App Nederland Extra Geschiedenis NL - Deltawerken

VOC Verenigde Oost-Indische

Compagnie

VOC Verenigde Oost-Indische Compagnie was een particuliere Nederlandse handelsonderneming met een monopolie op de overzeese handel tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop (Zuid-Afrika) en ten westen van de Straat Magellaan (Zuid-Amerika).

De VOC werd in 1602 opgericht als de “Generale Vereenichde Geoctroyeerde Compagnie”. Het was destijds het grootste handelsbedrijf ter wereld en was de eerste naamloze vennootschap met vrij verhandelbare aandelen. De VOC wordt vaak genoemd als het eerste bedrijf dat in meerdere landen vestigingen had.

De VOC richtte een handelsnetwerk op tussen de diverse handelsposten in de Aziatische regio. Deze intra-Aziatische handel zorgde vele jaren voor grote winsten. De VOC sloot daartoe naar believen tractaten (verdragen) met oosterse alleenheersers en vorsten. De compagnie sloeg eigen munten, want in Azië was nauwelijks vraag naar Europese producten, afgezien van wapens, wetenschappelijke instrumenten en medische handboeken.

De VOC had een eigen leger en oorlogsschepen ter handhaving of uitbreiding van haar positie en om zo nodig handel met de lokale bevolking af te dwingen. De compagnie stortte zich in de eerste jaren in dure militaire campagnes om de Portugezen uit Aziatische handelsposten te verdrijven en andere concurrenten op een afstand te houden. Rond 1700 was de helft van het aantal medewerkers soldaat.

Binnen de Aziatische factorijen (handelsposten) en het door haar gecontroleerde gebied regelde de compagnie bestuur en rechtspraak. Er werd handel gedreven (soms kort) met onder meer Mokka, Perzië, Gujarat, Malabar, Ceylon, de Coromandelkust, Bengalen, Ayutthaya, Cambodja, Birma, Vietnam, Formosa, China, Japan, Java en de Molukken waar lange tijd de meeste winst werd gemaakt.

De VOC stimuleerde ontdekkingsreizen in de hoop op snellere verbindingen, nieuwe handelscontacten en producten, taalonderzoek met de bedoeling het christelijk geloof onder de aandacht van de plaatselijke bevolking te brengen en etnobotanisch onderzoek om het aantal slachtoffers onder haar werknemers te doen afnemen.

Op het toppunt van haar macht had de VOC 25.000 werknemers in Azië in dienst. In Nederland had de VOC zo'n 3.000 personeelsleden en indirect waren in de toelevering velen er economisch afhankelijk van. Van hoog tot laag hielden de werknemers zich bezig met smokkel om hun karige salarissen aan te vullen. De VOC had veel te lijden van de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784), toen door de Engelsen meerdere handelsposten ingenomen werden en volle handelsschepen gekaapt werden. De verliezen worden geraamd op mogelijk zestig miljoen gulden. Tijdens de Bataafse Republiek werd het bedrijf in maart 1795 genationaliseerd. De schuld bedroeg een jaar later 120 miljoen gulden die de staat overnam. Het octrooi werd nog tweemaal verlengd om de lopende zaken af te handelen.

 De VOC hield officieel op te bestaan op 31 december 1799.

Voorgeschiedenis

Tussen 1498 en 1595 was de specerijenhandel op Oost-Indië volledig in handen van de Portugezen, gedekt door het pauselijke Verdrag van Tordesillas. Nadat Portugal met Spanje - waarmee de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in oorlog was - één land was geworden, werd het de Nederlanders verboden om Spaanse en Portugese havens aan te doen. Daarop werd in de republiek besloten om zelf de specerijen te gaan halen in Oost-Indië. Er ontstonden vanaf 1595 meerdere compagnieën met handel op Oost-Indië. Raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt was niet de enige die vond dat de financiering van de concurrentie de winst drukte. Daarnaast konden de kleine compagnieën geen rol spelen in de strijd tegen de koning van Spanje. Een grote verenigde compagnie zou daarentegen in zijn ogen een krachtig militair én economisch wapen zijn, en hij dwong de compagnieën te fuseren. De inkomsten die de VOC in de vorm van allerlei belastingen en accijnzen voor de staat zou genereren, werden voor het land van groot belang geacht voor de Tachtigjarige Oorlog. Dat bleek in de praktijk ook zo te zijn. Aan het eind van zijn leven liet Van Oldenbarnevelt weten dat bij de oprichting voor hem het staatsbelang zwaarder woog dan dat van de aandeelhouders.

In 1602 gingen zes compagnieën over in de VOC. Op 20 maart 1602 verleenden de Staten-Generaal een octrooi met daarin vastgelegd dat vanuit de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden alleen de VOC het recht had zeehandel te drijven in het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan. De dag van de octrooiverlening wordt algemeen beschouwd als de officiële oprichtingsdatum. Het octrooi had een geldigheid van eenentwintig jaar. Afgesproken was dat de participanten het recht hadden om na tien jaar hun gehele inleg terug te krijgen.

De 73 bewindhebbers van de zes voormalige compagnieën kregen de dagelijkse leiding. Dit aantal moest door natuurlijk verloop worden teruggebracht tot 60 bewindhebbers. Het werden er weer meer toen in de periode 1613-1665 diverse provincies en steden een zetel opeisten nadat de Staten-Generaal fikse subsidies hadden verleend. Vanaf 1696 mocht de Ridderschap van Holland twee bewindhebbers installeren. Daarmee kwam het aantal weer op 73 bewindhebbers.

In 1749 werd stadhouder Willem IV aangesteld tot opperbewindhebber. Ook zijn opvolger Willem V kreeg die functie. Na de Franse inval en de oprichting van de Bataafse Republiek werden alle bewindhebbers op 24 december 1795 van hun taken ontheven. Het dagelijkse bestuur werd overgenomen door het 21 leden tellende Comité tot de zaken van de Oost-Indische handel en Bezittingen.

De VOC was onderverdeeld in vier regionale afdelingen (Amsterdam, Zeeland, West-Friesland en Maaze) met in zes steden een kantoor dat 'kamer' genoemd werd. Het centrale bestuur kwam in handen van de Heren XVII, naar de naam van het aantal door de kamers afgevaardigde bewindhebbers. Het aantal bewindhebbers van elke kamer dat werd afgevaardigd naar de Heren XVII was zo vastgesteld dat Amsterdam geen absolute meerderheid kon krijgen.

In Den Haag zetelde het Haags Besogne. Dit was een administratieve commissie binnen de VOC die de correspondentie met Indië controleerde.

Vanaf 1609 was het plaatselijke bestuur in Indië in handen van de Raad van Indië. Deze was verantwoording schuldig aan de Heren XVII, maar omdat instructies gemiddeld driekwart jaar onderweg waren, was die in verregaande mate bevoegd zelf beslissingen te nemen. Deze Hoge Regering werd geleid door de gouverneur-generaal en werd bijgestaan door raadsleden. De Raad van Indië zetelde eerst op het eiland Ternate en later in de stad Batavia op Java.

De eerste jaren werd zwaar geïnvesteerd in een oorlogsvloot om vaste voet in Azië te krijgen. Aan de Staten-Generaal werd geld gegeven om in Portugal handels- en oorlogsschepen aan te vallen en havens te blokkeren. Zelf veroverde de VOC in de Indische Archipel diverse Portugese forten en maakte 150 tot 200 schepen buit. De VOC groeide daarmee in de beginjaren uit tot een kaapvaartcompagnie. Ook tijdens het Twaalfjarig Bestand ging de gewapende strijd tegen de Spanjaarden en Portugezen onverminderd door. Zo werd de in Spaanse handen zijnde haven van Manilla enkele malen geblokkeerd. Pas begin jaren twintig zou de VOC van vrijbuiter worden omgevormd tot handelscompagnie.

Al in 1608 werd een factorij in Masulipatnam gesticht, aan de Coromandelkust in het zuiden van India. Vanaf 1615 werd handel gedreven op Bengalen in het noorden. Aan de kaapvaart had de VOC in de eerste 21 jaar van zijn bestaan volgens historicus Victor Enthoven zo'n tien miljoen gulden verdiend. Had het die inkomsten niet gehad, dan was de compagnie volgens hem in de beginjaren al failliet gegaan. Het gemiddelde rendement op de aandelen bedroeg tot begin jaren twintig van de zeventiende eeuw zo'n zes procent op jaarbasis. Dat was minder dan de banken voor spaargeld gaven.

In 1622 voerde een groep participanten oppositie tegen de bewindhebbers. Een aantal van hen had een complete voorraad handelsgoederen opgekocht, nog voordat die de republiek bereikt had. De aandeelhouders beschuldigden de bewindhebbers van mismanagement, zelfverrijking, belangenconflicten en een gebrek aan financiële openheid. Daarop werd bij de vernieuwing van het octrooi in 1623 de macht van de bewindhebbers enigszins beperkt. Er werd een regel ingesteld dat ze niet meer hun leven lang, maar slechts voor een periode van drie jaar als bewindhebber konden aanblijven en vervolgens drie jaar aan de zijlijn moesten staan. Hiermee werd al spoedig de hand gelicht. Daarnaast mochten de bewindhebbers alleen nog op publieke veilingen en tegen dezelfde voorwaarden als anderen handelswaren kopen. Vanaf 1647 werden de bewindhebbers vast bezoldigd, evenals het kantoorpersoneel.

In dat jaar probeerde de in 1621 opgerichte en inmiddels nagenoeg failliete West-Indische Compagnie vergeefs te fuseren met de VOC.


Omdat er in Azië weinig interesse bestond voor Europese producten, voeren de schepen aanvankelijk met een ballast van bakstenen en werd de handel veelal betaald met goud en zilver, aangevoerd vanuit Europa, Arabië, Zuid-Amerika of Japan, of met textiel en zijde die in India waren gekocht. Zo bouwde de VOC voort op een bestaand handelsnetwerk dat werd uitgebreid met factorijen die zilver, tin, hout, huiden, koper, salpeter, ivoor, betelnoten en opium leverden.

Het opzetten van een netwerk van ruilhandel, dat de "Indische buitenhandel" werd genoemd, is gepropageerd door gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen (1587-1629) om het tekort aan edele metalen en contanten te ondervangen. Hij was ervan overtuigd dat met deze intra-Aziatische handel de VOC zich volledig zou kunnen bedruipen en geen geld uit de republiek meer nodig zou hebben om handelsgoederen in te kopen. Om dat mede te realiseren wilde hij vele Nederlanders naar de Indische archipel laten emigreren. Voor dat laatste ontbrak het aan belangstelling. Tussen circa 1635 en 1690 maakte de VOC inderdaad winst met de door Coen ingestelde interne handel.

Het ruilen van Chinese zijde tegen Japans zilver bleek uitermate winstgevend. Pattani op het Maleise schiereiland werd al snel een centrum voor de inter-Aziatische handel; in het bijzonder voor de handel op China.

De intra-Aziatische handel, in het begin zeer winstgevend voor de VOC, bracht vanaf het einde van de zeventiende eeuw geen winst meer op. De handel met Japan via Dejima droogde grotendeels op en de export van zilver en goud uit Japan werd verboden. In de tweede helft van de achttiende eeuw verschoof bovendien de handel van dure luxegoederen naar goedkopere massagoederen. Dat ging ten koste van de winstmarge.

Een andere belangrijke reden was de toenemende Britse en Franse invloed via de Engelse Oostindische Compagnie en de Franse Oost-Indische Compagnie.

In een vroege poging de smokkel van opium tegen te gaan, werd in 1745 de Amfioensociëteit opgericht. Deze kreeg het monopolie op de opiumhandel op Java en nam tegen een vastgestelde prijs van de VOC een bepaalde hoeveelheid opium af. De sociëteit werd gerund door VOC-bestuurders. De winsten waren voor hen persoonlijk. De opiumsmokkel kon echter niet uitgeroeid worden. Toen de Engelsen in 1757 Calcutta op de plaatselijke vorst veroverden, kregen die het monopolie op de opiumhandel. De VOC moest voortaan de opium tegen een forse prijs van de Engelsen inkopen, waardoor de winst terugliep. Vanaf dat moment was de VOC niet meer heer en meester in 'haar' handelsgebied. In 1758 moest de VOC haar positie in Suratte afstaan aan de Engelsen. Vanaf 1767 werd ook de handel met Ayutthaya minder winstgevend.

Van de handel met Kanton bestond 80% uit thee. Die werd betaald met handelsgoederen die ter plekke eerst verkocht moesten worden om de thee te kunnen inkopen. Als dat gebeurd was, hadden de concurrenten de beste kwaliteit thee al opgekocht.

Een belangrijke schadepost was de particuliere handel of "morshandel" die bedreven werd door de personeelsleden van de compagnie die pover werden betaald en zich op deze manier wisten te verrijken. Repatriërende VOC-dienaren brachten vaak grote fortuinen die ze zonder toestemming van hun werkgever voor eigen rekening hadden vergaard, mee naar het vaderland.

Het einde van de VOC had vele oorzaken en was een langzaam verlopend proces dat bijna de gehele achttiende eeuw in beslag nam. De vaste kosten bleven hoog vanwege de vele garnizoenen die bemand moesten worden en de sterke oorlogsvloot die nodig was om het handelsgebied van de VOC te verdedigen.

Aan het eind van zijn bestaan werd de VOC bestuurd door mensen die te weinig commerciële ervaring hadden, geen reder waren en die meestal ook nog nooit in Indië waren geweest. Bovendien ontbrak het aan een doorzichtig boekhoudsysteem, zodat men in Amsterdam geen goed zicht had op het verloop van de geldstromen. Een winst- en verliesrekening werd nooit opgemaakt en de vorming van een reservefonds werd nagelaten.Volgens raadpensionaris Laurens Pieter van de Spiegel was de VOC een lichaam zonder directie, orde of spaarzaamheid. Vastgesteld kan worden dat de gehele organisatie te rigide (onbeweegbaar / stijf) was om zich aan te passen. De bedrijfsresultaten daalden tot 1775 scherp, daarna trad een licht herstel in.


    



Info Contact Home

+

+

+

+

Het Oost-Indisch Huis in Amsterdam 1768.

Schilder: Reinier Vinkeles. Bron: Stadsarchief Gemeente Amsterdam

Links de oudst bewaarde kwitantie van een termijnbetaling van een participatie in een VOC-aandeel, gedateerd 9 september 1606. Rechts de tot 1650 op de kwitantie bijgehouden uitbetaling van dividend.

Bron: Westfries Archief.

Ontdekker: Ruben Schalk, geschiedenisstudent aan de Universiteit Utrecht ontdekte in het Westfries Archief te Hoorn het tot nu toe oudst bekende ‘aandeel’ ter wereld (2010). Het aandeel dateert van 9 september 1606 en is uitgegeven door de VOC-kamer Enkhuizen. Het stond op naam van Pieter Hermanszoon Boode. Het tweede blad toont de registratie van dividenden.

Het scheepswerfterrein van de VOC op Oostenburg in Amsterdam. Prent van de VOC-werf uit 1750, met op de voorgrond de IJ-oever met twee scheepshellingen.

Ets: Joseph Mulder.

Bron: Stadsarchief Amsterdam. Foto: bma.amsterdam.nl

+

VOC-duit. (1735) voor- en achterkant.

Foto: Svdmolen

Te zien is het gedeelte van de directiekamer: De tafel met de zeventien stoelen van "de Heren XVII" in het Oost-Indisch huis in Amsterdam.

Foto:  Josh at nl.wikipedia

Het feitelijke handelsgebied. Officieel lag het aan de VOC verleende octrooi tussen Kaap de Goede Hoop en Straat Magellaan.

Bron: TANAP

De Heren XVII of Heren Zeventien en in de oorspronkelijke schrijfwijze Heeren XVII, was de naam van het centrale bestuur van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC).

De Heren XVII was een wisselend college. Het bestond uit zeventien bewindhebbers, waaraan de naam van het college ontleend is en afkomstig uit de vier VOC-afdelingen. Daarnaast hadden vanaf 1614 zitting de advocaat van de VOC (dat kon er meer dan één zijn) en vanaf 1623 zes beëdigde hoofdparticipanten. Deze laatsten hadden een adviserende stem.

De Generale Vergadering van de VOC vertegenwoordigde vier afdelingen met totaal zes kantoren die de naam van kamer hadden. Te weten: Amsterdam, belast met de helft van de activiteiten; Zeeland (Middelburg), verantwoordelijk voor een vierde van de activiteiten; Noorderkwartier of West-Friesland (Enkhuizen en Hoorn), zorgde voor een achtste van de activiteiten; Maaze (Delft en Rotterdam), ook een achtste van de activiteiten

Gespecificeerd was de verdeling van de afgevaardigden voor de Heren XVII als volgt: Kamer Amsterdam (acht), Kamer Zeeland (vier), Kamer Delft (één), Kamer Rotterdam (één), Kamer Hoorn (één) en Kamer Enkhuizen (één). Het zeventiende lid werd bij toerbeurt afgevaardigd door Zeeland en één van de vier kleine kamers. Daarmee werd voorkomen dat Amsterdam een absolute meerderheid kreeg.

De vergaderingen van de Heren XVII werden eerst twee keer per jaar en later drie keer per jaar gehouden. Ze vonden plaats in een cyclus van acht jaar, waarbij ze zes jaar in Amsterdam gehouden werden en vervolgens twee jaar in Middelburg. De bijeenkomsten namen meerdere weken in beslag. De bewindhebbers van de afzonderlijke kamers, waar vandaan de zeereizen georganiseerd werden, zagen elkaar vaker en waren verantwoordelijk voor het uitvoeren van het beleid van de Heren XVII.

Nationalisatie

Na de oprichting van de Bataafse Republiek in 1795 werd op 24 december van dat jaar besloten dat de VOC per 1 maart 1796 genationaliseerd werd. Alle bewindhebbers werden per die datum ontslagen. De schulden, bezittingen en administratie van de VOC gingen over op de nieuwe republiek.

Het octrooi dat eind dat jaar zou aflopen, werd verlengd tot 31 december 1798 om de lopende zaken af te handelen en vervolgens voor een laatste keer tot 31 december 1799. Officieel bestond de VOC niet meer op 1 januari 1800.

De afzonderlijke kamers van de VOC in Delft, Hoorn en Enkhuizen werden pas in 1803 door de Raad van Aziatische Bezittingen en Etablissementen opgeheven. In Rotterdam en Middelburg bleven verkoopkantoren bestaan.

Gedurende bijna 200 jaar werden ruim 4700 schepen naar Azië uitgerust, waarvan bijna 1700 in de zeventiende en meer dan 3000 in de achttiende eeuw. Vanaf het oprichtingsjaar tot 1700 bevonden zich op deze schepen

317.000 mensen, van 1700 tot 1795 waren er dat 655.000. Daarvan keerde en derde deel terug.


De archieven van de Vereenigde Oostindische Compagnie staan sinds 2003 op de Werelderfgoedlijst voor documenten van UNESCO. De VOC-archieven worden door overheidsinstellingen bewaard in Kaapstad, Chennai, Colombo, Jakarta en Den Haag. UNESCO beschouwt  het archief als het grootste en meest indrukwekkende van alle vroeg moderne Europese handelsbedrijven die actief waren in Azië. Ongeveer vijfentwintig miljoen pagina's archief zijn bewaard gebleven. Volgens de organisatie vormen die het meest uitgebreide en de meest complete bron van de vroeg moderne wereldgeschiedenis met relevante informatie over de geschiedenis van honderden lokale politieke en handelsorganisaties in Azië en Afrika.

De minimumleeftijd aan boord van de schepen was dertien jaar, later opgetrokken tot zestien. Een matroos verdiende zo'n 110 gulden per jaar. Zijn eten en onderdak kreeg hij ook vergoed. Ter vergelijking: een Raad van Indië verdiende 350 gulden, de gouverneur-generaal 1.200 gulden per maand, exclusief vrije kost en inwoning. In 1682 werden er op een VOC-schip zes apen, twaalf papegaaien, twee Ambonese kaketoes, een krokodil, een Bengaals hertje en een jonge eland vervoerd. De vraag naar en aanvoer van dieren was al snel zo groot dat de VOC in Amsterdam onderkomens liet bouwen om de bijzondere en zeldzame dieren tijdelijk te huisvesten.  


  Museum JoCas © (CC BY-SA 3.0 NL) CC: Creative Commons - Naamsvermelding - Niet-commercieel - Gelijk delen 3.0  Nederland , licentie en © Format: Cor Bastinck ism vml JoCas, Jeugd- en jongerenvereniging. © teksten zie Wikipedia en “Info” © foto’s algemeen zie “Info” en wanneer afwijkend zie onderschrift foto’s bij artikel.

+

+

Gezicht op de Tijgersgracht te Batavia uit de Atlas van der Hagen, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag Deel 4. De Tijgersgracht gold in het midden van de 17de eeuw als de fraaiste van de vijftien binnengrachten van Batavia. Langs de gracht stonden de huizen en gebouwen van de aanzienlijke families van de stad.

Bron: This is an image from the Atlas of Mutual Heritage and the Koninklijke Bibliotheek, the Dutch National Library

+

Reconstructie van de Batavia. Het VOC-schip de Batavia werd tussen 1627 en 1628 op de Peperwerf in Amsterdam gebouwd. Het schip vertrok voor het eerst op 29 oktober 1628, onder bevel van schipper Adriaan Jakobsz. Eigenlijk was de leider van de expeditie opperkoopman François Pelsaert. Het schip verging op 4 juni 1629 voor de Australische westkust.

Foto: ADZee.

Bergafwaarts

Toen door de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog retourschepen de Republiek niet meer konden bereiken, ging het snel bergafwaarts. Twee jaar lang lag de handel stil. Grote voorraden handelsgoederen in de factorijen in Voor-Indië (Nagapattinam) waren door de Engelsen in beslag genomen. Al in 1781 besloten de Hollandse kamers surseance van betaling aan te vragen en er is sindsdien geen dividend meer uitgekeerd. Obligaties op de VOC waren inmiddels nagenoeg onverkoopbaar. Steun van de stad Amsterdam, de Bank van Lening, de Staten-Generaal, het gewest Holland en het in 1790 organiseren van loterijen konden het tij niet keren. De privileges van de bewindhebbers kwamen onder het mes en een aantal logementen werd opgeheven. In 1793 dreigden de bewindhebbers met de schorsing van de uitbetaling en het sluiten van de werven. In 1794 kwam naar buiten dat de Amsterdamse Wisselbank voor miljoenen guldens illegaal blanco krediet had verstrekt aan de VOC. Na het in 1795 uitbreken van de oorlog met Frankrijk vielen de meeste overgebleven VOC-kantoren in Engelse handen. Alleen de bezittingen op Java en de factorijen in Dejima en Kanton bleven behouden.

TOP

+

+

In 1663 verovert de VOC de stad Cochin op de Portugezen aan de kust van Mallabar (oostelijke kust van India).

Ets: Coenraet Decker, 1682. Bron: Atlas van der Hagen

Replica van het VOC-spiegelschip Amsterdam.

Foto: Deepak released it on 24th July 2005 under CC-BY-SA-2.0 and GFDL

De Hollandse kerk of 'Kruiskerk' te Batavia. Op het plein voor de kerk een menigte.

 Bron: Westfries Museum, inv. nr. 15241.08. De prenten uit de Atlas Van Stolk en Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, inv. nr. 388 A 9 deel II, na p. 200, 1 zijn zwart-wit, de prent uit de Koninklijke Bibliotheek (Atlas van der Hagen, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag Deel 4 ) is ingekleurd.

TOP TOP