App Nederland Geschiedenis NL

Nederlands - Indië

Nederlands-Indië, ook bekend als Nederlands-Oost-Indië, Oost-Indië en Indië, was vanaf 1816 de gebruikte officiële benaming voor alle in de Indische Archipel door de Nederlandse staat gekoloniseerde gebieden die in de jaren 1920 de omvang kregen van het huidige Indonesië. De indertijd gebruikte officiële schrijfwijze was Nederlandsch-Indië. In het Maleis luidde de naam Hindia-Belanda; de term "(Ons) Indië" werd met Tanah Hindia weergegeven.

De Nederlandse aanwezigheid dateert van het eind van de 16e eeuw, kort voor de oprichting van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) die onder meer op Java enkele bezittingen en in de Molukken een aantal eilanden bezat. Na de nationalisatie van de VOC in 1798 gingen die over op de toenmalige Bataafse Republiek. De naam Nederlands-Indië kwam bij de VOC in de jaren 1620-1622 al voor, als 'Nederlandsch-India'.

De Portugezen waren de eersten die om de Kaap de Goede Hoop voeren en in 1498 Indië bereikten. In 1511 veroverden ze de stad Malakka waar ze handel dreven met Javanen en Bandanezen die specerijen uit de Molukken haalden, waarna de Portugezen zelf naar de Molukken reisden omdat de prijzen daar een vijfde waren van die in Malakka. Ze kwamen daar uiteindelijk in oorlog met de Molukse bevolking, waardoor de toevoer van specerijen naar Europa verminderde. Ondertussen was Portugal in 1580 onder de kroon van Spanje gekomen. Spanje was in oorlog met de Nederlanden en legde in 1585 beslag op vijandelijke schepen in de Portugese havens. De noodzaak voor de Hollanders om zelf op de Indonesische archipel te gaan varen werd hierdoor versterkt.

In 1596 bereikten vier Hollandse koopvaardijschepen met aan boord opperkoopman Cornelis de Houtman voor het eerst de Indische Archipel. In 1603 voer onder Steven van der Hagen de eerste volledig uitgeruste VOC-vloot naar de Indische Archipel uit, die al spoedig in conflict kwam met de aanwezige Portugezen. Om de handel beter te organiseren, werd besloten een centrale leiding in te stellen onder een ter plaatse geïnstalleerde gouverneur-generaal, eerst op het eiland Ternate en later in de stad Batavia op Java. Tevens werden er handelsposten opgezet die konden dienen als opslagplaats en als "rendez-vous" voor de schepen.

De VOC streefde naar alleenhandel en ontwrichtte daarmee de vrije handel die vooral in handen was van Javaanse, Chinese en Arabische handelaren. Desnoods onder dreiging van geweld werden door de VOC contracten gesloten met de lokale vorsten, waarin dit privilege werd vastgelegd. De archipel van het voormalige Nederlands-Indië was niet één homogeen geheel, maar bestond uit eilanden die onderling zeer van elkaar verschilden. De Nederlanders concentreerden zich in de 17e en 18e eeuw vooral op de Molukken en Java. Op de Midden-Molukken werden voornamelijk kruidnagels geteeld.

Om de productie te beheersen en ontduiking van het handelsmonopolie tegen te gaan, concentreerden zij in de Molukken de handel van kruidnagels zo veel mogelijk op één eiland. Hiervoor werden op de andere eilanden de bomen omgezaagd. Daarnaast werd de Dati (familie in uitgebreide zin) verplicht een aantal kruidnagelbomen per jaar te planten en de productie aan de VOC te leveren.

Op de Banda-eilanden waar vooral nootmuskaat en foelie werden verbouwd, vestigde de VOC haar gezag met bruut geweld. De macht van de hoofden was hier niet groot, zodat de VOC de handel niet kon beheersen via de lokale elite. In 1609 werden de Bandoes traktaten opgelegd, maar die werden ontdoken via sluikhandel en smokkel. Na schermutselingen in 1609 stelden de Nederlanders de eis een vesting te mogen bouwen op Banda. De Nederlandse onderhandelingsdelegatie werd hierop vermoord door de Bandanezen. Vervolgens besloot gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen tot volledige onderwerping van de Bandanezen. De Bandanezen kwamen in opstand en daarom werden ze in 1621 uitgemoord door de VOC onder leiding van Coen. De overlevenden bracht Coen naar Java, waarna hij op de ontvolkte eilanden de eerste moderne plantages inrichtte, gebaseerd op slavenarbeid. Oud VOC-werknemers mochten de perken (plantages) beheren. Voedsel en slaven werden geleverd door de VOC, die het alleenrecht behield om de specerijen voor een lage prijs van de perkeniers te kopen. Door dit optreden van de VOC daalde de productie op de Molukken met 70%. De productiedaling ging gepaard met een consumptiedaling, terwijl het hele sociaal-economische systeem was ontwricht. Daarnaast was het sterftecijfer hoger dan het geboortecijfer waardoor er een constante vraag naar slaven was.

Op Java was de situatie anders. Toen de VOC zich daar vestigde was het land verdeeld in een groot agrarisch binnenland met gesloten, naar eigen behoefte producerende dorpen die onder centraal gezag stonden van lokale vorsten die het monopolie hadden op de handel van het productie-overschot. Daarnaast waren er de handeldrijvende havenplaatsen, waar veel Oosterse vreemdelingen woonden. Op Java kon de VOC veel makkelijker monopolies afdwingen dan op de Molukken. Ze wist handig gebruik te maken van de twisten tussen de inheemse vorsten door één vorst te helpen tegen een andere, in ruil voor handelsvoordelen en monopolies.

Doordat de vorst zijn vrijheid over de handel had prijsgegeven, was vanzelf een verhouding van afhankelijkheid ontstaan, die zich ontwikkelde tot ondergeschiktheid. Zo veranderde geleidelijk, aan het eind van de 17e eeuw vanuit Batavia, het overwicht over de kuststaatjes in territoriaal gezag. Dit ging samen met een gedeeltelijke verandering in de wijze waarop de VOC haar inkomsten verkreeg. Naast de traditionele handelswinsten kwamen de gedwongen leveringen (vorst moet verplicht een bepaald product aan de VOC leveren tegen een overeengekomen prijs) en contingenten (soort belasting in natura). Het verschil tussen de vrijhandel met de Javaanse vorsten en de gedwongen leveringen was niet zo groot. Beide werden afgedwongen onder de druk en bescherming van de kanonnen en geweren van de compagnie. Door het monopolie werd de inheemse groothandel onderdrukt en toen de verplichte leveringen aan het eind van de 17e eeuw hun intrede hadden gedaan, moesten de desa's, die tot dan toe alleen voor eigen gebruik en voor de hoofden hadden hoeven te produceren, voortaan ook voor de compagnie produceren. In ruil daarvoor zorgde de VOC dat er vrede was.

Elders op de archipel vormde de compagnie een minder geduchte macht. Op Noord-Sumatra sloot de compagnie in 1641 pepercontracten met Atjeh, Palembang en Jambi maar die waren niet zo dwingend als de hierboven beschreven contracten. Bovendien moest er met zilver worden betaald. Na 1680 ging de intra-Aziatische handel, die lange tijd zeer winstgevend was geweest, verlies op leveren. De handel binnen Azië had de compagnie altijd een groot deel van de middelen verschaft, het textiel, waarop haar Aziatische bedrijf de inkoop van de retourgoederen dreef. Nu moest steeds meer baar geld worden aangevoerd.

De territoriale uitbreiding en voortdurende oorlogen overzee aan het eind van de 17e eeuw deden de kosten voor de VOC in Azië hoog oplopen. Na 1686, met als uitzondering 1691/92, werd ieder jaar met verlies afgesloten. In de 18e eeuw ging het weer iets beter. In 1720 werd er nog 20% dividend uitgekeerd.

Na 1740 ging de compagnie zich in Azië concentreren op de Indische Archipel, waar op Java zelfs in zekere mate sprake was van rechtstreekse penetratie. Op de Noordoostkust van Java en in het gebied rond Batavia werden de koffiecultuur en de suikeraanplant uitgebreid. Ook was er sprake van militaire expansie: In 1743 werd Mataram voor de VOC verworven.

De compagnie behield haar monopolie op de "geruime vier": nootmuskaat, foelie, kruidnagel en kaneel. De VOC beheerste de productie en de prijs. Het eerste via het omzagen en weer aanplanten van bomen, het tweede via een monopolie. Wat vaak vergeten wordt is dat men zich ook bezig hield met opiumhandel. Opium was een legaal product waarnaar wereldwijd grote vraag was. De productiemethoden en de manier waarop de VOC het gebied beheerste, veranderden nauwelijks.

Een schrijver over de compagnie heeft ooit gezegd dat dit handelslichaam geen geschiedenis heeft. De bestuurders der VOC hebben hun hele bestaan op één en dezelfde manier gestreefd naar het bereiken van hun doel, het maken van handelswinst door angstvallig vast te houden aan hun monopolie. Na de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog volgt er eind 18e eeuw een chaotische periode in de koloniën.Na de opheffing van de VOC in 1798 gingen de bezittingen op de toenmalige Bataafse Republiek over.

Het beheer door de Bataafse Republiek aan het begin van de 19e eeuw kende in feite twee onderbrekingen. De eerste doordat Nederland de facto onder Frans beheer kwam. In Nederlands-Indië werd Herman Willem Daendels benoemd tot gouverneur-generaal. De tweede doordat Groot-Brittannië Napoleon Bonaparte versloeg en het gezag in Nederlands-Indië overnam en Thomas Stamford Raffles tot gouverneur-generaal benoemde. Beiden hebben hun "monumenten" nagelaten. Daendels liet, ten koste van veel mensenlevens, "de Grote Postweg" op Java aanleggen. De hoofdverkeersader die Jakarta (toen Batavia) via Surakarta en Jogjya met Soerabaja verbond en nog verbindt. Het doel van deze verbinding was de "beheersbaarheid" van het eiland Java te versterken en de verdediging tegen de Britten te verbeteren. De "monumenten" van Raffles zijn van culturele aard. Hij herontdekte 's werelds grootste boeddhistische tempel, de Borobudur, die door tropische plantengroei deels aan het oog onttrokken was. Zijn tweede monument is de stichting van de "Plantentuin" te Buitenzorg (thans Bogor). Ook introduceerde hij de theeaanplant in de Preanger. Tenslotte is het links rijden van het verkeer door hem ingevoerd.

Rond 1825 werden er op Java grote opstanden onder leiding van de inheemse nationalistische leider Diponegoro door de Nederlanders bestreden. Na een zware strijd die aan beide kanten veel slachtoffers eiste, werd Diponegoro verslagen. Deze strijd wordt ook wel de Java-oorlog genoemd. Na deze oorlog kwam Java bijna geheel onder directe Nederlandse heerschappij te staan. Alleen de vorsten van Jogjakarta en Soerakarta bezaten nog enkele Javaanse gebiedsdelen. Op de andere eilanden, waar de opstanden gewoon doorgingen, bezat Nederland wel een aantal gebieden en steden, maar er werd vanaf toen een onthoudingspolitiek gevolgd. Hierbij werd in de buitengewesten geen bestuur gevestigd, maar men beperkte zich tot relaties met de inheemse vorsten. Een andere politiek zou financieel en militair te veel inspanningen vergen.

Het cultuurstelsel werd in 1830 ingevoerd en tot circa 1870 aan de inheemse bevolking opgelegd. Voor winstgevende producten bleef het stelsel langer van kracht; voor koffie gold het tot aan het begin van de twintigste eeuw. Bij wijze van pacht moesten de 'inlanders' 20% van hun grond gebruiken voor producten voor de Europese markt, zoals koffie, indigo, thee en rietsuiker. Deze producten werden door de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Europa verkocht. Het systeem werd veelvuldig misbruikt. Multatuli schreef hierop in 1860 zijn roman Max Havelaar en nog andere werken waarin gewezen werd op de bedenkelijke morele aspecten van dit misbruik. Hoewel hij geen anti-kolonialist was, droeg zijn werk bij tot afschaffen van het stelsel. Vanaf 1848 begonnen meer mensen te pleiten voor de afschaffing. Hiervoor worden twee belangrijke oorzaken genoemd: de inheemse bevolking leed eronder en men wilde Nederlands-Indië openen voor particulier bezit. Het uit het cultuurstelsel resulterende batig slot was van groot belang voor de Nederlandse begroting.

Het uiteindelijke afscheid van de onthoudingspolitiek kwam tijdens de langdurige Atjehoorlog met de Lombok-expeditie in 1894 en de aanstelling van generaal Van Heutsz als militair-gouverneur van Atjeh in 1898. Onder druk van het moderne imperialisme van de overige westerse landen werd vanaf die tijd het Nederlandse gezag steeds verder uitgebreid. Zo werden geheel Sumatra en Celebes en een deel van Borneo Nederlandse koloniën. Ook de gehele eilandenreeks van Bali tot en met West-Timor kwam onder Nederlandse controle. Na diverse vruchteloze pogingen vanaf 1873 werd Atjeh in het begin van de twintigste eeuw onderworpen. Tot 1914 werden nog militaire campagnes uitgevoerd en ook daarna bleef het onrustig in Atjeh.

Door de opening van het Suezkanaal in 1869 werd de reistijd tussen West-Europa en Oost-Azië verminderd van enkele maanden tot enkele weken. De Nederlanders beseften dat het nu lonend werd waardevolle grondstoffen te winnen en ze vervolgens te exporteren. Men ging ervan uit dat de inheemse bevolking minderwaardig was, maar voelde zich tegelijkertijd verantwoordelijk voor het welbevinden. Door de invoering van de Nederlandse cultuur en omgangsvormen dachten de Nederlanders het land tot een 'beschaafde' natie maken. Het beschavingsoffensief en de bijbehorende emancipatie zorgde ervoor dat de bevolking een plaats begon te eisen in het bestuur en uiteindelijk zelfbeschikking.Het onafhankelijkheidsstreven van de Indonesiërs kwam voor de meeste Nederlanders als een volslagen verrassing. Nederland verzette zich tegen de Indonesische onafhankelijkheid en stuurde militairen om de rust te herstellen, de 'politionele acties' 1947-1948, wat internationaal niet in goed aarde viel. Vanwege internationale druk van vooral de Verenigde Staten, accepteerde Nederland op 27 december 1949 de Indonesische onafhankelijkheid. Alleen de westelijke helft van Nieuw-Guinea bleef nog tot 1962 Nederlands.

De Japanse bezetting van Nederlands-Indië in 1942 was de eerste aanval op het Nederlandse bestuur aldaar. Het betekende het begin van het einde van de Nederlandse koloniale heerschappij in Indonesië. De veranderingen die vervolgens plaatsvonden maakten de Indonesische Revolutie mogelijk, die eerder nog ondenkbaar was geweest. Omdat moederland Nederland zelf bezet was had het weinig kracht om de kolonie te verdedigen tegen het Japanse Keizerlijke Leger, zodat minder dan drie maanden na de eerste aanval op Borneo de Nederlandse strijdkrachten verslagen waren, waarmee een einde kwam aan 347 (1602-1949) jaren van Nederlandse koloniale aanwezigheid in Indië. Het grootste gedeelte van Indonesië was nog steeds door de Japanners bezet op het moment van de capitulatie van Japan in augustus 1945.

Tot 1949 was Indonesië een kolonie van Nederland onder de naam van Nederlands-Indië. In 1929, tijdens de opkomst van de Indonesische nationale beweging, voorzagen de nationale leiders daarvan, Soekarno en Mohammed Hatta (later president en vicepresident), een Pacifische Oorlog, waarin de grotere militaire sterkte van Japan een voordeel kon opleveren voor het onafhankelijkheidsstreven. De Japanners verspreidden de propaganda dat zij het licht van Azië zouden zijn. Japan was aan het einde van de 19e eeuw het enige Aziatische land dat zichzelf op succesvolle wijze had omgevormd tot een moderne technologische staat; het land bleef onafhankelijk, terwijl de meeste andere Aziatische landen onder de invloed van Europese of Amerikaanse landen waren gekomen, en het had tevens Rusland in de oorlog verslagen. Na de Tweede Chinees-Japanse Oorlog verplaatste Japan de aandacht naar Zuidoost-Azië, waarbij het propaganda maakte voor het idee van een zelfvoorzienend Aziatische blok van landen, vrij van westerse inmenging, en onder Japanse leiding.

Japan had tijdens de eerste helft van de 20e eeuw zijn invloed in Azië geleidelijk uitgebreid en tijdens de jaren 1920 en 1930 overal handelscontacten gelegd. Deze handelscontacten variëerden van kappers in kleine dorpjes en lokale handelaren tot grote winkelketens; firma's als Suzuki en Mitsubishi kregen daarnaast invloed op de suikerhandel. De Japanse bevolking in Nederlands-Indë bestond in 1931 uit 6.949 personen, waarna een geleidelijke daling intrad, die voornamelijk te wijten was aan de economische spanningen tussen Japan en het Nederlandse gouvernement. De Japanse agressie in Mantsjoerije en China in de late jaren 30 veroorzaakte onrust onder de Chinese bevolking in Nederlands-Indië, die vervolgens fondsen verzamelde om de anti-Japanse krachten te steunen. De Nederlandse veiligheidsdienst observeerde eveneens de Japanse inwoners van Nederlands-Indië. Een aantal van deze Japanse inwoners was door Japan naar Indië gestuurd om contacten te leggen met Indonesische nationalisten, met name met Moslimpartijen, terwijl het de Indonische nationalisten daarnaast met gelden mogelijk werd gemaakt om Japan te bezoeken. Deze aanmoediging van het Indonesisch nationalisme was een deel van het grotere Japanse plan "Azië voor de Aziaten".

In november 1941 stuurde Madjlis Rakjat Indonesia, een Indonesische organisatie voor religieuze, politieke en vakbondsgroepen, een memorandum aan het Nederlandse gouvernement, waarin het de mobilisatie van het Indonesische volk vanwege de oorlogsdreiging eiste. Dit memorandum werd geweigerd omdat het Nederlandse gouvernement de Madjlis Rakjat Indonesia niet als vertegenwoordiger van het volk zag. Vier maanden later was Nederlands-Indië door de Japanners bezet. Op 8 december 1941 verklaarde Nederland de oorlog aan Japan. In januari werd het American-British-Dutch-Australian Command geformeerd om de geallieerde krachten in Zuid-Oost-Azië te coördineren; deze strijdmacht stond onder commando van generaal Archibald Wavell. In de nacht van 10 op 11 januari 1942 vielen de Japanners Menado op Celebes aan.

Omstreeks dezelfde tijd bedreigden zij ook Tarakan op noordoost Borneo, een belangrijk centrum voor de productie en distributie van olie. Op 27 februari werd de geallieerde vloot verslagen tijdens de Slag in de Javazee en van 28 februari tot 1 maart 1942 landden de Japanse troepen vrijwel ongestoord op vier plaatsen langs de noordkust van Java. Op 8 maart gaven de geallieerde troepen in Nederlands-Indië zich over, werden de krijgsgevangenen naar Jappenkampen gezonden en Indonesische vrijheidsstrijders vrijgelaten. Europese burgers werden opgesloten en Indonesische en Japanse burgers werden op strategische posten geplaatst.

Het nieuws van de bevrijding van het Nederlandse gouvernement werd in eerste instantie door de Indonesiërs met groot enthousiasme ontvangen. Zij begroetten het Japanse leger met vlaggen en leuzen als Japan is onze oudere broer en Banzai Dai Nippon! Toen de Japanners verder avanceerden vermoordden Indonesische rebellen in vrijwel elk deel van de archipel kleine groepen Europeanen (vooral Nederlanders) en verraadden grotere groepen aan de Japanners. Te Atjeh ontstond zelfs al voor de komst van de Japanners een opstand tegen het Nederlandse gouvernement. Een bekende Indonesische schrijver, Pramoedya Ananta Toer, noteerde: bij de aankomst van de Japanners was iedereen vol hoop, behalve zij die in dienst van de Nederlanders hadden gewerkt.

De Japanse bezetter werd in eerste instantie door de Indonesiërs als bevrijder begroet maar deze mening werd al snel herzien. Het politieke beleid wisselde naarmate de oorlog vorderde maar globaal zag de Japanse bezettingsmacht de Indonesiër als een dienaar van de Japanse oorlogsbehoefte. Tijdens de Japanse bezetting nam de populariteit van de Indonesische Vrijheidsbeweging toe. In juli 1942 accepteerden leidende nationalisten als Soekarno het Japanse aanbod om Indonesiërs in te schakelen ten behoeve van de Japanse oorlogsindustrie. Zowel Soekarno als Hatta kregen in 1943 een hoge onderscheiding van de Keizer van Japan. De Japanse bezetter verdeelde Indonesië in drie regio's: Sumatra werd geplaatst onder het commando van het 25ste leger, Java en Madoera werden geplaatst onder het 16de en Borneo en Oost-Indonesië werden bestuurd door de 2de zuidelijke marinevloot. Het 16de en 25ste leger kregen hun hoofdkwartier te Singapore en bestuurden daarnaast Brits Maleisië tot april 1943, toen het bestuur werd beperkt tot Sumatra en het hoofdkwartier werd verplaatst naar Bukittinggi. Het 16de leger had zijn hoofdkwartier te Jakarta, terwijl de 2de zuidelijke vloot zijn basis te Makassar had.

De ervaring van de inwoners van Nederlands-Indië met de Japanse bezetter was afhankelijk van waar men woonde en welke sociale positie men had. Diegenen die in gebieden woonden die belangrijk waren voor de Japanse oorlogsindustrie werden gemarteld, als seksslaaf gebruikt, konden zonder reden gearresteerd en geëxecuteerd worden of van oorlogsmisdaden worden beschuldigd. Vele duizenden mensen werden als werkkrachten (romoesja) weggevoerd van Indonesië om ten dienste van militaire objecten, zoals de Birmaspoorweg te worden ingezet. Velen stierven als een gevolg van de slechte behandeling en uithongering. In totaal werden tussen de 4 en 10 miljoen romoesja's van Java gedwongen ten behoeve van de Japanse oorlogsindustrie te werken. Omstreeks 270.000 van deze Javanen werden naar andere gebieden in Zuid-Oost-Azië gestuurd, waarvan slechts 52.000 terugkeerden; dit betekende dat er een sterfte van 80% had plaatsgevonden. Nederlandse burgers, andere Europeanen en Indo's waren een belangrijk doelwit van de Japanners; zij werden geïnterneerd in kampen. Vrijwel alle Europese en Indo-Europese mannen waren actief geweest binnen het Indische leger of voor het gouvernement en werden geïnterneerd als krijgsgevangenen. De krijgsgevangenkampen kenden een sterftecijfer dat boven de 25% lag.

Politionele acties

De Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (Indonesisch: Revolusi Nasional Indonesia = 'Indonesische Nationale Revolutie') begon kort na de capitulatie van Japan, gevolgd door het uitroepen van de Republiek Indonesië (beide in augustus 1945), en eindigde met de overdracht van de soevereiniteit over de voormalige kolonie Nederlands-Indië (uitgezonderd Westelijk Nieuw-Guinea) door Nederland aan Indonesië (december 1949). In de traditionele Nederlandse geschiedschrijving wordt naar deze episode doorgaans verwezen met de term politionele acties (ook wel 'politiële acties', Indonesisch: Aksi Polisionil)

Met de term 'politionele acties' wordt gedoeld op een tweetal offensieve operaties van de Nederlandse strijdkrachten tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Deze operaties vonden plaats op de eilanden Java en Sumatra in de periode 21 juli tot 5 augustus 1947 (eerste actie) en 19 december 1948 tot 5 januari 1949 (tweede actie). De politionele acties worden meer recent ook wel aangeduid als de 'Nederlands-Indonesische Oorlogen'. In Indonesië staan de twee politionele acties bekend als Agresi Militer Belanda ('Nederlandse Militaire Agressies').

Kort na de Japanse capitulatie in augustus 1945 braken vijandelijkheden uit tussen Indonesische nationalisten en de troepen uit het Britse Gemenebest die strategische posities in de archipel hadden ingenomen. In oktober 1945 ontbrandde de strijd om Soerabaja, een stad die de nationalisten na bloedige gevechten moesten prijsgeven. Let wel: hierbij waren dus nog geen Nederlandse troepen betrokken. Pas in maart 1946 werden Nederlandse troepen in Indonesië toegelaten om de Britse posities over te nemen.

Afgezien van de politionele acties (kortdurende Nederlandse offensieven) had de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog meestentijds het karakter van een guerrilla van de Indonesische nationalisten tegen de Nederlandse troepen. De vijandelijkheden duurden tot het staakt-het-vuren in augustus 1949. Op sommige plaatsen duurden de vijandelijkheden echter voort, waardoor ook Nederlandse militairen sneuvelden na augustus 1949.

Na 1949 flakkerde de strijd (afgezien van de coup van ex-kapitein Westerling in 1950) nog eenmaal op. Dat was tijdens de vijandelijkheden die voorafgingen aan de overdracht van Nederlands-Nieuw-Guinea in 1962.

De Nederlandse regering erkende de Republiek Indonesië niet als onafhankelijke staat, maar beschouwde haar als een opstandige beweging binnen de kolonie Nederlands-Indië. Hierbij dient te worden aangetekend dat, in het hierna te bespreken akkoord van Linggadjati, de Republiek de soevereiniteit van Nederland gedurende een overgangsperiode had erkend. Nederland had in datzelfde akkoord de Republiek wel de facto erkend. Tevens dreigde er hongersnood in de door Nederland bezette gebieden, als gevolg van een blokkade van de opstandelingen. Nederland achtte zich verantwoordelijk voor het welzijn van de bevolking, dus ook van Indonesiërs, Chinezen en Arabieren in deze gebieden. Daarom bezigde men de term 'politionele actie'. 'Politioneel' was sinds de negentiende eeuw een gebruikelijke term voor militair optreden dat tot doel had de regelmatig voorkomende opstanden in de kolonie neer te slaan.

Het gebruik van de kwalificatie 'politioneel' kan ook worden gezien als een manier om te verbloemen ('framing') dat het hier om een vrijheidsoorlog ging en zo kritiek op het militaire optreden te pareren. Tijdens beide politionele acties telde de Nederlandse troepenmacht in Indonesië, met inbegrip van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), meer dan 100.000 man. Het grootste deel hiervan werd bij de acties ingezet. Deze omvang maakte duidelijk dat van een beperkte ‘politieactie’, zoals de Nederlandse regering het probeerde voor te stellen, geen sprake was. In meer recente literatuur wordt om deze reden ook wel gesproken van de Nederlands-Indonesische Oorlogen, zoals door Van den Doel in zijn boek Afscheid van Indië: de val van het Nederlandse imperium in Azië (2000). Men kan zich afvragen of een actie van een aantal weken en dan nog wel twee, een "oorlog" te noemen is. Achter beide benamingen gaat dan ook een politieke opvatting schuil. Misschien is "militaire actie" een aanvaardbaar compromis.

Tijdens de bijna vier jaar durende militaire aanwezigheid van Nederland in Indonesië lieten circa 5.000 Nederlandse militairen het leven, waarvan ongeveer de helft door gevechtshandelingen en de overigen ten gevolge van ziekten en ongevallen. Onder de Nederlandse en Indisch-Nederlandse burgerbevolking vielen duizenden doden door gewelddaden van Indonesche nationalisten. Aan Indonesische zijde vielen naar schatting 150.000 doden. Dat waren zowel slachtoffers van Nederlands militair optreden als van geweld uitgeoefend door de Indonesische nationalisten tegen politieke tegenstanders en vermeende pro-Nederlandse elementen onder de eigen bevolking.


In 1870 werd de Agrarische Wet en de Suikerwet ingevoerd. Door deze wetten konden particuliere bedrijven zich in Nederlands-Indië vestigen. Deze bedrijven introduceerden nieuwe producten als tabak en rubber. Grondstoffen uit Indië werden vervolgens in Nederland bewerkt. Indië werd zodoende de kurk waarop de Nederlandse economie dreef.

In 1815 en in 1883 vonden twee ongeëvenaarde vulkaanuitbarstingen plaats, van de Tambora, respectievelijk de Krakatau. Beide uitbarstingen maakten vele tienduizenden slachtoffers en hadden gedurende lange tijd wereldwijd invloed op het klimaat; oogsten mislukten. Hoewel deze ongekende rampen hun weerga niet kennen in de geschiedenis van het koninkrijk der Nederlanden, blijven deze feiten in de Nederlandse geschiedschrijving sterk onderbelicht.

Begin 20e eeuw werd het centraal gezag enigszins gedecentraliseerd c.q. gedemocratiseerd. De 26 grotere steden kregen rond 1910 een gemeenteraad en later rond 1925 een eigen burgemeester (zie ook Lijst van stadsgemeenten van Nederlands-Indië). De instelling (1916) en benoeming (1918) van een soort parlement, de Volksraad ter advisering van de gouverneur-generaal, was een eerste stapje richting democratie.

TOP Info Contact Home

+

+

+

+

+

+

+

Nederlandsch-Indië,1949.

Clockwork Orange at Dutch Wikipedia (CC BY-SA 3.0).

De eerste Divisie Marechaussee in 1892 kapitein Notten en luitenant Nolthenius met het administratief kader en alle brigade commandanten.

Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures (CC BY-SA 3.0)

 Militaire kolonne tijdens de eerste politionele actie, 21-07-1947 - 05-08-1947.

Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures (CC BY-SA 3.0).

Aankomst nieuwe lichting Nederlandse militairen in 1949. Piano Piano! / hans thijs

 (http://www.flickr.com/people/hansthijs/ (CC BY-SA 2.0)

 Schoolplaat getiteld 'De eerste O.I. (Oost-Indië) vaarders op de reede van Bantam'. De aankomst van Cornelis de Houtman met zijn mannen die aan land gaan bij Bantam.

Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures (CC BY-SA 3.0).

 Militair vrachttransport met een olifant, Koetaradja 1910-1930.  

Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures (CC BY-SA 3.0)

 Groep kinderen tijdens de Japanse bezetting 1900-1940.

Tropenmuseum, part of the National Museum of World Cultures (CC BY-SA 3.0).

Dr. Willem Drees - Verzorgingsstaat - AOW


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.