© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
De vier jaargetijden
Een jaargetijde of seizoen is een jaarlijks terugkerende periode van 3 maanden. Het tropisch jaar van de aarde is ingedeeld in 4 jaargetijden: lente, zomer, herfst en winter. In de tropen is het altijd zomer, of blijken de seizoenen op een heel andere wijze. In het oude Egypte onderscheidde men bijvoorbeeld maar drie seizoenen, en in Indonesië kent men de droge en natte moesson. De seizoenen ontstaan door de hellingshoek van de aardas ten opzichte van de as van haar baan rond de zon. In de astronomie begint een jaargetijde op het moment dat de zon op de keerkring of evenaar komt. Dat gebeurt op een nauwkeurig gedefinieerd tijdstip, bijvoorbeeld op 21 juni om 13 uur 43 (begin zomer). Het tijdstip verschilt van jaar tot jaar. In schrikkeljaren valt het begin van een seizoen veelal een dag eerder. In de meteorologie wordt met administratieve seizoenen gewerkt die men laat beginnen op de eerste dag van maart, juni, september en december. Men spreekt in dat geval van de meteorologische lente,- zomer,- herfst en -winter. LENTE De lente (of het voorjaar) volgt op de winter en wordt gevolgd door de zomer en begint op het noordelijk halfrond (met Nederland) op 20 maart en eindigt op 21 juni (let op niet in een schrikkeljaar). Op het zuidelijk halfrond begint de lente meestal op 22 september. Tijdens de lente worden in de noordelijker streken van het noordelijk halfrond de bomen veel groener en gaan veel planten bloeien; geleidelijk wordt het warmer en wordt de kans op vorst kleiner.Het woord lente is een oude afleiding van lang en heeft betrekking op het lengen (langer worden) van de dagen en korter worden van de nachten. Het begin en einde van de lente (20 of 21 maart - 20 of 21 juni) is bepaald op basis van een afspraak. Astronomisch gezien begint de lente als de dag en de nacht even lang zijn. Tijdens de lente worden de dagen steeds langer. De lente eindigt met de zomerzonnewende (rond 21 juni op het noordelijk halfrond en 21 december op het zuidelijk halfrond). Aanvangstijdstippen van de astronomische lente op het noordelijk halfrond: 2019 op 20 maart 22:58 en 2020 op 20 maart 05:45. Om praktische, maar ook klimatologische redenen begint de meteorologische lente op een vaste datum: op 1 maart op het noordelijk halfrond, en op 1 september op het zuidelijk halfrond. Deze duurt dan respectievelijk tot 1 juni en 1 december. Eén van de eerste internationale weerorganisaties de “Societas Meteorologica Palatina” onder leiding van de Duitse keurvorst, Karl Theodor besloot in 1780 om steeds drie opeenvolgende kalendermaanden als één seizoen te beschouwen. Sindsdien duurt de lente dan ook drie maanden. De dagen in de lente worden ten opzichte van de voorgaande winter langer, en het zonlicht wordt sterker. Dat heeft effect op mensen, omdat de hoeveelheid serotonine en dopamine hoger wordt. Dit zorgt voor een algemeen welbevinden en enige euforie, met name bij natuurvolken die veel buiten zijn. Alle planten, dus ook de landbouwgewassen, beginnen in de lente te groeien na de winterslaap. Ook dieren komen uit hun schuilplaatsen en beginnen met nestelen. Trekvogels migreren noordwaarts als reactie op de hogere temperaturen. Bij zoogdieren, zoals bijvoorbeeld schapen, worden de jongen vroeg in de lente geboren, zodat ze tegen het eind van de zomer met voldoende reserve het moeilijke winterseizoen ingaan. ZOMER De zomer is één van de vier jaargetijden (seizoenen). De zomer volgt op de lente en wordt gevolgd door de herfst. Het astronomisch bepaalde begin van de zomer is de zomerzonnewende (rond 21 juni op het noordelijk halfrond en rond 21 december op het zuidelijk halfrond). De zon gaat dan door het zomerpunt, de zon bereikt die dag de hoogste stand boven de horizon en de dag duurt het langst. De zomer eindigt met de herfst-equinox (rond 23 september op het noordelijk halfrond en 20 maart op het zuidelijk). Om praktische redenen begint de meteorologische zomer eerder: op 1 juni op het noordelijk halfrond, en op 1 december op het zuidelijk halfrond. Deze duurt dan tot 1 september respectievelijk 1 maart. De zomer kenmerkt zich op het noordelijk halfrond door relatief hoge temperaturen, langer daglicht en het zo nu en dan voorkomen van onweer. De zomer is ook het seizoen met de voor de meeste mensen langste vakantie van het jaar: de zomervakantie. Op het zuidelijk halfrond valt op hetzelfde moment een tegenovergesteld beeld waar te nemen. Aanvangstijdstippen van de astronomische zomer op het noordelijk halfrond: 2019 op 21 juni 17:54; 2020 op 20 juni 23:43. De aangegeven tijd is de Nederlandse zomertijd. HERFST  De herfst is één van de vier jaargetijden (seizoenen). De herfst volgt op de zomer en wordt gevolgd door de winter. De Germaanse wortel harbista werd in het Oudhoogduits herbist, in het Middelhoogduits herbest en in het Middelnederlands hervest. Ook het Engelse woord harvest ("oogst") is verwant met onze naam “Herfst” voor dit seizoen.  Het astronomisch bepaalde begin van de herfst is de herfstnachtevening en is tot nu toe nog nooit op 21 september gevallen, maar altijd rond 23 september op het noordelijk halfrond, en rond 20 maart op het zuidelijk halfrond. De zon gaat dan door het herfstpunt en de dag en de nacht zijn nagenoeg even lang. De herfst eindigt rond 22 december op het noordelijk halfrond, en rond 21 juni op het zuidelijk halfrond met de winterzonnewende. Aanvangstijdstippen astronomische herfst op het noordelijk halfrond: 2019 op 23 september 09:50; 2020 op 22 september 15:30. WINTER De winter is één van de vier jaargetijden (seizoenen). De winter volgt op de herfst en wordt gevolgd door de lente. De winter is een van de vier seizoenen in de gematigde en polaire streken. Het afwisselen van de winter met de andere seizoenen wordt veroorzaakt door de schuine stand van de aardas. In de winter staat op het noordelijk halfrond de aardas van de zon afgewend en in de zomer juist naar de zon toegericht. Op het zuidelijk halfrond is dit omgekeerd, zodat de winter zich daar juist afspeelt tijdens de zomer van het noordelijk halfrond. Het meest kenmerkend aan de winter is hierdoor behalve de in vergelijking met andere seizoenen lage temperaturen, de korte dagduur. De astronomische winter begint op het noordelijk halfrond rond 21 december. Deze dag valt ook samen met de kortste dag op het noordelijk halfrond. De astronomische winter eindigt meestal op 20 maart, soms op 21 maart, wanneer de zon 's middags aan de evenaar loodrecht aan de hemel staat (equinox). Hierna begint de lente. Op het zuidelijk halfrond begint de astronomische winter rond 21 juni, wanneer de zon 's middags aan de Kreeftskeerkring loodrecht aan de hemel staat. De naam is afgeleid van het sterrenbeeld Kreeft die rond midden juni begint op het zuidelijk halfrond en eindigt meestal op 23 september, soms op 22 september wanneer de zon 's middags aan de evenaar loodrecht aan de hemel staat. Aanvangstijdstippen van de astronomische winter op het noordelijk halfrond: 2019 op 22 december 05:19; 2020 op 21 december 11:02. De meteorologische winter begint op 1 december. Van de 15e tot en met de 18e eeuw - een periode die ook wel bekend staat als de Kleine IJstijd - kenden Nederland en veel andere delen van de wereld veel strenge winters, waardoor bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk het water van de Theems geregeld bevroor. De gemiddelde wintertemperatuur is sinds het begin van de 19e eeuw onafgebroken gestegen met ongeveer een graad per eeuw. In het tijdvak 1940-1970 was even sprake van een kleine afkoeling, maar sinds 1970 is zowel in Nederland als de meeste andere delen van de wereld het aantal zachte winters zeer snel toegenomen terwijl het aantal koude tot strenge winters is afgenomen.
Foto: Chris Paul from England Bron: CNP_3289 Foto: Codrington, Stephen. Planet Geography 3rd Edition (2005) Foto: Sodpzzz Foto: Вадим Анохин

                          © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

 Museum JoCas

De vier jaargetijden
Een jaargetijde of seizoen is een jaarlijks terugkerende periode van 3 maanden. Het tropisch jaar van de aarde is ingedeeld in 4 jaargetijden: lente, zomer, herfst en winter. In de tropen is het altijd zomer, of blijken de seizoenen op een heel andere wijze. In het oude Egypte onderscheidde men bijvoorbeeld maar drie seizoenen, en in Indonesië kent men de droge en natte moesson. De seizoenen ontstaan door de hellingshoek van de aardas ten opzichte van de as van haar baan rond de zon. In de astronomie begint een jaargetijde op het moment dat de zon op de keerkring of evenaar komt. Dat gebeurt op een nauwkeurig gedefinieerd tijdstip, bijvoorbeeld op 21 juni om 13 uur 43 (begin zomer). Het tijdstip verschilt van jaar tot jaar. In schrikkeljaren valt het begin van een seizoen veelal een dag eerder. In de meteorologie wordt met administratieve seizoenen gewerkt die men laat beginnen op de eerste dag van maart, juni, september en december. Men spreekt in dat geval van de meteorologische lente,- zomer,- herfst en - winter. LENTE De lente (of het voorjaar) volgt op de winter en wordt gevolgd door de zomer en begint op het noordelijk halfrond (met Nederland) op 20 maart en eindigt op 21 juni (let op niet in een schrikkeljaar). Op het zuidelijk halfrond begint de lente meestal op 22 september. Tijdens de lente worden in de noordelijker streken van het noordelijk halfrond de bomen veel groener en gaan veel planten bloeien; geleidelijk wordt het warmer en wordt de kans op vorst kleiner.Het woord lente is een oude afleiding van lang en heeft betrekking op het lengen (langer worden) van de dagen en korter worden van de nachten. Het begin en einde van de lente (20 of 21 maart - 20 of 21 juni) is bepaald op basis van een afspraak. Astronomisch gezien begint de lente als de dag en de nacht even lang zijn. Tijdens de lente worden de dagen steeds langer. De lente eindigt met de zomerzonnewende (rond 21 juni op het noordelijk halfrond en 21 december op het zuidelijk halfrond). Aanvangstijdstippen van de astronomische lente op het noordelijk halfrond: 2019 op 20 maart 22:58 en 2020 op 20 maart 05:45. Om praktische, maar ook klimatologische redenen begint de meteorologische lente op een vaste datum: op 1 maart op het noordelijk halfrond, en op 1 september op het zuidelijk halfrond. Deze duurt dan respectievelijk tot 1 juni en 1 december. Eén van de eerste internationale weerorganisaties de “Societas Meteorologica Palatina” onder leiding van de Duitse keurvorst, Karl Theodor besloot in 1780 om steeds drie opeenvolgende kalendermaanden als één seizoen te beschouwen. Sindsdien duurt de lente dan ook drie maanden. De dagen in de lente worden ten opzichte van de voorgaande winter langer, en het zonlicht wordt sterker. Dat heeft effect op mensen, omdat de hoeveelheid serotonine en dopamine hoger wordt. Dit zorgt voor een algemeen welbevinden en enige euforie, met name bij natuurvolken die veel buiten zijn. Alle planten, dus ook de landbouwgewassen, beginnen in de lente te groeien na de winterslaap. Ook dieren komen uit hun schuilplaatsen en beginnen met nestelen. Trekvogels migreren noordwaarts als reactie op de hogere temperaturen. Bij zoogdieren, zoals bijvoorbeeld schapen, worden de jongen vroeg in de lente geboren, zodat ze tegen het eind van de zomer met voldoende reserve het moeilijke winterseizoen ingaan. ZOMER De zomer is één van de vier jaargetijden (seizoenen). De zomer volgt op de lente en wordt gevolgd door de herfst. Het astronomisch bepaalde begin van de zomer is de zomerzonnewende (rond 21 juni op het noordelijk halfrond en rond 21 december op het zuidelijk halfrond). De zon gaat dan door het zomerpunt, de zon bereikt die dag de hoogste stand boven de horizon en de dag duurt het langst. De zomer eindigt met de herfst-equinox (rond 23 september op het noordelijk halfrond en 20 maart op het zuidelijk). Om praktische redenen begint de meteorologische zomer eerder: op 1 juni op het noordelijk halfrond, en op 1 december op het zuidelijk halfrond. Deze duurt dan tot 1 september respectievelijk 1 maart. De zomer kenmerkt zich op het noordelijk halfrond door relatief hoge temperaturen, langer daglicht en het zo nu en dan voorkomen van onweer. De zomer is ook het seizoen met de voor de meeste mensen langste vakantie van het jaar: de zomervakantie. Op het zuidelijk halfrond valt op hetzelfde moment een tegenovergesteld beeld waar te nemen. Aanvangstijdstippen van de astronomische zomer op het noordelijk halfrond: 2019 op 21 juni 17:54; 2020 op 20 juni 23:43. De aangegeven tijd is de Nederlandse zomertijd. HERFST  De herfst is één van de vier jaargetijden (seizoenen). De herfst volgt op de zomer en wordt gevolgd door de winter. De Germaanse wortel harbista werd in het Oudhoogduits herbist, in het Middelhoogduits herbest en in het Middelnederlands hervest. Ook het Engelse woord harvest ("oogst") is verwant met onze naam “Herfst” voor dit seizoen.  Het astronomisch bepaalde begin van de herfst is de herfstnachtevening en is tot nu toe nog nooit op 21 september gevallen, maar altijd rond 23 september op het noordelijk halfrond, en rond 20 maart op het zuidelijk halfrond. De zon gaat dan door het herfstpunt en de dag en de nacht zijn nagenoeg even lang. De herfst eindigt rond 22 december op het noordelijk halfrond, en rond 21 juni op het zuidelijk halfrond met de winterzonnewende. Aanvangstijdstippen astronomische herfst op het noordelijk halfrond: 2019 op 23 september 09:50; 2020 op 22 september 15:30. WINTER De winter is één van de vier jaargetijden (seizoenen). De winter volgt op de herfst en wordt gevolgd door de lente. De winter is een van de vier seizoenen in de gematigde en polaire streken. Het afwisselen van de winter met de andere seizoenen wordt veroorzaakt door de schuine stand van de aardas. In de winter staat op het noordelijk halfrond de aardas van de zon afgewend en in de zomer juist naar de zon toegericht. Op het zuidelijk halfrond is dit omgekeerd, zodat de winter zich daar juist afspeelt tijdens de zomer van het noordelijk halfrond. Het meest kenmerkend aan de winter is hierdoor behalve de in vergelijking met andere seizoenen lage temperaturen, de korte dagduur. De astronomische winter begint op het noordelijk halfrond rond 21 december. Deze dag valt ook samen met de kortste dag op het noordelijk halfrond. De astronomische winter eindigt meestal op 20 maart, soms op 21 maart, wanneer de zon 's middags aan de evenaar loodrecht aan de hemel staat (equinox). Hierna begint de lente. Op het zuidelijk halfrond begint de astronomische winter rond 21 juni, wanneer de zon 's middags aan de Kreeftskeerkring loodrecht aan de hemel staat. De naam is afgeleid van het sterrenbeeld Kreeft die rond midden juni begint op het zuidelijk halfrond en eindigt meestal op 23 september, soms op 22 september wanneer de zon 's middags aan de evenaar loodrecht aan de hemel staat. Aanvangstijdstippen van de astronomische winter op het noordelijk halfrond: 2019 op 22 december 05:19; 2020 op 21 december 11:02. De meteorologische winter begint op 1 december. Van de 15e tot en met de 18e eeuw - een periode die ook wel bekend staat als de Kleine IJstijd - kenden Nederland en veel andere delen van de wereld veel strenge winters, waardoor bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk het water van de Theems geregeld bevroor. De gemiddelde wintertemperatuur is sinds het begin van de 19e eeuw onafgebroken gestegen met ongeveer een graad per eeuw. In het tijdvak 1940-1970 was even sprake van een kleine afkoeling, maar sinds 1970 is zowel in Nederland als de meeste andere delen van de wereld het aantal zachte winters zeer snel toegenomen terwijl het aantal koude tot strenge winters is afgenomen.
Foto: Chris Paul from England Bron: CNP_3289 Foto: Codrington, Stephen. Planet Geography 3rd Edition (2005) Foto: Sodpzzz Foto: Вадим Анохин