App Wereld Historische mannen en vrouwen

Voltaire

Voltaire, pseudoniem van François-Marie Arouet (1694 - 1778), was een Frans schrijver, essayist, filosoof en vrijdenker. Hij kan worden beschouwd als de prominente voortrekker van de Franse Verlichting. Nooit heeft een schrijver zo het intellectuele leven van zijn tijd beheerst als Voltaire. Goethe stelde dat Voltaire de aanstichter was van de Franse Revolutie, omdat hij de oude banden van de mensheid zou hebben losgemaakt.

De jonge Voltaire kreeg les op de prestigieuze jezuïetenschool in Parijs, het lycée Louis-le-Grand. Hij verliet de school op zijn zestiende en niet lang daarna maakte hij al vrienden bij de Parijse aristocraten. Zijn humoristische gedichten maakten hem populair in die kringen. In 1713 reisde hij met de Franse ambassadeur naar Den Haag. In 1716 publiceerde hij een satire waarin hij de regent, Philippe van Orléans grof - en zonder bewijs - beschuldigde van incest met zijn dochter, de hertogin van Berry. Na een waarschuwing (verbanning uit de stad) vroeg hij om pardon, wat hij verkreeg. Terug in Parijs recidiveerde hij: in aanwezigheid van een politie-informant maakte hij opnieuw zeer beledigend opmerkingen over de hertogin van Berry. Hij werd elf maanden opgesloten in de Bastille, een comfortabele gevangenis. Tijdens zijn verblijf aldaar schreef François-Marie Oedipe, dat zijn eerste theatersucces zou worden. De regent en zijn dochter, de hertogin van Berry, waren beiden aanwezig bij de première. Hierna ging hij de naam Voltaire gebruiken.

In 1726 beledigde Voltaire een machtige jonge edelman, de Chevalier de Rohan. Rohan liet hem door zijn lakeien aframmelen, en Voltaire eiste genoegdoening met de wapens. Die bedreigingen werden de overheid te gortig, en Voltaire werd een tweede keer opgesloten, ditmaal voor twee weken. Hij kon daarna kiezen: de gevangenis of verbanning. Voltaire koos voor verbanning. Van 1726 tot 1729 woonde hij in Engeland. Voltaire raakte geïnteresseerd in de filosofie van John Locke en de ideeën van de wis- en natuurkundige Sir Isaac Newton. Hij bestudeerde Engelands constitutionele monarchie en de religieuze tolerantie aldaar, die weliswaar niet volledig was, maar wel veel groter dan in Frankrijk. Na zijn terugkeer in Parijs schreef Voltaire de Lettres Philosophiques, waarin hij de Engelse gewoontes en instituties prees en het Newtonianisme als alternatief voor Descartes' rationalisme introduceerde. Het boek werd geïnterpreteerd als kritiek op de Franse overheid en in 1734 moest Voltaire Parijs opnieuw verlaten. Voltaire volgde college in Leiden bij de natuurkundige Willem Jacob 's Gravesande en bij de beroemde medicus Boerhaave. Ondertussen verstuurde hij zijn eerste brief naar de Pruisische koning Frederik de Grote, die tegenwoordig als het beste voorbeeld wordt beschouwd van een 'verlicht despoot'.

In 1746 werd Voltaire toegelaten tot de Académie française. In 1748 verbleef hij aan het hof van Stanislas Lezczinsky, en bezocht de baden en bronnen vanwege kiespijn. In 1749 kreeg Voltaire een uitnodiging van Frederik de Grote. Hij nam de uitnodiging naar het hof in Potsdam aan, want beide mannen bewonderden elkaar. Voltaire schreef hem: Wij zijn niet geboren om Plato en Leibniz te lezen, om curven te meten, om feiten in ons hoofd te rangschikken. Wij zijn geboren met een hart dat dorst naar hartstochten en waaraan wij moeten voldoen zonder ons door die verlangens te laten beheersen. Een van de grootste zegeningen die wij de mensheid kunnen brengen is bijgeloof en fanatisme uitroeien, de machthebbers beletten degenen te vervolgen die anders denken. Voltaire kreeg echter verscheidene aanvaringen met Frederik de Grote. Deze liet Voltaires satirische pamflet Akakia verbranden. Hierin werd de wis- en natuurkundige Maupertuis, voorzitter van de Berlijnse Academie van Wetenschappen, als pseudowetenschapper afgeschilderd. Voltaire had zich aan het Berlijnse hof onmogelijk gemaakt en keerde in 1753 terug naar Frankrijk.

Om uit de handen van de Franse autoriteiten te kunnen blijven, verhuisde Voltaire in 1755 naar Genève, waar hij net buiten de stad een huis liet bouwen met uitzicht op het meer van Genève. In dit huis genaamd Les Délices (tegenwoordig: Institut et Musée Voltaire) schreef hij zijn beroemde gedicht Poème sur le désastre de Lisbonne naar aanleiding van de aardbeving van 1755 te Lissabon. Dit gedicht, waarin Voltaire zijn twijfel uitdrukt over de goedheid van God, zou de aanzet worden tot zijn beroemdste verhaal, Candide, ou l'optimisme. Op Les Délices liet Voltaire veel toneelstukken uitvoeren. Maar omdat de Geneefse autoriteiten (evenals trouwens zijn grote tegenhanger Jean-Jacques Rousseau) toneel verderfelijk vonden voor de moraal, week hij een paar jaar later uit naar het Franse Ferney, een stadje net ten noorden van de grens van de Geneefse Republiek, zodat hij in geval van nood altijd makkelijk van land kon wisselen. In 1759 kocht hij daar een landgoed, waar hij tot vlak voor zijn dood zou blijven wonen. Voltaire, die door allerlei beleggingen inmiddels een vermogend man was geworden, breidde het landgoed enorm uit en liet akkers en wijngaarden aanleggen, waardoor het dorp tot grote bloei kwam. Hij werd dan ook al snel de seigneur van Ferney genoemd, en in 1878 zou het stadje worden omgedoopt tot Ferney-Voltaire.

Voltaire was bij het schrijven van zijn Essai sur les Moeurs tot de conclusie gekomen dat de geschiedenis een lange reeks van misdaden en ellende is. De in 1756 uitgebroken Zevenjarige oorlog sterkte hem in die mening. Voltaire was ondertussen allerminst vergeten door de intelligentsia. Vele filosofen kwamen hem in Ferney opzoeken, waaronder de Franse verlichtingsfilosofen d'Alembert, Baron d'Holbach en de Engelse verlichtingsfilosoof David Hume. "Waar Voltaire is, daar is het centrum van de verlichting". Een prominente, maar niet in de smaak gevallen bezoeker was Giacomo Casanova die in zijn memoires een uitgebreid verslag van zijn bezoek geeft. Voltaire deed hem af met de opmerking: "Er was hier een vreemd mannetje te gast".

In 1759 verschijnt dan Candide. In dit verhaal bekritiseerde hij de optimistisch ingestelde monadenfilosofie van Leibniz, die in de gedaante van de mentor Pangloss het hoe en waarom in de wereld probeert uit te leggen aan de hoofdpersoon, Candide. Tijdens een reis door Europa komt Candide telkens in aanraking met de ongerijmdheden en wreedheid van het aardse bestaan, maar iedere keer verzekert Pangloss hem dat alles gebeurt voor een goed doel in deze wereld die de best mogelijke van alle is. Uiteindelijk lijkt Candide zich bij deze filosofie neer te leggen, en concludeert dat "il faut cultiver son jardin" ("Je moet je tuin onderhouden").

Mensenrechten

Naast zijn literaire inspanningen ging Voltaire zich ook steeds meer bezighouden met allerlei maatschappelijke en juridische misstanden, en werd daarmee één van de eerste voorvechters voor de mensenrechten. Zo mengde hij zich in een zaak in Toulouse, waarbij de protestant Jean Calas onterecht ter dood werd veroordeeld omdat hij de hand zou hebben gehad in de dood van zijn zoon, die zich tot Katholiek zou hebben willen bekeren. Voltaire bestudeerde alle dossiers van de zaak, en hoewel Calas ter dood werd gebracht, werd hij in 1765 postuum toch nog vrijgesproken. Voltaire ging zich daarna meer en meer op gelijksoortige zaken toeleggen. Hij liet in 1762 uittreksels publiceren van Het Testament van Jean Meslier, dat zo subversief was dat hij er een "gekuiste" versie van maakte waarin het radicale atheïsme van Meslier wordt afgezwakt tot het door Voltaire voor maatschappelijk veiliger geachte deïsme. Ook vertaalde hij een geschrift van de Italiaanse jurist Cesare Beccaria (Dei delitti e delle pene) in het Frans, waarin gepleit werd voor afschaffing van de doodstraf en marteling en voor humanisering van de rechtspraak in het algemeen. Hij publiceerde in 1763 zijn Traité sur la Tolérance.

Hoewel Voltaire naarmate hij ouder werd steeds cynischer en sceptischer werd ten aanzien van de wereld en van God, zou hij nooit van zijn geloof vallen. Zo liet hij op de door hem opgerichte kerk in Ferney de tekst "Deo erexit Voltaire" (door Voltaire opgericht voor God) aanbrengen. Het geloof van Voltaire was deïstisch, hoewel hij zichzelf een theïst noemde. Het deïsme houdt in dat God, de zogenaamde 'Dieu Horloger', het universum als een klok geschapen heeft en die aan de gang heeft gebracht, waarna deze zichzelf blijft voortbewegen. Hij geloofde dus niet in een God die direct ingrijpt in het menselijk bestaan.

Op de leeftijd van 83 jaar keerde Voltaire als een held terug in Parijs. Hij woonde in de Comédie Française de opvoering van zijn laatste toneelstuk Irène bij, waarna hij een staande ovatie ontving. Enkele weken later werd hij, ondersteund door Benjamin Franklin, binnengeleid in een loge van de Vrijmetselaars.

Voltaire heeft zijn dood verhaast door een al te grote hoeveelheid opium in te nemen.

Kort daarop stierf hij.

Zijn bibliotheek werd opgekocht door Catharina de Grote en omvatte 22.000 brieven. Zij worden nog altijd bewaard in de Russische Nationale Bibliotheek in Sint-Petersburg.

Vanwege zijn kritiek op de kerk mocht hij niet in kerkelijke grond begraven worden. De bisschop van Parijs zou gezegd hebben dat zijn lijk op de mesthoop moest worden geworpen.

Hij werd echter begraven bij een abdij in de Champagne. In 1791 werden zijn overblijfselen door het revolutionaire bewind met veel plechtig vertoon verplaatst naar het Pantheon in Parijs.

Toen dit gebouw in 1815 weer een kerk werd, liet Lodewijk XVIII Voltaire daar rusten, omdat volgens de koning het "hem goed zou doen om af en toe een mis te horen".

Vrije meningsuiting

Het ook in Nederland veel gebruikte citaat "Ik ben het niet eens met wat je zegt, maar ik zal het recht om het te zeggen tot de dood toe verdedigen" stelt hem voor als een (mogelijk) en bereidwillig martelaar van de persvrijheid, maar daarvoor was hij nog te veel een man van de 18e eeuw. De uitspraak is niet tot Voltaire te herleiden.

Het citaat is van Evelyn Beatrice Hall die onder het pseudoniem Stephen G. Tallentyre in The Friends of Voltaire (1906) deze maxime gaf als een samenvatting van Voltaires gedachtegoed. In Norbert Gutermans in 1965 gepubliceerde A Book of French Quotations wordt een brief van 6 februari 1770 geciteerd die Voltaire aan Abbé le Riche zou hebben geschreven. Het door Gutterman gegeven citaat "Monsieur l'abbé, je déteste ce que vous écrivez, mais je donnerai ma vie pour que vous puissiez continuer à écrire" komt in die brief (en ook in de verdere correspondentie) echter niet voor.

Het wordt nog moeilijker Voltaire voor te stellen als held van de vrije meningsuiting, als men beschouwt wat zijn criticus, de schrijver en uitgever Élie Fréron ten deel viel.

Geërgerd door de kritiek van Fréron, gebruikte Voltaire zijn invloed bij de censuur, de "directeur de la Librairie", Lamoignon de Malesherbes. Het tijdschrift van Fréron werd verschillende malen gesuspendeerd, en Fréron zelf een aantal keren opgesloten in de Bastille en in For-l'Évêque. De Garde des Sceaux, Hue de Miromesnil, gelastte in 1776 de volledige opheffing van Frérons publicatie, l’Année littéraire.

De vrijheid van meningsuiting reserveert Voltaire voor zichzelf.

Wanneer de schrijver La Beaumelle in een kritiek de fouten in Voltaire's werk Le siècle de Louis XIV aantoont, wordt hij door de luitenant-generaal van politie verhoord, dankzij de interventie van Voltaire's vriendin, madame Denis. Een maand later krijgt La Beaumelle een huiszoeking. Hij wordt opgesloten in de Bastille, van april tot oktober 1753. Eenmaal vrij, begaat La Beaumelle opnieuw Voltaire-schennis, en Voltaire laat hem vals betichten en, in de opwinding rond de aanslag van Damiens, in 1757, wordt La Beaumelle een tweede keer in de Bastille opgesloten, en vervolgens verbannen naar de Languedoc. In 1767 schrijft La Beaumelle een nieuwe kritiek over een werk van Voltaire, die erin slaagt de eerste editie te laten verbieden. La Beaumelles kansen in de vetes met de filosoof en zijn vrienden keren pas bij het aantreden van een nieuwe minnares van de koning, madame du Barry, die de schrijver in bescherming neemt.

Info Contact Home


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

TOP

+

+

+

+

Voltaires handschrift met zijn beroemde zin "Ecrasez l'infâme" (helemaal onderaan), 28 september 1763.  Het onderwerp van het schrijven is de affaire Jean Calas.

Bron: Gallica images

Voltaire, François-Marie Arouet, 1728.

Kunstenaar: studio van Nicolas de Largillière. Bron: Carnavalet Museum in Parijs (Salon Voltaire). This portrait is a copy of the picture conserved in the Musée national du Château de Versailles, inv. MV 8159

René Descartes