© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Koninkrijk Holland - Napoleon -
Lodewijk Napoleon Bonaparte , bijgenaamd de Lamme Koning en Lodewijk de Goede, was de jongere broer van keizer Napoleon I en de vader van de latere Franse keizer Napoleon III. In 1806 werd hij op last van zijn broer Napoleon koning van Holland. Hij ging een eigen koers varen en kwam zelfs op voor de belangen van het Koninkrijk Holland. Dat leidde tot een conflict met zijn broer Napoleon. Als gevolg moest hij in 1810 aftreden, waarop het Koninkrijk Holland in zijn geheel werd geannexeerd door Frankrijk. Napoleon besloot in 1806 een eind te maken aan het Bataafs Gemenebest, omdat hij een sterk gezag wenste in de strategisch gelegen Nederlanden. Hij plaatste daarom zijn jongere broer Lodewijk Napoleon op de troon: door een familielid tot vorst te benoemen kon Napoleon toch invloed uitoefenen. Door het overlijden van stadhouder Willem V op 9 april 1806 stond Napoleon niemand meer in de weg. De zoon van Willem V, erfprins Willem Frederik had, in tegenstelling tot zijn vader, afstand gedaan van zijn rechten in de Nederlanden. Na een georkestreerd, maar formeel verzoek uit Nederland op 5 juni 1806, werd Lodewijk Napoleon koning van Holland. Lodewijk Napoleon maakte echter bezwaar tegen de plannen van zijn broer. Omdat hij al jaren kwakkelde met zijn gezondheid – reuma dwong hem regelmatig kuuroorden op te zoeken – was hij niet van plan naar Nederland af te reizen. Ook beviel het hem niet dat zijn broer hem als een ondergeschikte behandelde, die zonder inspraak de keizerlijke orders moest uitvoeren. Napoleon was echter onverbiddelijk, en uiteindelijk schikte Lodewijk zich in zijn lot. De koning van Holland maakte zich snel geliefd onder het volk o.a. door zijn betrokken optreden bij rampen, waarin hij werd nagevolgd door alle Nederlandse staatshoofden die na hem kwamen. Ook het Nederlandse verzet liep stuk. Op orders van de keizer reisde een Bataafse regeringsdelegatie naar Parijs af om over de machtswisseling te onderhandelen. Napoleon weigerde echter de afvaardiging te ontvangen, en tot hun grote vernedering moesten de delegatieleden Lodewijk uit naam van het Hollandse volk verzoeken vorst te worden. Een façade van legitimiteit kon niet verhullen dat de Nederlanders een vorst kregen opgedrongen. Op 5 juni 1806 vond de officiële ceremonie plaats. In het bijzijn van de Bataafse delegatie werd Lodewijk Napoleon in Parijs tot vorst van het Koninkrijk Holland benoemd. Louis was nu: "Zijne Majesteit Lodewijk Napoleon door de genade Gods en de constitutie des rijks Koning van Holland, connétable (plaatsvervangend bevelhebber) van Frankrijk". Om de Nederlandse patriciërs (bestuurders) aan zijn troon te binden stelde de nieuwe koning op 12 december 1806 een ridderorde, de "Orde van de Unie" in (dit tegen de wens van zijn broer Napoleon). Nederland kende geen ridderorden, maar de orde werd een onverwacht succes. Het verzet tegen de komst van de nieuwe koning was meegevallen, maar de nieuwe vorst nam geen genoegen met die gelatenheid en poogde daadwerkelijk de sympathie van het volk te winnen en zijn gezag te rechtvaardigen. Reeds in zijn welkomsttoespraken haastte Lodewijk zich de Hollanders gerust te stellen. Hij mocht dan op Corsica zijn geboren, hij beloofde plechtig het belang van zijn Hollandse onderdanen in het oog te houden. Lodewijk nam zijn taak zo serieus, dat hij taallessen nam bij de hoogleraar David Jacob van Lennep en bij de schrijver en hofdichter Willem Bilderdijk om het Nederlands onder de knie te krijgen. Maar zoals voor alle Franstaligen ging hem de Nederlandse accentuering niet gemakkelijk af. Zo zou hij zichzelf bij een toespraak in Amsterdam (door de Franse neusklank) konijn van Olland genoemd hebben. De historiciteit van deze gebeurtenis staat echter niet vast. Ook Deventer, dat hij op 4 mei 1809 bezocht, beweert dat de koning daar zichzelf konijn genoemd zou hebben. Daarnaast had Lodewijk het Nederlands verheven tot de officiële taal in het bestuur, en hoewel dit besluit vooral was bedoeld om Franse spionnen te dwarsbomen, kreeg hij met zijn taalinteresse wel enige sympathie bij het Nederlandse volk. Koning Lodewijk sloot zich niet op in zijn Haagse paleis, maar ging regelmatig op tournee. Op zijn rondreizen deed hij ook de uithoeken van het koninkrijk aan, waar stadhouder Willem V zich zelden of nooit had vertoond. De tournee was niet slechts een slimme daad om sympathie te verwerven, want Lodewijk was ook daadwerkelijk gegrepen door de problemen die hij in deze afgelegen gebieden tegenkwam en pakte deze voortvarend aan. Zo woedde in Brabant de geheimzinnige zweetziekte, maar zonder angst zijn toch al wankele gezondheid te schaden, bezocht de koning de slachtoffers. Geschokt door het lijden liet hij meteen de benodigde geneesmiddelen komen, gaf voldoende geld voor de eerste noden, en liet een arts uit Boxmeer halen. Een paar weken later al was de epidemie bedwongen. Door als redder in nood op te treden, met altijd een oplossing binnen handbereik, kreeg hij al gauw nationaal respect. Daarnaast was een deel van Brabant door overstromingen zwaar getroffen. Een ander belangrijk thema was de teruggave van katholieke kerken die in 1648 aan de protestanten waren toebedeeld en volgens de nieuwe grondwet van 1798 teruggegeven hadden moeten worden aan de katholieken. In 1809 ondernam hij van 13 april tot en met 17 mei 1809 een inspectiereis door de departementen Brabant en Zeeland. Tijdens deze reis werden de dorpen Tilburg, Oosterhout en Roosendaal tot stad verheven.’s Konings reis in 1809 had grote culturele, politieke, religieuze en sociale gevolgen voor Noord-Brabant. De reis voerde in het voorjaar van 1809 langs Grave, via Eindhoven, 's-Hertogenbosch, Heusden, Waalwijk, Oosterhout, Tilburg, Steenbergen naar Bergen op Zoom. Tijdens deze reis benadrukte hij dat het voormalige politiek achtergestelde Generaliteitsland in het seculiere Koninkrijk Holland een gelijkberechtigde plaats innam. Deze reis werd gehouden van 13 april tot en met 3 mei. Daarna volgde de reis tot en met 17 mei naar het departement Zeeland. Tijdens deze reis toonde de koning zich een echte "polderaar". Dit kwam tot uiting dat hij via draagvlak en overleg zaken wilde realiseren. Tevens vormde deze reis de langste reis die een vorst ooit in het Koninkrijk Holland heeft gemaakt. Gedurende de reis verleende de koning persoonlijk bijstand bij een choleraepidemie die in het dorp Aarle ( bij Helmond) was uitgebroken. Nergens in Nederland staat een monument ter herinnering aan de koning. Een uitzondering is Aarle waar pal voor de hervormde kerk een monument van Lodewijk Napoleon is geplaatst. Corneli(u)s Rudolphus Theodorus baron Krayenhoff was een Nederlands natuurkundige, arts, generaal, waterbouwkundige, cartograaf en tegen wil en dank korte tijd Nederlands minister van Oorlog. Krayenhoff was een autoriteit op het gebied van elektriciteit en bliksemafleiding. De toren van de Grote of Martinikerk in Doesburg kreeg in 1782 als eerste in Nederland een bliksemafleider. In 1796 werd hij directeur van de Hollandse fortificaties en verhuisde naar Muiden. Vanaf 1798 was hij betrokken bij de nieuw te organiseren Rijkswaterstaat, nadat de soevereiniteit van de provincies was opgeheven. Krayenhof was inmiddels begonnen met wat zijn levenswerk zou worden: de driehoeksmeting, zodat Nederland gedetailleerd in kaart kon worden gebracht. Krayenhoff hield zich bezig met het vaststellen van het Amsterdams Peil. Lodewijk Napoleon was zeer op hem gesteld en bood hem diverse functies aan. Krayenhoff was tien maanden Minister van Oorlog en organiseerde de verdediging van Amsterdam. De aanleiding was een dreigende invasie van Napoleon Bonaparte. Daarmee gaf Krayenhoff de eerste aanzet tot de Stelling van Amsterdam, toen de Posten van Krayenhoff, soms ook wel de Oude Stelling van Amsterdam genoemd. Toen Napoleon Bonaparte dit ter ore kwam, moest Krayenhof worden ontslagen. Door twee nationale catastrofes kreeg Lodewijk onvoorzien de kans zich opnieuw als volkskoning te profileren. Op een kille wintermiddag in januari 1807 ontplofte een schip volgeladen met buskruit in het centrum van Leiden, de zogenaamde Leidse buskruitramp. De klap was tot in Den Haag te horen. Van het kruitschip werd alleen het anker teruggevonden, in een weide buiten de stad. Lodewijk spoedde zich nog dezelfde dag naar de plaats des onheils, waar hij diep getroffen was door de ravage. Honderden huizen waren van de aardbodem weggevaagd, een hele schoolklas was onder het puin bedolven en tussen de zwartgeblakerde ruïnes trof hij de verdwaasde slachtoffers aan. De vorst trad doortastend op. Hij zette de koninklijke garde onmiddellijk aan het werk om het puin te ruimen, coördineerde de reddingswerkzaamheden, gaf bakkers in Delft opdracht brood te bakken voor de slachtoffers, ontbood zijn hofchirurg in Leiden en liet Paleis Huis ten Bosch als hospitaal voor de gewonden inrichten. Pas de volgende dag keerde hij terug naar Den Haag. Ook had Lodewijk oog voor de toekomst: hij verbood het vervoer van buskruit door dichtbevolkte plaatsen, richtte een rampenfonds op waarin hij 30.000 gulden stortte en stelde de stad Leiden de komende tien jaren vrij van belasting. Het volk sloot de vorst meteen in de armen. Overal zong de naam Lodewijk de Goede rond, de Vader der Ongelukkigen. Hofdichter Willem Bilderdijk putte zich uit in lyrische loftuitingen, en een stortvloed aan etsen, gravures en schilderijen zag het licht, die zonder gêne de vorstelijke compassie verheerlijkten. Hij kweekte goodwill voor de monarchie. Overstromingen in 1809 waren opnieuw aanleiding voor optreden. Hele dorpen werden verzwolgen toen de grote rivieren als gevolg van ijsdammen buiten hun oevers traden, de Betuwe veranderde in een gigantische binnenzee. Zonder een spoor van angst hielp Lodewijk echter eigenhandig mee de dijken met zandzakken te versterken. Hij coördineerde de hulpacties en bezocht afgelegen dorpen in het gebied om de getroffenen een hart onder de riem te steken. Wederom gaf Lodewijk prentenmakers opdracht zijn goede daden te verbeelden – op de beroemdste gravure spreekt de vorst op een smalle dijk enkele ontredderde dorpsbewoners moed in, het water klotsend om zijn voeten. Het propagandaoffensief en zijn doortastende optreden hadden groot succes, want tijdens een reis door Noord-Holland vergaf de bevolking van Edam hem zijn Franse afkomst. Toen hij opmerkte te hopen dat de Hollanders eens zouden vergeten dat hij niet in hun land geboren was, zei een oude man: "Dat hebben we sinds Leiden al vergeten."  
Schilder: Charles Howard Hodges. In Rijksmuseum Amsterdam. Schilder: Carel Lodewijk Hansen. In Rijksmuseum Amsterdam. Foto: Vlaascho. Auteur: Hermanus Jacobus Slothouwer (died before 1860)

                          © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas

Koninkrijk Holland  - Napoleon -
Lodewijk Napoleon Bonaparte , bijgenaamd de Lamme Koning en Lodewijk de Goede, was de jongere broer van keizer Napoleon I en de vader van de latere Franse keizer Napoleon III. In 1806 werd hij op last van zijn broer Napoleon koning van Holland. Hij ging een eigen koers varen en kwam zelfs op voor de belangen van het Koninkrijk Holland. Dat leidde tot een conflict met zijn broer Napoleon. Als gevolg moest hij in 1810 aftreden, waarop het Koninkrijk Holland in zijn geheel werd geannexeerd door Frankrijk. De koning van Holland maakte zich snel geliefd onder het volk o.a. door zijn betrokken optreden bij rampen, waarin hij werd nagevolgd door alle Nederlandse staatshoofden die na hem kwamen. Napoleon besloot in 1806 een eind te maken aan het Bataafs Gemenebest, omdat hij een sterk gezag wenste in de strategisch gelegen Nederlanden. Hij plaatste daarom zijn jongere broer Lodewijk Napoleon op de troon: door een familielid tot vorst te benoemen kon Napoleon toch invloed uitoefenen. Door het overlijden van stadhouder Willem V op 9 april 1806 stond Napoleon niemand meer in de weg. De zoon van Willem V, erfprins Willem Frederik had, in tegenstelling tot zijn vader, afstand gedaan van zijn rechten in de Nederlanden. Na een georkestreerd, maar formeel verzoek uit Nederland op 5 juni 1806, werd Lodewijk Napoleon koning van Holland. Lodewijk Napoleon maakte echter bezwaar tegen de plannen van zijn broer. Omdat hij al jaren kwakkelde met zijn gezondheid – reuma dwong hem regelmatig kuuroorden op te zoeken – was hij niet van plan naar Nederland af te reizen. Ook beviel het hem niet dat zijn broer hem als een ondergeschikte behandelde, die zonder inspraak de keizerlijke orders moest uitvoeren. Napoleon was echter onverbiddelijk, en uiteindelijk schikte Lodewijk zich in zijn lot. Ook het Nederlandse verzet liep stuk. Op orders van de keizer reisde een Bataafse regeringsdelegatie naar Parijs af om over de machtswisseling te onderhandelen. Napoleon weigerde echter de afvaardiging te ontvangen, en tot hun grote vernedering moesten de delegatieleden Lodewijk uit naam van het Hollandse volk verzoeken vorst te worden. Een façade van legitimiteit kon niet verhullen dat de Nederlanders een vorst kregen opgedrongen. Op 5 juni 1806 vond de officiële ceremonie plaats. In het bijzijn van de Bataafse delegatie werd Lodewijk Napoleon in Parijs tot vorst van het Koninkrijk Holland benoemd. Louis was nu: "Zijne Majesteit Lodewijk Napoleon door de genade Gods en de constitutie des rijks Koning van Holland, connétable (plaatsvervangend bevelhebber) van Frankrijk". Om de Nederlandse patriciërs (bestuurders) aan zijn troon te binden stelde de nieuwe koning op 12 december 1806 een ridderorde, de "Orde van de Unie" in (dit tegen de wens van zijn broer Napoleon). Nederland kende geen ridderorden maar de orde werd een onverwacht succes. Het verzet tegen de komst van de nieuwe koning was meegevallen, maar de nieuwe vorst nam geen genoegen met die gelatenheid en poogde daadwerkelijk de sympathie van het volk te winnen en zijn gezag te rechtvaardigen. Reeds in zijn welkomsttoespraken haastte Lodewijk zich de Hollanders gerust te stellen. Hij mocht dan op Corsica zijn geboren, hij beloofde plechtig het belang van zijn Hollandse onderdanen in het oog te houden. Lodewijk nam zijn taak zo serieus, dat hij taallessen nam bij de hoogleraar David Jacob van Lennep en bij de schrijver en hofdichter Willem Bilderdijk om het Nederlands onder de knie te krijgen. Maar zoals voor alle Franstaligen ging hem de Nederlandse accentuering niet gemakkelijk af. Zo zou hij zichzelf bij een toespraak in Amsterdam (door de Franse neusklank) konijn van Olland genoemd hebben. De historiciteit van deze gebeurtenis staat echter niet vast. Ook Deventer, dat hij op 4 mei 1809 bezocht, beweert dat de koning daar zichzelf konijn genoemd zou hebben. Daarnaast had Lodewijk het Nederlands verheven tot de officiële taal in het bestuur, en hoewel dit besluit vooral was bedoeld om Franse spionnen te dwarsbomen, kreeg hij met zijn taalinteresse wel enige sympathie bij het Nederlandse volk. Koning Lodewijk sloot zich niet op in zijn Haagse paleis, maar ging regelmatig op tournee. Op zijn rondreizen deed hij ook de uithoeken van het koninkrijk aan, waar stadhouder Willem V zich zelden of nooit had vertoond. De tournee was niet slechts een slimme daad om sympathie te verwerven, want Lodewijk was ook daadwerkelijk gegrepen door de problemen die hij in deze afgelegen gebieden tegenkwam en pakte deze voortvarend aan. Zo woedde in Brabant de geheimzinnige zweetziekte, maar zonder angst zijn toch al wankele gezondheid te schaden, bezocht de koning de slachtoffers. Geschokt door het lijden liet hij meteen de benodigde geneesmiddelen komen, gaf voldoende geld voor de eerste noden, en liet een arts uit Boxmeer halen. Een paar weken later al was de epidemie bedwongen. Door als redder in nood op te treden, met altijd een oplossing binnen handbereik, kreeg hij al gauw nationaal respect. Daarnaast was een deel van Brabant door overstromingen zwaar getroffen. Een ander belangrijk thema was de teruggave van katholieke kerken die in 1648 aan de protestanten waren toebedeeld en volgens de nieuwe grondwet van 1798 teruggegeven hadden moeten worden aan de katholieken. In 1809 ondernam hij van 13 april tot en met 17 mei 1809 een inspectiereis door de departementen Brabant en Zeeland. Tijdens deze reis werden de dorpen Tilburg, Oosterhout en Roosendaal tot stad verheven.’s Konings reis in 1809 had grote culturele, politieke, religieuze en sociale gevolgen voor Noord-Brabant. De reis voerde in het voorjaar van 1809 langs Grave, via Eindhoven, 's-Hertogenbosch, Heusden, Waalwijk, Oosterhout, Tilburg, Steenbergen naar Bergen op Zoom. Tijdens deze reis benadrukte hij dat het voormalige politiek achtergestelde Generaliteitsland in het seculiere Koninkrijk Holland een gelijkberechtigde plaats innam. Deze reis werd gehouden van 13 april tot en met 3 mei. Daarna volgde de reis tot en met 17 mei naar het departement Zeeland. Tijdens deze reis toonde de koning zich een echte "polderaar". Dit kwam tot uiting dat hij via draagvlak en overleg zaken wilde realiseren. Tevens vormde deze reis de langste reis die een vorst ooit in het Koninkrijk Holland heeft gemaakt. Gedurende de reis verleende de koning persoonlijk bijstand bij een choleraepidemie die in het dorp Aarle ( bij Helmond) was uitgebroken. Nergens in Nederland staat een monument ter herinnering aan de koning. Een uitzondering is Aarle waar pal voor de hervormde kerk een monument van Lodewijk Napoleon is geplaatst. Corneli(u)s Rudolphus Theodorus baron Krayenhoff was een Nederlands natuurkundige, arts, generaal, waterbouwkundige, cartograaf en tegen wil en dank korte tijd Nederlands minister van Oorlog. Krayenhoff was een autoriteit op het gebied van elektriciteit en bliksemafleiding. De toren van de Grote of Martinikerk in Doesburg kreeg in 1782 als eerste in Nederland een bliksemafleider. In 1796 werd hij directeur van de Hollandse fortificaties en verhuisde naar Muiden. Vanaf 1798 was hij betrokken bij de nieuw te organiseren Rijkswaterstaat, nadat de soevereiniteit van de provincies was opgeheven. Krayenhof was inmiddels begonnen met wat zijn levenswerk zou worden: de driehoeksmeting, zodat Nederland gedetailleerd in kaart kon worden gebracht. Krayenhoff hield zich bezig met het vaststellen van het Amsterdams Peil. Lodewijk Napoleon was zeer op hem gesteld en bood hem diverse functies aan. Krayenhoff was tien maanden Minister van Oorlog en organiseerde de verdediging van Amsterdam. De aanleiding was een dreigende invasie van Napoleon Bonaparte. Daarmee gaf Krayenhoff de eerste aanzet tot de Stelling van Amsterdam, toen de Posten van Krayenhoff, soms ook wel de Oude Stelling van Amsterdam genoemd. Toen Napoleon Bonaparte dit ter ore kwam, moest Krayenhof worden ontslagen. Door twee nationale catastrofes kreeg Lodewijk onvoorzien de kans zich opnieuw als volkskoning te profileren. Op een kille wintermiddag in januari 1807 ontplofte een schip volgeladen met buskruit in het centrum van Leiden, de zogenaamde Leidse buskruitramp. De klap was tot in Den Haag te horen. Van het kruitschip werd alleen het anker teruggevonden, in een weide buiten de stad. Lodewijk spoedde zich nog dezelfde dag naar de plaats des onheils, waar hij diep getroffen was door de ravage. Honderden huizen waren van de aardbodem weggevaagd, een hele schoolklas was onder het puin bedolven en tussen de zwartgeblakerde ruïnes trof hij de verdwaasde slachtoffers aan. De vorst trad doortastend op. Hij zette de koninklijke garde onmiddellijk aan het werk om het puin te ruimen, coördineerde de reddingswerkzaamheden, gaf bakkers in Delft opdracht brood te bakken voor de slachtoffers, ontbood zijn hofchirurg in Leiden en liet Paleis Huis ten Bosch als hospitaal voor de gewonden inrichten. Pas de volgende dag keerde hij terug naar Den Haag. Ook had Lodewijk oog voor de toekomst: hij verbood het vervoer van buskruit door dichtbevolkte plaatsen, richtte een rampenfonds op waarin hij 30.000 gulden stortte en stelde de stad Leiden de komende tien jaren vrij van belasting. Het volk sloot de vorst meteen in de armen. Overal zong de naam Lodewijk de Goede rond, de Vader der Ongelukkigen. Hofdichter Willem Bilderdijk putte zich uit in lyrische loftuitingen, en een stortvloed aan etsen, gravures en schilderijen zag het licht, die zonder gêne de vorstelijke compassie verheerlijkten. Hij kweekte goodwill voor de monarchie. Overstromingen in 1809 waren opnieuw aanleiding voor optreden. Hele dorpen werden verzwolgen toen de grote rivieren als gevolg van ijsdammen buiten hun oevers traden, de Betuwe veranderde in een gigantische binnenzee. Zonder een spoor van angst hielp Lodewijk echter eigenhandig mee de dijken met zandzakken te versterken. Hij coördineerde de hulpacties en bezocht afgelegen dorpen in het gebied om de getroffenen een hart onder de riem te steken. Wederom gaf Lodewijk prentenmakers opdracht zijn goede daden te verbeelden – op de beroemdste gravure spreekt de vorst op een smalle dijk enkele ontredderde dorpsbewoners moed in, het water klotsend om zijn voeten. Het propagandaoffensief en zijn doortastende optreden hadden groot succes, want tijdens een reis door Noord-Holland vergaf de bevolking van Edam hem zijn Franse afkomst. Toen hij opmerkte te hopen dat de Hollanders eens zouden vergeten dat hij niet in hun land geboren was, zei een oude man: "Dat hebben we sinds Leiden al vergeten."
Schilder: Charles Howard Hodges. In Rijksmuseum Amsterdam. Foto: Vlaascho. Schilder: Carel Lodewijk Hansen. In Rijksmuseum Amsterdam. Auteur: Hermanus Jacobus Slothouwer (died before 1860)