App Nederland Geschiedenis NL

 Crisisjaren

 - Depressie -

De Grote Depressie is de naam die vooral in de Verenigde Staten wordt gegeven aan de economische crisis die het gevolg was van een bankencrisis en internationale schuldencrisis in de jaren dertig van de 20e eeuw. In het Nederlands spreekt men meestal van de crisisjaren. Deze economische crisis was van invloed op de levensomstandigheden van zeer vele mensen over de hele wereld. Het was de grootste en belangrijkste economische depressie (neergang) in de nieuwste tijd, en wordt in de 21e eeuw als voorbeeld aangehaald van hoe diep de wereldeconomie kan vallen.

De eerste oorzaak ligt in de landbouw. In de jaren twintig ontstond een grote overproductie. De VS hadden tijdens de Eerste Wereldoorlog veel voedselhulp verleend aan Europa. De Amerikaanse boeren hadden zich zo ingesteld op deze hulpverlening, dat toen Europa eenmaal weer zelf zijn voedsel ging verbouwen de Amerikaanse boeren met een geweldige overproductie kwamen te zitten waardoor de prijzen daalden. Dit zorgde voor enorme schulden, wat nadelig was voor de plattelandsbanken. De plattelandsbanken op hun beurt hadden weer nauwe banden met de grote banken. De grote banken konden deze grote klap niet opvangen en een crisis was het gevolg. Daarbij kwam dat de boeren dachten dat alleen een nog grotere productie hen uit de problemen kon helpen, aangezien men vanwege de lagere prijs meer moest produceren om hetzelfde te verdienen. Dit leidde echter tot nog meer overproductie, die werd verbrand of in zee gegooid terwijl velen honger leden maar het voedsel niet konden betalen.

Een tweede oorzaak ligt in de industrie, waarin destijds de meeste Amerikanen werkzaam waren. Tijdens de jaren twintig nam daar de productie enorm toe, dankzij de mechanisering, maar de lonen stegen niet mee omdat de vakbonden zwak waren en omdat er veel immigranten uit arme delen van Europa kwamen die bereid waren voor weinig geld te werken. Door de lage lonen konden veel mensen de producten die in fabrieken geproduceerd werden niet betalen, waardoor ook de fabrieken met een overproductie kampten.

De overproductie in de landbouw en industrie werd niet voldoende erkend, laat staan de gevaren ervan.

Een andere verklaring komt van de Oostenrijkse economische school. Theoretici van de "Oostenrijkse School" die schreven over de Grote Depressie zijn onder andere de Oostenrijkse econoom Friedrich Hayek en de Amerikaanse econoom Murray Rothbard, die America's Great Depression (1963) schreef. In hun ogen en ook die van de monetaristen, is de Federal Reserve, gecreëerd in 1913, de grote schuldige; maar in tegenstelling tot de monetaristen, stellen zij dat de hoofdoorzaak van de depressie, de expansie van het geldaanbod in de jaren twintig, heeft geleid tot een onduurzame krediet-gedreven bubbel. In deze Oostenrijkse kijk was het de inflatie van het geldaanbod dat leidde tot een onduurzame bubbel in zowel prijzen van activa (aandelen en obligaties) en kapitaalgoederen. Tegen de tijd dat de FED haar beleid aanscherpte in 1928, was het veel te laat en was, volgens de Oostenrijkers, een depressie onvermijdelijk. Volgens de Oostenrijkers was de kunstmatige ingreep in de economie een ramp voor de Depressie, en hebben de overheidsinspanningen om de economie na de crash van 1929 overeind proberen te houden het alleen maar erger gemaakt. Volgens Rothbard, vertraagde de overheidsinterventie de aanpassing van de markt en maakte dit de weg naar een volledig herstel moeilijker.

In augustus 1929 stagneerde de Amerikaanse economie, wat het begin van een recessie inluidde. Op de aandelenbeurs speculeerden veel mensen met geleend geld. Dit geld zat weer in de banken die in crisis verkeerden. Op 24 oktober 1929 (Zwarte Donderdag) barstte de zeepbel en klapten de aandelenkoersen in elkaar. Vijf dagen later (zwarte dinsdag) stortte de effectenbeurs in. Er kwam een run op de spaarbanken van mensen die al hun tegoeden wilden opnemen. Een groot aantal banken ging hierdoor over de kop en velen verloren al hun spaargeld. In het daaropvolgende jaar gold dit voor zo'n 700 Amerikaanse banken. De Amerikaanse middenklasse verloor een groot deel van haar koopkracht en bezuinigde meer dan strikt noodzakelijk was. Veel industrieën hadden toch al een slechte orderpositie en gingen nu acuut failliet. Ze konden nergens geld meer lenen en als ze schulden hadden gemaakt bij een failliete bank werden die zonder coulance ingevorderd. De ontslagen arbeiders zagen door het ontbreken van sociale voorzieningen hun koopkracht tot nul dalen.

De ontwikkelingen gingen zo snel dat de normale evenwichtsmechanismen (rentedaling en loonkostendaling) niet meer functioneerden. Banken die er niet meer waren, konden ook geen geld meer uitlenen, zodat er hoe dan ook minder geïnvesteerd werd. Door het wegvallen van vertrouwen gingen de mensen thuis hun geld oppotten zodat de rente juist steeg. De vraaguitval leidde tot de gevreesde deflatoire spiraal: de prijzen daalden zo snel dat de consument, hopend op een nog verdere daling, zijn bestedingen uitstelde in plaats van vergrootte. Deflatie betekent ook dat de reële rente stijgt, zodat externe sturing door verlaging van de officiële rentestand geen effect meer heeft. Investeren was dus duur en leek gezien de enorme overproductie ook onzinnig. De kapitaalinvesteringen vielen dan ook vrijwel stil. Omdat de lonen al zo laag waren, hadden loonkostendalingen weinig positieve invloed op de investeringen en ze versterkten de deflatoire spiraal.

Dergelijke crises hadden zich in het verleden al veel vaker voorgedaan, maar deze keer was de neergang ongekend fel. Het bruto nationaal product van de VS daalde in 1930 met 40%. Toen eind 1931 de economie stabiliseerde — voornamelijk doordat de prijzen niet verder konden dalen en de consument gedwongen was zijn geld uit te geven — bleek de welvaart dat jaar met nog eens 10% te zijn afgenomen. Wat een hele generatie had opgebouwd, leek in één klap tenietgedaan. In 1932 daalde het bruto binnenlands product met dertien procent. In 1933 nam de werkloosheid toe tot 25%.

In 1932 waren er in totaal meer dan negenduizend banken door de crisis failliet gegaan. De Dow Jones Industrial Average bereikte in dat jaar het dieptepunt van 41 punten. Pas in 1954 was deze koersindex weer terug op het niveau van september 1929 (381 punten).

Vanaf 1933 trad er een paar jaar lang herstel op. Het bruto binnenlands product groeide in de periode 1934-1937 zelfs zeer sterk. In 1937 besloot de Amerikaanse overheid echter over te gaan tot een belastingverhoging en minder te besteden, wat tot gevolg had dat de Amerikaanse economie weer terugviel in de recessie. Het definitieve herstel zette pas enkele jaren later in, toen de industrie in de aanloop naar de Amerikaanse inmenging in de Tweede Wereldoorlog op volle toeren begon te draaien.

Toen de directe neergang voorbij was, stelde zich de prangende vraag hoe politiek gereageerd moest worden op de nijpende situatie. In het verleden had men een crisis steeds laten uitzieken: men wachtte net zo lang tot de economie zichzelf in evenwicht bracht en de groei zich weer herstelde. Als men dat ditmaal ook zou doen, zou het echter (aangenomen dat de economie per hoofd van de bevolking net zo hard zou groeien als voor de oorlog) dertig jaar duren voordat men weer het niveau van 1929 bereikt zou hebben. Tegelijkertijd was er een enorme stilliggende productiecapaciteit die de oude welvaart onmiddellijk zou kunnen herstellen als zij maar benut werd. Onder die omstandigheid werd het wel heel verleidelijk om toch maar eens aan overheidsingrijpen te denken.

In de VS was de gedachte aan staatsinterventie voor de oorlog al heel populair geweest en tijdens de oorlog hadden gedwongen investeringen al tot een forse economische groei geleid, maar erna had het idee van de vrije markt de overhand gekregen. Nu sloeg de stemming weer om. De Republikeinse regering van Herbert Hoover was echter zeer afhoudend. Ze vreesde een precedent te scheppen en was bang voor een blijvende invloed van de staat op de economie. Als alternatief stimuleerde ze de zelfregulering van industrie en bankwezen en riep ze de burger op tot optimisme en bestedingsdrift. Hoewel deze boodschap ruime weerklank vond bij het meer welgestelde deel van de bevolking, wilden de nu een meerderheid vormende armen niet jarenlang op de welvaart blijven wachten en verkozen in 1933 Franklin Delano Roosevelt tot president. Hij voerde de politiek van de New Deal door die zich kenmerkte door streng overheidstoezicht op het bankwezen. Roosevelt deed echter weinig aan het stimuleren van de economie, afgezien van werkgelegenheidsprojecten en directe armoedebestrijding. In 1940 was de schade nog lang niet hersteld. Pas tijdens de Tweede Wereldoorlog zou daadkrachtige staatsinterventie de industriële productie in vier jaar meer dan verdubbelen, de basis leggend van de huidige welvaart.

De crisis bleef niet tot de VS beperkt. Om te beginnen verminderde bij andere landen de export, doordat de Amerikaanse burger niets meer inkocht en de Amerikaanse deflatie de Europese en Japanse producten uit de markt prijsde. Toch leidde dat voor Amerika niet tot een compensatie van het falen van de interne markt. De VS hadden tijdens de Eerste Wereldoorlog astronomische bedragen uitgeleend aan de Entente; het land was de "Schuldeiser van de Wereld" geworden. Na de oorlog was men heel coulant geweest met het invorderen van die schulden. De bankencrisis veroorzaakte nu echter een internationale schuldencrisis. Door acuut geldgebrek gedwongen begonnen de Amerikaanse banken de schulden op te eisen. De rentestand in de hele wereld sprong omhoog. Overal klapten de investeringen en bestedingen in elkaar. Om de eigen markt te beschermen, stelden de meeste landen hogere importheffingen in, met als gevolg dat de wereldhandel sterk kromp. In het ene na het andere land stortte de economie ineen, met massale werkloosheid en verpaupering tot gevolg, ook in Nederland en België. Door het blijven vasthouden aan de koppeling tussen de munt en de gouden standaard bleef de depressie in Nederland lang duren ten opzichte van de rest van Europa.

Toen de Verenigde Staten in 1929 door de crisis in eigen land de steun aan Duitsland opzegden, werd Duitsland meteen in de recessie meegezogen. Werkloosheid nam enorm toe, bestedingen en investeringen namen af. De problemen leidden tot een groei van links- en rechtsextremistische bewegingen. In 1932 trachtten de geallieerden daarom een regeling over herstelbetalingen met Duitsland te onderhandelen op de Conferentie van Lausanne. De Duitse regering kondigde echter een volledig moratorium op de betalingen van buitenlandse schulden af. Adolf Hitler erfde in 1933 een zwakke economie die kampte met een chronisch deviezentekort en die absoluut niet in staat was zichzelf te voorzien.

Nederland werd eveneens hard getroffen door de recessie, die door het vasthouden aan de Gouden Standaard bijzonder hardnekkig bleek. Hoewel de economie zich na het loslaten van de Gouden Standaard eind september 1936 leek te herstellen, werd Nederland in het kielzog van de Verenigde Staten in 1937 door een tweede kleinere recessie getroffen. Ook de toenemende spanning in Europa trof de Nederlandse economie hard. De economische problemen leidden tot verpaupering en ontevredenheid, die zich onder andere uitten in onrust (Jordaanoproer) en de groei van de NSB. Pas na de Tweede Wereldoorlog zou de Nederlandse economie daadwerkelijk opbloeien.


Stempelen verwijst naar het verkrijgen van een stempel door werklozen in een stempellokaal. Dit was in het begin van de 20ste eeuw gangbaar, vooral in de jaren '30 tijdens de Grote Depressie. Werklozen moesten dit één of twee keer per dag doen om in aanmerking te komen voor een werkloosheidsuitkering. Het voorkwam ook dat werklozen zwartwerk konden verrichten. Werklozen ervoeren het stempelen vaak als vernederend.

Werklozen die lid waren van een vakvereniging, hadden het 'voorrecht' op een vast tijdstip te kunnen stempelen. Bovendien hoefden ze vaak niet naar een stempellokaal te gaan, maar konden ze terecht in het kantoor van de vakbond of bij een bestuurslid van de bond.

Recessie betekent letterlijk 'teruggang' of 'achteruitgang'. In de economie betekent dit dat de economische groei daalt en lager is dan gemiddeld. In de praktijk wordt meestal van een recessie gesproken als de groei van het bruto nationaal product gedurende twee of meer opeenvolgende kwartalen negatief is (Hebbink & Van Velthoven, 2003, p. 153). Wanneer de productie van een economie langdurig en sterk daalt, is er sprake van een depressie.

In de conjunctuurbeweging van een economie is de recessie onderdeel van een laagconjunctuur. Ten gevolge van een recessie vinden vaak reorganisaties en meer ontslagen plaats bij bedrijven. Er wordt minder geld uitgegeven aan extra scholing, en er kunnen bedrijven failliet gaan. Het landelijke werkloosheidscijfer kan hierdoor stijgen.

Als gevolg van een recessie kan er bij de overheidsfinanciën een financieringstekort ontstaan of sterk oplopen, omdat de belastinginkomsten van de overheid teruglopen en de uitgaven stijgen.


Nederland kende voor wat betreft de gouden standaard drie periodes:

De goudenmuntenstandaard tot 1914, waarbij bankbiljetten volledig werden gedekt door goud. Houders van bankbiljetten hadden het recht om bankpapier in te wisselen voor goud. Het muntgeld was "intrinsiek volwaardig" en had een eigen waarde in edele metalen.

Tussen 1918 en 1936 kende Nederland de goudkernstandaard, waarbij de bankbiljetten voor 40% waren gedekt door goud, maar waarbij het publiek niet het recht had om bankbiljetten voor goud in te wisselen (behalve uitzonderingen, zoals internationale betalingen). Bovendien kwamen (naast munten met een intrinsieke waarde) ook "onvolwaardige munten" in omloop, de zogenaamde tekenmunten. De waarde ervan werd niet bepaald door de metaalwaarde, maar door het teken dat de overheid er op had aangebracht.

Van 1945 tot 1971 kende Nederland de goudwisselstandaard waarbij de gulden via een omweg een band had met goud. Dit liep via het systeem van Bretton Woods waarbij de gulden in vaste verhouding stond tot de dollar die op zijn beurt gekoppeld was aan goud. Daarbij dienden naast eigen goud ook goudwissels (vorderingen in goud) als dekking. Omdat de dollar na de devaluatie in 1971 niet meer inwisselbaar was voor goud, kwam in Nederland een einde aan de deze standaard.

Ook de waarde van munten tegenover edelmetaal veranderde diverse keren. In de Muntwet van 1816 werd voor het eerst formeel vastgelegd dat de gulden 9,6 gram fijn zilver moest bevatten. In 1875 voerde de overheid het gouden tientje in als nieuwe standaardmunt. De gulden vertegenwoordigde voortaan ruim 0,6 gram fijn goud. Eind 1946 meldde de Nederlandse regering bij het IMF een zogenoemde goudpariteit aan van 0,335 gram fijn goud. In 1967 besloot de Nederlandse overheid om zilveren guldens te vervangen door nikkelen exemplaren, omdat de zilverprijs enorm was gestegen.

TOP Info Contact Home

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Arme moeder en kinderen tijdens de Grote Depressie. Elm Grove, Oklahoma County, Oklahoma, USA. 1936.

Auteur: Dorothea Lange. Library of Congress LC-USF34- 009694-E.

Werklozen slapen in de muziektent in het Queen's Park, Toronto, Canada, 1938.  

Archives of Ontario under the item reference code F 10-2-3-17.

Rij wachtenden voedselverstrekking in de Yonge Street Mission, 381 Yonge Street, Toronto, Canada, 1930.

Copyright expired. As a pre-1946 Canadian image, also public domain in the United States.

Artikel uit het Leidsch Dagblad van 20 mei 1938 over de kanalisering van de Maas en de tewerkstelling van 1850 werklozen daarbij, die deels in Rijkswerkkampen waren gehuisvest.

from the "Leidsch Dagblad", published 20 May 1938.

Tweede Wereldoorlog - Holocaust


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

Menigte van rekeninghouders verzameld in de regen voor de "Bank van de Verenigde Staten" na de instorting, 1931. PD.

No copyright restriction known. Staff photographer reproduction rights transferred to Library of Congress through Instrument of Gift.

Arme kinderen spelen op het trottoir, Georgetown, Washington, DC. 1935.

Auteur: Carl Mydans.  Library of Congress Digital ID- (digital file from original neg.) fsa 8a00156 http- hdl.loc.gov loc.pnp fsa.8a00156

Werkloze mannen springen op een trein naar Canada, in de hoop op werk aldaar, 1933?.

Copyright expired. As a pre-1946 Canadian image, also public domain in the United States.

"Migrantenmoeder" (Dorothea Lange, 1936), een toonbeeld van de Amerikaanse Grote Depressie. Het onderschrift luidt "Berooide erwtenplukkers in Californië. Moeder van zeven kinderen. Leeftijd: 32 jaar. Nipomo, Californië." De vrouw op de foto is Florence Owens Thompson.

United States Library of Congress's Prints and Photographs division under the digital ID fsa.8b29516

Werklozen in een stempellokaal in Amsterdam-Noord, 1933.

Collectie Spaarnestad Voor meer informatie en voor meer foto’s uit de collectie van Spaarnestad Photo, bezoek onze Beeldbank. Nationaal Archief.

Franklin Delano Roosevelt, 1933. President van de Verenigde Staten van Amerika van 1933-1945.

Foto: Elias Goldensky (1868-1943). Prints and Photographs division van de Library of Congress via digitaal ID cph.3c17121.

Wachtrij werkloze mannen buiten voor een (depressie) Soepkeuken in Chicago geopend door Al Capone. Spandoek boven het raam: "Gratis soep, koffie en donuts voor de werklozen.".

Nationale Archief en Dossier Administratie, gecatalogiseerd onder de ARC Identificatie (National Archives Identifier) 541927.

Poster voor de tak van de National Youth Administration in Illinois, 1937: oproep bevorderen onderwijskansen voor jonge vrouwen op zoek naar opleiding voor een baan.