© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
Gouden Eeuw - VOC - Rembrandt - Spinoza  
De Gouden Eeuw is een periode in de Nederlandse geschiedenis die goeddeels samenvalt met de zeventiende eeuw. De noordelijke Nederlanden, die samen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vormden, maakten een bloeiperiode door op gebied van handel, wetenschap en kunsten. Ook wat betreft haar politieke en militaire macht (vooral ter zee) nam de Republiek in de wereld een vooraanstaande positie in. De bloeitijd van de noordelijke Nederlanden was een belangrijke nieuwe fase in de ontwikkeling van de westerse beschaving. Sommigen houden als beginpunt van de Gouden Eeuw 1602 aan, het jaar waarin de VOC opgericht werd; anderen kiezen voor het jaar 1609, het beginjaar van het Twaalfjarig Bestand. Tot het einde van het bestand (1621) groeide de economie vrijwel ongehinderd. Tijdens de Dertigjarige Oorlog, die goeddeels samenviel met de tweede fase van de Tachtigjarige Oorlog, was in sommige sectoren sprake van stagnatie, in andere van groei. Na 1648 trok de economie weer aan; vooral voor de nijverheid waren dit zeer voorspoedige jaren. Na het rampjaar 1672 begon een periode van relatieve economische neergang en was de Gouden Eeuw over haar hoogtepunt heen. De economie heeft een erg belangrijke rol gespeeld in de opkomst van de Republiek in de zeventiende eeuw. In de Gouden Eeuw groeide de Republiek uit tot het centrum van de wereldhandel. Na zich in enkele decennia te hebben vrijgevochten van het Spaanse gezag ontwikkelde het land zich tot een internationale grootmacht. Zowel in Azië en Afrika als in Amerika beschikte de Republiek over een aantal zeer winstgevende koloniën. Maar het fundament van de rijkdom werd gelegd met de handel in Europa: de graanhandel op het Oostzeegebied of moedernegotie (moeder aller handel) . In de Europese- en wereldeconomie ging Amsterdam een zeer belangrijke rol spelen. De bloeiende handel leidde tot een grote en zeer rijke klasse van kooplieden. De nieuwe voorspoed leidde ook tot meer aandacht voor en sponsoring van beeldende kunsten, literatuur, wetenschappen en armenzorg. De moedernegotie was de handel met de landen rond de Oostzee die door kooplieden uit Amsterdam vanaf de Late Middeleeuwen werd gedreven. Deze handel vormde de voornaamste bron van de welvaart in Amsterdam, waardoor de stad zich kon ontwikkelen van een weinig belangrijke plaats tot het economische centrum van Holland en de stapelplaats van Europa. De lucratieve Oostzeehandel legde de basis voor de Gouden Eeuw van de Nederlandse republiek. Na de Spaanse overheersing heeft Nederland een nieuwe, republikeinse staatsvorm gekozen. De samenleving in Nederland werd veel minder door het feodalisme gekenmerkt dan in andere landen en hierdoor was de arbeidsmarkt veel vrijer. Een andere factor die ervoor zorgde dat de economie zo goed liep, was het feit dat er in de Republiek een uitgebreide markt bestond voor het lenen en uitlenen van geld. Hierdoor konden mensen, bedrijven of de staat, die graag investeringen of uitgaven wilden doen, gebruikmaken van het gespaarde geld van iemand anders. Deze financiële markt vergemakkelijkte dan ook het doen van investeringen in potentieel winstgevende bedrijven of staatsorganisaties (zoals de VOC). Fluitschip Een derde reden voor de economische voorspoed was de technologische voorsprong die de Republiek tijdens de Gouden Eeuw op veel andere landen had. Doordat de Republiek een relatief diverse, open en tolerante samenleving kende, was het gemakkelijker om ideeën en uitvindingen te ontwikkelen. Op bijna ieder terrein liep de Republiek voor op het buitenland. Een bekend voorbeeld van zo'n 'noviteit' is het fluitschip, dat de Nederlandse zeevaarders een groot voordeel gaf ten opzichte van veel andere zeevarende landen. Een Fluitschip of Fluit (Fluytschip, Fluyt) is een Hollands lang scheepstype met drie masten, een platte bodem, een brede buik, een smal dek en een ronde achtersteven dat werd gebouwd in de 17e en 18e eeuw. Het werd hoofdzakelijk gebruikt om vracht te vervoeren. Het fluitschip ontstond in Noord-Nederland aan het einde van de 16e eeuw uit experimenten met het verlengen van bestaande schepen. Kenmerkend waren een rond, versierd achterschip en een invallend bovenboord, dat het schip zijn peervorm gaf. Voor die vorm was een belangrijke economische reden: aan de Sont werd tol geheven. De Sont (Deens: Øresund, Zweeds: Öresund) is een van de drie zeestraten die het Kattegat (en daarmee de Noordzee) verbindt met de Oostzee, en scheidt het Deense eiland Seeland van het Zweedse Skåne. De doorgang is op zijn nauwst 4,5 kilometer. Het is een van de drukst bevaren waterwegen in de wereld. Alle buitenlandse schepen die de Sonttol passeerden moesten in Helsingør tol betalen aan de Deense kroon. Indien een schip weigerde te betalen, werd het vuur geopend vanuit Kasteel Kronborg, dat in 1420 speciaal voor dat doel was gebouwd. De hoogte van de Sonttol hing af van de breedte van het dek. Door het smalle dek boven het brede ruim kon een maximale lading tegen een minimale tol worden vervoerd. Deze manier om tol te berekenen bleef tot 1669 in gebruik. Schepen die daarna werden gebouwd kregen een breder dek. De fluit was bijzonder geschikt voor de handelsvaart in Europa door het beperkte aantal bemanningsleden dat nodig was om het te zeilen (ongeveer 12 tegen ongeveer 30 voor andere typen schepen van vergelijkbare afmetingen) en de geringe diepgang. Tevens was de fluit sneller en stabieler dan veel andere schepen, en had hij meer laadvermogen.  In de Gouden Eeuw bestond tot tachtig procent van de zeeschepen uit fluiten. Een laatste belangrijke oorzaak voor de economische voorspoed was de spilfunctie die Amsterdam kreeg in de wereldhandel. In Amsterdam begon er langzamerhand een stapelmarkt te ontstaan, waarbij bijna alle informatie, goederen en diensten op een relatief kleine plek aanwezig waren. Gedurende een groot deel van de zeventiende eeuw domineerden Nederlanders, traditioneel kundige zeevaarders en kaartenmakers, de wereldhandel, een positie die daarvoor in mindere mate was ingenomen door de Portugezen en de Spanjaarden. Nederland heeft deze dominante positie binnen de wereldhandel ongeveer anderhalve eeuw weten te handhaven. Op economisch gebied was er de omvang en doelmatigheid van scheepvaart en handel, en de hoge ontwikkeling van industrie en financiële instellingen. Bezoekers prezen de ordelijkheid en reinheid van de mooie steden, de verdraagzaamheid op godsdienstig en intellectueel gebied, de wees-, armen- en ziekenhuizen, de gevangenissen en de geringe criminaliteit. Opmerkelijk was in hun ogen de inperking van de macht van de kerken, het gezag dat een staat geregeerd door burgers uitoefende over het leger, de overvloed aan wetenschappelijke collecties, bibliotheken en uitgevers, en ook de prestaties op het gebied van kunst, wetenschap en filosofie. Cultuur Buitenlanders waren doorgaans geschokt door de veelheid aan kerken, de overmatige vrijheid die vrouwen, personeel en joden genoten, de burgerlijkheid en het ontbreken van hiërarchie. Het kostte buitenlandse bezoekers moeite om dienstmeisjes als zodanig aan hun kleding te herkennen. Edelen vonden het choquerend dat mensen van mindere stand het woord tot hen richtten. De Verenigde Provinciën werden veelal beschouwd als een broeinest van wanorde. De Republiek was de leidende technologische macht: trekschuit, straatverlichting, nieuwe sluizen, scheepsbouwmethoden, weefgetouwen, houtzaagmolens, andere windmolens trokken bezoekers zoals Tsaar Peter de Grote aan. Streven naar "vrijheid" was een motief voor de Opstand geweest. Nergens was er zo'n "vrije en veilige staat", schreef Romeyn de Hooghe, schilder en propagandist van Willem III in 1703. Dit neemt niet weg dat vooruitstrevende denkers als Hugo de Groot, Episcopius, Spinoza, Descartes en anderen op de grenzen van deze vrijheid stuitten. Toch roemden ze de relatief grote vrijheid. Descartes schreef dat er geen ander land was "où l'on puisse jouir d'une liberté si entière" (waar men een zo volledige vrijheid kan genieten). Hoewel cultuur ook in de Republiek in de eerste plaats een zaak was van de welgestelden, kon een relatief groot deel van de bevolking er deel aan nemen. Velen konden zich de aanschaf van een schilderij permitteren. Velen hadden een bijbel en psalmboeken in hun bezit. Daarnaast waren er allerlei vormen van goedkoop drukwerk, zoals pamfletten. De burgerij vormde de drijvende kracht achter de nieuwe culturele ontwikkelingen, en dan overwegend in de westelijke provincies: eerst en vooral in Holland, in mindere mate in Zeeland en Utrecht. Waren het in andere landen vooral rijke aristocraten die beschermheer van de kunsten werden, in de Lage Landen was hun bescheiden aantal er debet aan dat deze rol overgenomen werd door rijke kooplieden en andere patriciërs. Centra van cultureel-literaire activiteit werden gevormd door schutterij en rederijkerskamers. De primaire taak van de schutterijen was het verdedigen van een stad in tijden van nood en het uitvoeren van politietaken, maar daarnaast vormden zij een ontmoetingsplaats voor mensen uit de gegoede middenklasse, die er met trots een prominente positie bekleedden, en er een behoorlijk bedrag voor over hadden om dit voor het nageslacht vast te laten leggen. De rederijkers vormden verenigingen (kamers) in de steden, die tot doel hadden literaire activiteiten te organiseren, zoals dicht- en toneelkunst en debatten, vaak in de vorm van wedstrijden. De steden waren trots op hun rederijkerskamer en ondersteunden deze. Willem Jansz. Blaeu was een Nederlandse cartograaf en globemaker. Hij legde zich toe op het maken en verkopen van globes, in diameter variërend van 10 tot 68 cm en astronomische & nautische instrumenten. Informatie die van belang was voor het maken van de later uit te geven (zee)kaarten werd aangeleverd door zeelieden als Frederik Houtman en Pieter Keyser. Eenmaal in goeden doen -in 1605- verhuisde hij naar het Damrak in Amsterdam. Het was daar dat hij begon met het het zelf maken van landkaarten, één van de eerste (1604) was de kaart: Inferioris Germaniae Provinciarum Nova Descriptio. In 1605 bracht hij zijn eerste wereldkaart uit, Nova universi terrarum orbis mappa. 1631 was het jaar waarin de eerste atlas uitgegeven werd, met zo'n 60 kaarten en begeleidende teksten. In 1633 werd hij aangesteld als kaartenmaker van de VOC en als examinator van de VOC-stuurlieden. Onderwijs In vrijwel alle steden en grotere plaatsen in de Gouden Eeuw bestonden particuliere lagere scholen voor vijf- tot ongeveer tienjarigen en daarop was enige kwaliteitscontrole door de overheden in grotere steden. Hier leerden kinderen (tegen betaling) in ongeveer twee jaar lezen en rekenen, en eventueel na nog een jaar of twee schrijven. Uitgangspunt in de Republiek was dat ieder mens de Bijbel moest kunnen lezen. Daarnaast was het voor de handel uiteraard van wezenlijk belang dat men kon rekenen, schrijven, boekhouden en één of meerdere talen beheerste. Maar er was wel een verschil tussen stad en platteland. De bovengenoemde controle vond voornamelijk plaats in de steden. De school bestond doorgaans uit één lokaal. Kinderen met ongeveer dezelfde capaciteiten zaten bij elkaar aan één tafel. Er werd zelfstandig gewerkt en als het af was kregen ze nieuw werk van de schoolmeester. De kwaliteit was sterk afhankelijk van wat ouders konden betalen. In dorpen was de kwaliteit doorgaans minder. Er werd een beetje gerekend, wat gelezen en geschreven en de jongere kinderen kregen hulp van de oudere en natuurlijk was ook hier de nodige aandacht voor de godsdienst. De Universiteit van Leiden was in 1575 de eerste van de Noordelijke Nederlanden. Deze protestante staatsuniversiteit onderwees aanvankelijk alleen protestante theologie (de nieuwe Republiek had een sterke behoefte aan goed opgeleide geestelijken), welsprekendheid, oude geschiedenis, Latijn en Grieks en wiskunde. Omdat Leiden één van de eerste protestante universiteiten was, trok hij uit heel Noord-Europa (waar veel oorlogen heersten) protestante studenten. De Leidse Universiteit kende drie hoofdfaculteiten, Theologie, Rechten en Medicijnen. Daarnaast was er vooral onderricht in filosofie en kennis van de klassieke Romeinse en Griekse geschiedenis. Verder werd er onderricht gegeven in de zeven vrije kunsten (grammatica van Latijn en Grieks, dialectica, retorica, aritmetica, geometria, musica, astronomia). Deze vakken werden op vrijwel elke universiteit in die tijd gegeven. Nieuw in Leiden was echter de schermschool. Het schermen diende een nauwkeurig wiskundig patroon te volgen. Simon Stevin stelde het lesprogramma op voor de "Duytsche Mathematique" - een ingenieursschool met wiskunde en toegepaste natuurkunde in het Nederlands voor landmeetkunde en vestingbouw, het enige vak in de volkstaal. Net als de schermles hadden deze vakken vooral een militaire betekenis. Ze kwamen tegemoet aan prins Maurits' behoefte aan kennis van beschietingstechnieken en vestingbouw in verband met de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje. In de loop van de 17de eeuw volgde de oprichting van de protestantse universiteiten van Franeker (1585), Groningen (1614), Amsterdam (1632), Utrecht (1636) en Harderwijk (1648). Willem Bartjens (Amsterdam, 1569 - 1638) was een schoolmeester die bekend is geworden door zijn rekenboek "De Cijfferinghe van Mr. Willem Bartjens". In 1591 opende Bartjens een Franse school in de Amsterdamse Pijlsteeg, waar hij het gebruikelijke onderwijs gaf in rekenen, lezen, godsdienst, Frans en vaderlandse geschiedenis. In 1604 publiceerde hij zijn rekenboek. Gedurende twee eeuwen verscheen een groot aantal drukken, herdrukken en roofdrukken. De tweede, zogenaamd vernieuwde druk verscheen in 1633; de laatste druk in 1839. Van de eerste druk is uiteindelijk een exemplaar teruggevonden in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen. In 2004, precies vier eeuwen na de eerste publicatie, is dit exemplaar in facsimile heruitgebracht. Bartjens leefde lange tijd in Zwolle en woonde daar in de Praubstraat (Fraterhuis). Hij gaf les aan de Franse school in Zwolle. Als eerbetoon aan de schoolmeester is er in Zwolle jaarlijks een Groot Zwolsch Bartjens Rekendictee. Bartjens leeft in de Nederlandse taal nog altijd voort in de uitdrukking: "Volgens Bartjens...". Dit geeft aan dat een berekening of een zin kloppend of logisch is, verwijzend naar het door hem geschreven rekenboek.  
Voor- en achterzijde VOC duit, 1735. Auteur: SvdMolen Nederlandse fluitschepen, 1648.  Graveur: Wenceslaus Hollar. ... waar voor de eerste maal de Gijsbrecht van Aemstel werd opgevoerd op 3 januari 1638.  (c) Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Nova Totius Terrarum Orbis Geographica ac Hydrographiva Tabula Een nieuwe Geographie van geheel het Land der Wereld met Hydrografische Tafel" Willem Janszoon Blaue Amsterdam, circa 1640 In Koninklijke Bibliotheek Belgie Gemonteerde screenshots (c) met speciale toestemming “Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, Antwerpen, cat.nr . G 10429”. Voor hergebruik is hun toestemming nodig.

 Museum JoCas

Gouden Eeuw - VOC - Rembrandt - Spinoza  
De Gouden Eeuw is een periode in de Nederlandse geschiedenis die goeddeels samenvalt met de zeventiende eeuw. De noordelijke Nederlanden, die samen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vormden, maakten een bloeiperiode door op gebied van handel, wetenschap en kunsten. Ook wat betreft haar politieke en militaire macht (vooral ter zee) nam de Republiek in de wereld een vooraanstaande positie in. De bloeitijd van de noordelijke Nederlanden was een belangrijke nieuwe fase in de ontwikkeling van de westerse beschaving. Sommigen houden als beginpunt van de Gouden Eeuw 1602 aan, het jaar waarin de VOC opgericht werd; anderen kiezen voor het jaar 1609, het beginjaar van het Twaalfjarig Bestand. Tot het einde van het bestand (1621) groeide de economie vrijwel ongehinderd. Tijdens de Dertigjarige Oorlog, die goeddeels samenviel met de tweede fase van de Tachtigjarige Oorlog, was in sommige sectoren sprake van stagnatie, in andere van groei. Na 1648 trok de economie weer aan; vooral voor de nijverheid waren dit zeer voorspoedige jaren. Na het rampjaar 1672 begon een periode van relatieve economische neergang en was de Gouden Eeuw over haar hoogtepunt heen. De economie heeft een erg belangrijke rol gespeeld in de opkomst van de Republiek in de zeventiende eeuw. In de Gouden Eeuw groeide de Republiek uit tot het centrum van de wereldhandel. Na zich in enkele decennia te hebben vrijgevochten van het Spaanse gezag ontwikkelde het land zich tot een internationale grootmacht. Zowel in Azië en Afrika als in Amerika beschikte de Republiek over een aantal zeer winstgevende koloniën. Maar het fundament van de rijkdom werd gelegd met de handel in Europa: de graanhandel op het Oostzeegebied of moedernegotie (moeder aller handel) . In de Europese- en wereldeconomie ging Amsterdam een zeer belangrijke rol spelen. De bloeiende handel leidde tot een grote en zeer rijke klasse van kooplieden. De nieuwe voorspoed leidde ook tot meer aandacht voor en sponsoring van beeldende kunsten, literatuur, wetenschappen en armenzorg. De moedernegotie was de handel met de landen rond de Oostzee die door kooplieden uit Amsterdam vanaf de Late Middeleeuwen werd gedreven. Deze handel vormde de voornaamste bron van de welvaart in Amsterdam, waardoor de stad zich kon ontwikkelen van een weinig belangrijke plaats tot het economische centrum van Holland en de stapelplaats van Europa. De lucratieve Oostzeehandel legde de basis voor de Gouden Eeuw van de Nederlandse republiek. Na de Spaanse overheersing heeft Nederland een nieuwe, republikeinse staatsvorm gekozen. De samenleving in Nederland werd veel minder door het feodalisme gekenmerkt dan in andere landen en hierdoor was de arbeidsmarkt veel vrijer. Een andere factor die ervoor zorgde dat de economie zo goed liep, was het feit dat er in de Republiek een uitgebreide markt bestond voor het lenen en uitlenen van geld. Hierdoor konden mensen, bedrijven of de staat, die graag investeringen of uitgaven wilden doen, gebruikmaken van het gespaarde geld van iemand anders. Deze financiële markt vergemakkelijkte dan ook het doen van investeringen in potentieel winstgevende bedrijven of staatsorganisaties (zoals de VOC). Fluitschip Een derde reden voor de economische voorspoed was de technologische voorsprong die de Republiek tijdens de Gouden Eeuw op veel andere landen had. Doordat de Republiek een relatief diverse, open en tolerante samenleving kende, was het gemakkelijker om ideeën en uitvindingen te ontwikkelen. Op bijna ieder terrein liep de Republiek voor op het buitenland. Een bekend voorbeeld van zo'n 'noviteit' is het fluitschip, dat de Nederlandse zeevaarders een groot voordeel gaf ten opzichte van veel andere zeevarende landen. Een Fluitschip of Fluit (Fluytschip, Fluyt) is een Hollands lang scheepstype met drie masten, een platte bodem, een brede buik, een smal dek en een ronde achtersteven dat werd gebouwd in de 17e en 18e eeuw. Het werd hoofdzakelijk gebruikt om vracht te vervoeren. Het fluitschip ontstond in Noord-Nederland aan het einde van de 16e eeuw uit experimenten met het verlengen van bestaande schepen. Kenmerkend waren een rond, versierd achterschip en een invallend bovenboord, dat het schip zijn peervorm gaf. Voor die vorm was een belangrijke economische reden: aan de Sont werd tol geheven. De Sont (Deens: Øresund, Zweeds: Öresund) is een van de drie zeestraten die het Kattegat (en daarmee de Noordzee) verbindt met de Oostzee, en scheidt het Deense eiland Seeland van het Zweedse Skåne. De doorgang is op zijn nauwst 4,5 kilometer. Het is een van de drukst bevaren waterwegen in de wereld. Alle buitenlandse schepen die de Sonttol passeerden moesten in Helsingør tol betalen aan de Deense kroon. Indien een schip weigerde te betalen, werd het vuur geopend vanuit Kasteel Kronborg, dat in 1420 speciaal voor dat doel was gebouwd. De hoogte van de Sonttol hing af van de breedte van het dek. Door het smalle dek boven het brede ruim kon een maximale lading tegen een minimale tol worden vervoerd. Deze manier om tol te berekenen bleef tot 1669 in gebruik. Schepen die daarna werden gebouwd kregen een breder dek. De fluit was bijzonder geschikt voor de handelsvaart in Europa door het beperkte aantal bemanningsleden dat nodig was om het te zeilen (ongeveer 12 tegen ongeveer 30 voor andere typen schepen van vergelijkbare afmetingen) en de geringe diepgang. Tevens was de fluit sneller en stabieler dan veel andere schepen, en had hij meer laadvermogen.  In de Gouden Eeuw bestond tot tachtig procent van de zeeschepen uit fluiten. Een laatste belangrijke oorzaak voor de economische voorspoed was de spilfunctie die Amsterdam kreeg in de wereldhandel. In Amsterdam begon er langzamerhand een stapelmarkt te ontstaan, waarbij bijna alle informatie, goederen en diensten op een relatief kleine plek aanwezig waren. Gedurende een groot deel van de zeventiende eeuw domineerden Nederlanders, traditioneel kundige zeevaarders en kaartenmakers, de wereldhandel, een positie die daarvoor in mindere mate was ingenomen door de Portugezen en de Spanjaarden. Nederland heeft deze dominante positie binnen de wereldhandel ongeveer anderhalve eeuw weten te handhaven. Op economisch gebied was er de omvang en doelmatigheid van scheepvaart en handel, en de hoge ontwikkeling van industrie en financiële instellingen. Bezoekers prezen de ordelijkheid en reinheid van de mooie steden, de verdraagzaamheid op godsdienstig en intellectueel gebied, de wees-, armen- en ziekenhuizen, de gevangenissen en de geringe criminaliteit. Opmerkelijk was in hun ogen de inperking van de macht van de kerken, het gezag dat een staat geregeerd door burgers uitoefende over het leger, de overvloed aan wetenschappelijke collecties, bibliotheken en uitgevers, en ook de prestaties op het gebied van kunst, wetenschap en filosofie. Cultuur Buitenlanders waren doorgaans geschokt door de veelheid aan kerken, de overmatige vrijheid die vrouwen, personeel en joden genoten, de burgerlijkheid en het ontbreken van hiërarchie. Het kostte buitenlandse bezoekers moeite om dienstmeisjes als zodanig aan hun kleding te herkennen. Edelen vonden het choquerend dat mensen van mindere stand het woord tot hen richtten. De Verenigde Provinciën werden veelal beschouwd als een broeinest van wanorde. De Republiek was de leidende technologische macht: trekschuit, straatverlichting, nieuwe sluizen, scheepsbouwmethoden, weefgetouwen, houtzaagmolens, andere windmolens trokken bezoekers zoals Tsaar Peter de Grote aan. Streven naar "vrijheid" was een motief voor de Opstand geweest. Nergens was er zo'n "vrije en veilige staat", schreef Romeyn de Hooghe, schilder en propagandist van Willem III in 1703. Dit neemt niet weg dat vooruitstrevende denkers als Hugo de Groot, Episcopius, Spinoza, Descartes en anderen op de grenzen van deze vrijheid stuitten. Toch roemden ze de relatief grote vrijheid. Descartes schreef dat er geen ander land was "où l'on puisse jouir d'une liberté si entière" (waar men een zo volledige vrijheid kan genieten). Hoewel cultuur ook in de Republiek in de eerste plaats een zaak was van de welgestelden, kon een relatief groot deel van de bevolking er deel aan nemen. Velen konden zich de aanschaf van een schilderij permitteren. Velen hadden een bijbel en psalmboeken in hun bezit. Daarnaast waren er allerlei vormen van goedkoop drukwerk, zoals pamfletten. De burgerij vormde de drijvende kracht achter de nieuwe culturele ontwikkelingen, en dan overwegend in de westelijke provincies: eerst en vooral in Holland, in mindere mate in Zeeland en Utrecht. Waren het in andere landen vooral rijke aristocraten die beschermheer van de kunsten werden, in de Lage Landen was hun bescheiden aantal er debet aan dat deze rol overgenomen werd door rijke kooplieden en andere patriciërs. Centra van cultureel-literaire activiteit werden gevormd door schutterij en rederijkerskamers. De primaire taak van de schutterijen was het verdedigen van een stad in tijden van nood en het uitvoeren van politietaken, maar daarnaast vormden zij een ontmoetingsplaats voor mensen uit de gegoede middenklasse, die er met trots een prominente positie bekleedden, en er een behoorlijk bedrag voor over hadden om dit voor het nageslacht vast te laten leggen. De rederijkers vormden verenigingen (kamers) in de steden, die tot doel hadden literaire activiteiten te organiseren, zoals dicht- en toneelkunst en debatten, vaak in de vorm van wedstrijden. De steden waren trots op hun rederijkerskamer en ondersteunden deze. Willem Jansz. Blaeu was een Nederlandse cartograaf en globemaker. Hij legde zich toe op het maken en verkopen van globes, in diameter variërend van 10 tot 68 cm en astronomische & nautische instrumenten. Informatie die van belang was voor het maken van de later uit te geven (zee)kaarten werd aangeleverd door zeelieden als Frederik Houtman en Pieter Keyser. Eenmaal in goeden doen -in 1605- verhuisde hij naar het Damrak in Amsterdam. Het was daar dat hij begon met het het zelf maken van landkaarten, één van de eerste (1604) was de kaart: Inferioris Germaniae Provinciarum Nova Descriptio. In 1605 bracht hij zijn eerste wereldkaart uit, Nova universi terrarum orbis mappa. 1631 was het jaar waarin de eerste atlas  uitgegeven werd, met zo'n 60 kaarten en begeleidende teksten. In 1633 werd hij aangesteld als kaartenmaker van de VOC en als examinator van de VOC-stuurlieden. Onderwijs In vrijwel alle steden en grotere plaatsen in de Gouden Eeuw bestonden particuliere lagere scholen voor vijf- tot ongeveer tienjarigen en daarop was enige kwaliteitscontrole door de overheden in grotere steden. Hier leerden kinderen (tegen betaling) in ongeveer twee jaar lezen en rekenen, en eventueel na nog een jaar of twee schrijven. Uitgangspunt in de Republiek was dat ieder mens de Bijbel moest kunnen lezen. Daarnaast was het voor de handel uiteraard van wezenlijk belang dat men kon rekenen, schrijven, boekhouden en één of meerdere talen beheerste. Maar er was wel een verschil tussen stad en platteland. De bovengenoemde controle vond voornamelijk plaats in de steden. De school bestond doorgaans uit één lokaal. Kinderen met ongeveer dezelfde capaciteiten zaten bij elkaar aan één tafel. Er werd zelfstandig gewerkt en als het af was kregen ze nieuw werk van de schoolmeester. De kwaliteit was sterk afhankelijk van wat ouders konden betalen. In dorpen was de kwaliteit doorgaans minder. Er werd een beetje gerekend, wat gelezen en geschreven en de jongere kinderen kregen hulp van de oudere en natuurlijk was ook hier de nodige aandacht voor de godsdienst. De Universiteit van Leiden was in 1575 de eerste van de Noordelijke Nederlanden. Deze protestante staatsuniversiteit onderwees aanvankelijk alleen protestante theologie (de nieuwe Republiek had een sterke behoefte aan goed opgeleide geestelijken), welsprekendheid, oude geschiedenis, Latijn en Grieks en wiskunde. Omdat Leiden één van de eerste protestante universiteiten was, trok hij uit heel Noord-Europa (waar veel oorlogen heersten) protestante studenten. De Leidse Universiteit kende drie hoofdfaculteiten, Theologie, Rechten en Medicijnen. Daarnaast was er vooral onderricht in filosofie en kennis van de klassieke Romeinse en Griekse geschiedenis. Verder werd er onderricht gegeven in de zeven vrije kunsten (grammatica van Latijn en Grieks, dialectica, retorica, aritmetica, geometria, musica, astronomia). Deze vakken werden op vrijwel elke universiteit in die tijd gegeven. Nieuw in Leiden was echter de schermschool. Het schermen diende een nauwkeurig wiskundig patroon te volgen. Simon Stevin stelde het lesprogramma op voor de "Duytsche Mathematique" - een ingenieursschool met wiskunde en toegepaste natuurkunde in het Nederlands voor landmeetkunde en vestingbouw, het enige vak in de volkstaal. Net als de schermles hadden deze vakken vooral een militaire betekenis. Ze kwamen tegemoet aan prins Maurits' behoefte aan kennis van beschietingstechnieken en vestingbouw in verband met de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje. In de loop van de 17de eeuw volgde de oprichting van de protestantse universiteiten van Franeker (1585), Groningen (1614), Amsterdam (1632), Utrecht (1636) en Harderwijk (1648). Willem Bartjens (Amsterdam, 1569 - 1638) was een schoolmeester die bekend is geworden door zijn rekenboek "De Cijfferinghe van Mr. Willem Bartjens". In 1591 opende Bartjens een Franse school in de Amsterdamse Pijlsteeg, waar hij het gebruikelijke onderwijs gaf in rekenen, lezen, godsdienst, Frans en vaderlandse geschiedenis. In 1604 publiceerde hij zijn rekenboek. Gedurende twee eeuwen verscheen een groot aantal drukken, herdrukken en roofdrukken. De tweede, zogenaamd vernieuwde druk verscheen in 1633; de laatste druk in 1839. Van de eerste druk is uiteindelijk een exemplaar teruggevonden in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen. In 2004, precies vier eeuwen na de eerste publicatie, is dit exemplaar in facsimile heruitgebracht. Bartjens leefde lange tijd in Zwolle en woonde daar in de Praubstraat (Fraterhuis). Hij gaf les aan de Franse school in Zwolle. Als eerbetoon aan de schoolmeester is er in Zwolle jaarlijks een Groot Zwolsch Bartjens Rekendictee. Bartjens leeft in de Nederlandse taal nog altijd voort in de uitdrukking: "Volgens Bartjens...". Dit geeft aan dat een berekening of een zin kloppend of logisch is, verwijzend naar het door hem geschreven rekenboek.
Voor- en achterzijde VOC duit, 1735. Auteur: SvdMolen Nederlandse fluitschepen, 1648.  Graveur: Wenceslaus Hollar. ... waar voor de eerste maal de Gijsbrecht van Aemstel werd opgevoerd op 3 januari 1638.  (c) Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed In Koninklijke Bibliotheek Belgie Gemonteerde screenshots (c) met speciale toestemming “Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, Antwerpen, cat.nr . G 10429”. Voor hergebruik is hun toestemming nodig.

                          © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info