van de Nederlanden. Het poogde "historisch bewijs" te geven voor de stelling dat de macht over de Nederlanden bij de Steden en Edelen lag, en niet bij de soeverein, de Spaanse vorst Filips II, die in 1581 met het Plakkaat van Verlatinghe van de troon vervallen was verklaard. Doordat Spanje in oorlog was met Frankrijk, en Filips II zijn militaire middelen in de zuidelijke Nederlanden inzette in Frankrijk, kreeg de Republiek kans om op sterkte te komen. Naast de adempauze die de Republiek kreeg, floreerden ook de handel, de scheepvaart en de steden. De financiële positie van Holland werd verder verstevigd door hervormingen op belastinggebied en met leningen in de vorm van gemenelandsrenten. De verbeterde financiële situatie maakte het mogelijk om het leger in grootte en in kwaliteit te verbeteren; het leger van de Republiek was na dat van Spanje het grootste en meest geavanceerde van Europa. Het was ook in deze tijd, dat onder Maurits van Oranje een groot aantal steden werd veroverd. De veroveringen brachten grote schade toe aan het Spaanse prestige in de noordelijke Nederlanden. Dit militaire succes was alleen mogelijk door de samenwerking met de bekwame Hollandse landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt, die in staat was steun te krijgen van de doorgaans verdeelde Staten-Generaal. Na de vrede tussen Spanje en Frankrijk in mei 1585 en de dood van Filips II in 1598 werden de gehoorzame provincies overgedragen aan zijn dochter, Isabella en haar man, de Oostenrijks- Habsburgse aartshertog Albrecht. Hoewel de gebieden waren overgedragen, behield Spanje er wel zijn leger, dat werd betaald door Spanje en waarvan de soldaten trouw waren aan de Spaanse koning. De zuidelijke Nederlanden bleven hiermee in feite Spaans bezit. Vanwege de grote staatsschuld van Spanje wilden de aartshertogen en de Spaanse koning in 1599 vrede met de Republiek. Deze vredesbesprekingen hadden geen kans van slagen, doordat geen van de partijen bereid waren tot concessies. Het Spaanse leger was door de slechte financiën van Spanje niet meer zo krachtig en dat gaf de Republiek de kans om diep in Vlaanderen een aanval uit te voeren op de Duinkerkerkapers.  Dit plan werd goedgekeurd door Van Oldenbarnevelt, terwijl stadhouder Willem Lodewijk vanwege de grote risico's tegen was. De twijfelende Maurits besloot toch met het leger naar Duinkerke te trekken, maar stuitte bij Nieuwpoort op het Spaanse leger. De veldslag, in 1600, die erop volgde werd met moeite gewonnen door Maurits. Door het grote risico dat genomen was, een nederlaag had kunnen leiden tot een ondergang van de nieuwe Republiek, botsten Maurits en Van Oldenbarnevelt, waardoor hun relatie bekoelde. De eerste jaren na de slag bij Nieuwpoort bleef de situatie gelijk, maar na de verovering van het laatste protestantse bolwerk in Vlaanderen, Oostende, na een beleg van drie jaar, stootte Spinola (Spaans militair strateeg) door in het oosten van de Republiek en veroverde daarbij een aantal steden. Deze Spaanse doorbraak veroorzaakte grote paniek in de Republiek en Maurits kon een aantal steden heroveren. Groenlo was te sterk om ingenomen te worden en wat volgde was een patstelling, die leidde tot een wapenstilstand en uiteindelijk tot het ondertekenen van het Twaalfjarig Bestand in 1609. Remonstranten en contra-remonstranten Gedurende het bestand bleven er spanningen, maar beide partijen meden een gewapende confrontatie. Hoewel het op militair gebied rustiger was, was dat allerminst het geval in de maatschappij. De bevolking van de Republiek raakte in een tweedeling tussen twee stromingen in de publieke kerk, de remonstranten en de contra- remonstranten. Onder de aanhangers van de remonstranten waren de meeste Hollandse stadsbesturen en intellectuelen; onder wie Hugo de Groot en de landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt. Doordat de meeste stadsbesturen remonstrants waren, stelden zij alleen remonstrantse predikanten aan. Op het platteland, waar de regenten geen macht konden uitoefenen, waren juist veel contra- remonstranten actief. De contra-remonstranten kregen steeds meer aanhang en ook de stadhouder prins Maurits stond aan hun zijde. Door de toenemende druk op de remonstrantse stadsbesturen, stelden zij in naam van de Staten van Holland waardgelders (huursoldaten) aan om de remonstrantse steden te beschermen tegen contra-remonstrantse aanhangers. Omdat dit ongrondwettig zou zijn, oefende Maurits via de Staten-Generaal, die op Holland en Utrecht na volledig contra-remonstrants waren, druk uit om de huurlingen te ontbinden. Zo geschiedde, de waardgelders werden onder druk ontbonden en remonstrantse stadsbesturen, de provinciale Staten en andere organisaties werden gezuiverd. Leidende figuren van de remonstrantse beweging werden gearresteerd. Op 12 mei 1619 werd Van Oldenbarnevelt schuldig bevonden aan hoogverraad en ter dood veroordeeld. Hugo de Groot en Hogerbeets werden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Na de machtsovername was Maurits de nieuwe leidende persoon van de Republiek. In 1618 werd de Synode van Dordrecht gehouden, waar door theologen de remonstrantse leer werd veroordeeld. Tijdens de wapenstilstand (Twaalfjarig Bestand) tussen de Verenigde Provinciën en Spanje, brak in Duitsland de Dertigjarige Oorlog uit tussen protestantse en rooms-katholieke staten. Omdat protestantse bondgenoten voor het voortbestaan van de Republiek belangrijk waren, werden die door de Republiek gesteund met geld, materiaal en manschappen. Spanje steunde de rooms-katholieke staten. Zo werd de strijd indirect voortgezet in Duitsland. De rechtsgeleerde Hugo de Groot heeft zich tijdens zijn ballingschap nooit met zoveel woorden tot de ene of andere richting bekend, maar de publicaties van Hugo de Groot ademen zeer de sfeer van de remonstranten. Vrede van Münster De gevluchte remonstranten keerden na het overlijden van Maurits van Oranje in 1625 geleidelijk terug naar de Republiek. Daar was de remonstrantse kerk officieel verboden, maar in de praktijk gedoogd. De remonstranten stichtten vele schuilkerken. (Pas na de stichting van de Bataafse Republiek in 1795 werd het kerkgenootschap officieel erkend.) De strijd tussen de Republiek en Spanje werd met het aflopen van het Twaalfjarig Bestand in 1621 hervat. Vanaf die tijd begon ook een economische neergang door onder andere het opnieuw invoeren van handelsembargo's, opvoeren van blokkades van grote rivieren en aanvallen door kapers. Naast de economische teruggang moesten de belastingen worden verzwaard om het eigen leger te versterken. De crisis werd verergerd doordat de Republiek geen financiële steun meer kreeg van Frankrijk en Engeland. In 1624 belegerde Spanje de goed verdedigde stad Breda. Op dat moment was prins Maurits erg ziek en overleed uiteindelijk in april 1625 in Den Haag. Twee maanden later zou Breda ingenomen worden door Spanje. Omdat Spanje ook in een slechte financiële situatie verkeerde, werd het leger na de inname van Breda ingekrompen en werd er voor een verdedigende strategie gekozen. Frederik Hendrik volgde zijn halfbroer Maurits op als stadhouder en legeraanvoerder. In tegenstelling tot Maurits koos Frederik Hendrik geen partij tussen de remonstranten en de contra-remonstranten en streefde hij meer naar evenwicht. Zodoende konden remonstranten weer positie nemen in de stadsbesturen en in de Staten. Rond 1628/1629 verschoven de verhoudingen in de Lage Landen, dankzij verschillende ontwikkelingen. Zo verbeterde de financiële situatie van de Republiek, waar die van Spanje verslechterde. Het Spaanse leger werd ingekrompen, waar dat van de Republiek werd uitgebreid. Engeland werd betrokken in de oorlog tegen Spanje en dit land raakte in conflict met Frankrijk over de opvolging in Mantua (Italië). Vooral de strijd tussen Spanje en Frankrijk om de opvolging in Mantua was belangrijk voor de Republiek, omdat die ervoor zorgde dat Spanje veel geld en manschappen in Italië moest inzetten in plaats van in de Nederlanden. In 1629 veroverde Frederik Hendrik 's- Hertogenbosch. Spanje wilde vervolgens graag een nieuwe wapenstilstand, maar door de politieke verdeeldheid in de Republiek ging dat niet door. In 1632 werden tijdens de veldtocht langs de Maas door Frederik Hendrik onder andere de steden Roermond, Venlo en Maastricht veroverd. Om tegemoet te komen aan de rooms-katholieke bevolking in deze steden, mocht die er vrij haar geloof belijden. Wel moest in iedere stad één kerk afgestaan worden aan de protestanten. Opnieuw wilde Spanje praten over vrede, maar ook deze onderhandelingen mislukten door de politieke strubbelingen in de Republiek. De nieuwe Republiek werd door de omliggende landen als soevereine staat erkend. Stadhouderloze Tijdperken Uiteindelijk kwam het in de jaren veertig van de 17e eeuw tot vredesbesprekingen, die in 1648 leidden tot de Vrede van Münster. erkend als zelfstandige natie, hoewel er bij het ingaan van het Twaalfjarig Bestand al sprake was van officieuze erkenning door meerdere staten. Hiermee kwam er een eind aan de Tachtigjarge Oorlog. Een belangrijk indirect gevolg van dit verdrag was dat het Nederduits-Gereformeerde geloof de staatskerk van de Republiek werd. Alle Rooms-katholieke Kerk goederen vervielen aan de overheid; kerken, kapellen, kloosters en andere bezittingen. De rooms-katholieken moesten tot 1795 gebruikmaken van 'schuilkerken': ze mochten kerkdiensten houden, maar niet in gebouwen die aan de buitenkant als kerk herkenbaar waren. Ook kwam er een grens tussen de Republiek en de Zuidelijke Nederlanden. Die werd bepaald door de actuele frontsituatie tussen die van de Nederlandse opstandelingen en de Spanjaarden. De grens in Limburg werd pas in 1661 definitief vastgelegd met het partagetractaat (overeenkomst). Het belangrijkste gevolg voor Antwerpen was dat de Schelde bijna twee eeuwen lang afgesloten bleef (tot in 1813). Een jaar voor de Vrede van Munster overleed stadhouder Frederik Hendrik en werd opgevolgd door zijn zoon Willem II van Oranje. De grote vraag was wie nu eigenlijk het land regeerde. In oktober, na een jachtpartij op de Veluwe, kreeg de prins koorts.
Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Auteur: Joostik Johan van Oldenbarnevelt, 1590-1624. Schilder: Michiel Jansz. van Mierevelt. In Rijksmuseum Amsterdam. Prins Maurits tijdens de Slag bij Nieuwpoort (1600).  Schilder: Hendrick Ambrosius Packx. In Instituut Collectie Nederland. Maurits van Nassau, prins van Oranje en Stadhouder.  Schilder: Michiel Jansz. van Mierevelt. In Palace of Versailles. Hugo de Groot, 1631. Schilder: Michiel Jansz. van Mierevelt.In Museum Het Prinsenhof. Ondertekening van het verdrag van Münster, 15 mei 1648.  Schilder: Gerard ter Borch. In Rijksmuseum Amsterdam.