© Museum JoCas                                                  © Teksten: Wikipedia en Cor Bastinck, zie tabblad “Info-Contact”     © Foto’s algemeen: zie tabblad “Info-Contact” en indien afwijkend de tekst bij de foto

 
de Hanze - de Kogge
Een hanze of hanza ('groep, schare of gevolg' als van het Oudhoogduits hansa) was een samenwerkingsverband van handelaren en steden tijdens de middeleeuwen. Door samenwerking probeerden ze hun handel te beschermen en uit te breiden. Vanaf het midden van de twaalfde eeuw ontstonden rond de Noord- en Oostzee samenwerkingsverbanden van Duitse kooplieden, parallel aan het systeem van de Italiaanse handelsnederzettingen, maar veel bescheidener van omvang. Het Zweedse eiland Gotland was aanvankelijk het centrum waar handel met lokale handelaren werd gedreven door kooplieden uit Denemarken, Lübeck en later Westfalen. Van Gotland uit werd ook handel gedreven met Engeland, Vlaanderen en Novgorod, dat al in 1190 een Duitse vestiging had. Ter bescherming werden er aanvankelijk kleine en later steeds grotere samenwerkingsverbanden gevormd, waarvan sommige gilde werden genoemd en andere Hanze, zoals de Vlaamse Hanze van Londen en de Hanze der XVII steden voor de handel op de jaarmarkten van de Champagne. Van oorsprong bestond de Hanze voornamelijk uit Duitse steden rond de Oostzee. Later traden ook Nederlandse steden toe. Het verbond bestond uit steden in het huidige België, Nederland, Duitsland, Polen, Noorwegen, Zweden en de Baltische staten, met tijdens de hoogtijdagen uitlopers naar Engeland in het westen en Finland en Rusland naar het oosten. Hanzesteden in Nederland Dit is een regionaal gestructureerde lijst naar Dollinger van steden alwaar kooplieden tussen de 14e en 16e eeuw Hanzevoorrecht werd verleend (een deel slechts kort) in Nederland: Groningen, Nijmegen, Roermond, Tiel, Venlo, Zaltbommel, Arnhem, Bolsward, Deventer, Doesburg, Elburg, Harlingen, Harderwijk, Hasselt, Overijssel, Hattem, Hindeloopen, Kampen, Oldenzaal, Ommen, Rijssen, Stavoren, Zutphen, Zwolle. Over het hele wereldhanzegebied, werd door ongeveer 70 van de circa 200 daarin genoemde steden een actief Hanzebeleid bedreven. De meerderheid van de Hanzesteden liet zich (zoals in de Hanzedagen) door een grotere naburige stad vertegenwoordigen. Tussen de 14e en 16e eeuw, niet alle steden traden op hetzelfde moment toe. De Duitse Hanze is echter veruit de belangrijkste en bekendste, en wordt vaak kortweg de Hanze genoemd. Deze vormde zich om van koopliedenassociatie tot stedenverbond, en bestond op het hoogtepunt uit ca. 200 steden, van Londen tot Novgorod. Ongeveer 70 steden namen volledig deel terwijl de overigen associatieverdragen sloten. De Hanze probeerde door uitschakeling van concurrenten en onderdrukking van opkomende handelscentra een monopoliepositie te verwerven in het handelsverkeer: opkopen in productiegebieden, vervoeren, en verkopen in afzetgebieden van met name metalen, granen, hout, huiden, wol, wijn, zout en kruiden. Daarnaast verwierf zij het recht van stapel in de havens waar deze producten voor verscheping en ontscheping werden verzameld en opgeslagen. Het monopoliestreven leidde tot conflicten met Vlaamse, Engelse en Schotse handelaren. De Hanzesteden dreven handel in het gebied van de Oostzee en de Noordzee. Het hoofddoel van de samenwerking was om een handelsmonopolie in Scandinavië te veroveren en handelsprivileges in de rest van Europa te verwerven. Door gezamenlijk te reizen en te handelen konden de gemeenschappelijke belangen beter worden verdedigd. Bovendien was het veiliger. De grote Hanzesteden, Gemeene of Principaalsteden genoemd, zochten voor de handel contact met kleinere dorpen en steden in hun achterland. Deze plaatsen waren de Bijsteden. In het huidige Nederland waren het vooral steden in het noorden en oosten die tot de Hanze toetraden. Deze stonden onder het landsheerlijk gezag van leenmannen van de Duitse keizer; de bisschop van Utrecht (Sticht en Oversticht) en de hertog van Gelre. De Overstichtse steden Kampen, Zwolle, Hasselt, Groningen, Deventer, en de Gelderse steden Zutphen, Tiel, Harderwijk en Nijmegen waren de belangrijkste ervan. Uit geschreven bronnen afkomstig van de Hanzedagen blijkt dat er ook andere steden uit Gelre tijdelijk tot de Hanze hebben behoord, zoals Doesburg, Arnhem en Hattem. Ook veel Friese steden traden tot de Hanze toe. Er traden slechts enkele Hollandse (Amsterdam) en Zeeuwse (Zierikzee) steden tot de Hanze toe. Al deze steden vielen onder het Westerkwartier van de Hanze, daarvan was Keulen de hoofdstad. Lübeck werd een basis voor handelaars uit Saksen en Westfalen, die zich oost- en noordwaarts verspreidden. Ruim voordat het woord Hanze in een document uit 1267 werd genoemd, werden er al gilden (of Hansa) gevormd, met handel met overzeese steden als doel, voornamelijk in de steden in het minder ontwikkelde oostelijke Oostzeegebied waar hout, was, barnsteen, hars, huiden en zelfs rogge en meel uit het achterland naar de havens werd getransporteerd. Deze steden zorgden voor hun eigen beveiliging in vorm van troepen die op de handelsschepen meevoeren. De verschillende hanzesteden kwamen elkaar te hulp met deze troepen. In de Oostzee was de hoofdstad van Gotland, Visby, de spin in het web, nog vóór de Hanze. De Duitsers voeren ruim honderd jaar onder de Gotlandse vlag naar Novgorod, waar de handelaren uit Visby een handelspost hadden gesticht, de Gotenhof. Omdat het aantal handelaren toenam, stichtten de Gotlanders een eigen handelspost voor de Duitse handelaren, de Peterhof, die later een van de hanzekantoren werd. Voor de oprichting van de Hanze in 1356, kwam het woord Hanze niet voor in het Oostzeegebied. De Gotlanders gebruikten het woord varjag. De Hanzegenootschappen lobbyden voor het verminderen van handelsbelemmeringen voor hun leden. Zo wisten de handelaren van de Hanzestad Keulen koning Hendrik II van Engeland over te halen om geen tol te heffen voor Londen. Zo verkregen ze vrije handel in Engeland. De "Koningin van de Hanze", Lübeck, waar handelaren goederen tussen de Noord- en Oostzee transporteerden, werd in 1227 een vrije rijksstad. In 1241 vormde Lübeck, de stad die toegang had tot de viswateren in de Noord- en Oostzee, een alliantie met Hamburg, dat de zoutroutes uit Lüneburg beheerde. Deze geallieerde steden verkregen de macht over de vishandel, voornamelijk op de vismarkt van Skåne. Keulen voegde zich bij hen na de algemene vergadering in 1260. Hendrik III van Engeland gaf de Hanze van Lübeck en Hamburg toestemming om in Engeland handel te drijven. Nadat Keulen zich in 1282 ook hierbij had gevoegd, ontstond de machtige Hanzekolonie in Londen. De grootste impuls voor deze samenwerking kwam door het zwakke centrale gezag van de Duitse vorsten, die faalden in het beschermen van de handel. In de daaropvolgende 50 jaar ontstond de Hanze door formele overeenstemmingen van verbonden en samenwerking, die de westelijke en oostelijke handelsroutes omvatten. Lübeck bleef de hoeksteen en bij de eerste algemene vergadering van de Hanze, kreeg de Hanze haar officiële structuur en was de oprichting een feit. De Hanze werd nooit een strak georganiseerd samenwerkingsverband. Vertegenwoordigers van de verschillende Hanzesteden spraken vanaf 1356 onregelmatig in Lübeck af voor een algemene vergadering, de Hanzedag. Nieuwe hanzekantoren werden gesticht in Brugge (Vlaanderen), Bergen (Noorwegen) en Londen (Engeland). Deze handelsposten groeiden uit tot belangrijke enclaves. Het Londense kantoor, gesticht in 1320, was ten westen van de London Bridge gevestigd, nabij Upper Thames Street (op dit perceel staat nu Station Cannon Street). Na verloop van tijd groeide het kantoor uit tot een ommuurde gemeenschap met eigen pakhuis, waag, kerk, kantoren en huizen, wat de schaal van de activiteiten goed weergeeft. De eerste referentie naar het gebied als Stalhof stamt uit 1422. Naast de hanzekantoren waren er ook individuele Hanzehavens die elk hun eigen afgevaardigde handelaar en pakhuis hadden. Voorbeelden hiervan in Engeland zijn Boston, Bristol en Bishop's Lynn (nu King's Lynn), waar het enige overgebleven Hanzepakhuis van Engeland te vinden is. Hanzevlaggen Onder Hanzevlaggen verstaat men de banieren van de Hanzesteden, die sinds de 13e eeuw aan de Koggen en andere schepen van de Hanze werden aangebracht. Een voorbeeld hiervan is te zien op een zegel uit Elbing (Duitsland) uit 1350. In eerste instantie gebruikte de Hanze egaalrode gonfalones voor haar schepen, die aan een mast met een kruis op de top werden bevestigd als teken voor de bescherming van de koning. Rood was ook de kleur van de Deense schepen; de Engelsen (die later het Sint-Joriskruis invoerden) gebruikten waarschijnlijk wit. Sinds de tweede helft van de 13e eeuw gingen de Hanzesteden ter onderscheiding onderling verschillende (meestal wit-rode) banieren gebruiken. De banieren werden meestal in verschillende vlakken verdeeld en er werden eenvoudige symbolen (zoals kruizen) op geplaatst. De rode gonfalon aan de mast bleef bestaan. Als de oudste Hanzevlaggen geldt de egaalrode van Hamburg. Andere steden die eigen Hanzevlaggen hadden, waren onder meer Riga, Lübeck (13e eeuw), Stralsund, Elbing, Gdańsk (Danzig), Bremen, Rostock (14e eeuw), Koningsbergen, Wismar en Stettin (15e eeuw). Op deze banieren zijn veel huidige stadwapens en -vlaggen gebaseerd. Daarbij wordt ook rood met blauw en wit met geel gebruikt. Er was ook een wimpel voor aan de scheepsmast, de zogeheten "Hanzewimpel". De bovenste helft hiervan was wit (zilver), de onderste rood. Hanzekantoren Een hanzekantoor (Duits: Hansekontor of kortweg Kontor, van het Franse comptoir, "handelspost") was in de middeleeuwen een vestiging van Hanzekooplieden in het buitenland. In het Duits werd het begrip Kontor voor het eerst in de 16e eeuw gebruikt. Daarvoor werd van Haus of Hof gesproken. Zo heette het hanzekantoor van Novgorod Peterhof. De naam kontor werd tot in de 19e en de 20e eeuw zeer vaak voor kantoren van kooplieden gebruikt. Het hedendaagse Duitse woord voor kantoor is Büro, maar met name in oude Hanzesteden zijn er nog traditionele bedrijven die het woord Kontor gebruiken. Hanzekantoren bouwden een (kooplieden-)stad in de stad en hadden vanaf het begin een eigen rechtspraak. Zo kozen de kooplieden van een hanzekantoor zogenaamde Ältermänner (ook comes hansae, Oldermann of Aldermann), die het toezicht over de kooplieden van het kantoor hadden. Later werden de statuten en reglementen van de hanzekantoren vooral centraal in Lübeck geregeld. Naast talloze andere handelsposten (de zo genoemde factorijen) had de Hanze vier hanzekantoren. Dit waren: het Hanzekantoor van Brugge (later verplaatst naar Antwerpen) Tyskebrygge in Bergen Peterhof in Novgorod Stalhof in Londen Tyskebrygge is het enige bewaard gebleven hanzekantoor. De Novgoroder Schra is de enige volledig bewaarde verzameling bepalingen over de interne reglementen van de vier hanzekantoren. Betaalmiddel Door de evolutie van de economie, mede door de Hanze, kwam er vraag naar een beter, veiliger en gestandaardiseerd betaalmiddel. Nadat in de 12e eeuw de goudhandel met de Arabische wereld op gang was gekomen, begonnen Italiaanse handelaars goudstukken te slaan. Met deze goudstukken waren grotere transacties mogelijk, met name omdat het vertrouwen in de waarde van het zilvergeld onder druk stond. Bij het gewone volk bleven de kleine zilverstukken populair; de muntheren voegden daarom steeds meer andere metalen aan het zilver toe waardoor ze meer muntstukken konden slaan, maar ook de waarde onduidelijk werd en afnam. Soms werd er dermate veel 'exotisch' metaal toegevoegd dat de munt zwart werd (daar zou de uitdrukking zwart geld vandaan komen). Doordat er nu veel verschillende soorten, maten en waardes van de verschillende muntstukken door elkaar circuleerden ontstonden er grote boekhoudkundige problemen voor de Hanzesteden. Als oplossing werd een soort wisselkoers bedacht, waarbij de waarde van het aangeboden geld werd gerelateerd aan een 'rekenmunt'. Een andere oplossing was het opstellen van een notariële overeenkomst die een combinatie van een lening en een wissel was. Deze wisselbrieven waren overdraagbaar wat betekende dat ze een ideaal betaalmiddel waren voor de internationale handel. De wisselbrieven zorgden voor de oprichting van banken en waren de voorlopers van de huidige cheque en het papiergeld. Dit gestandaardiseerde betaalmiddel werd echter weinig gebruikt. In de vijftiende eeuw ontstond er een tekort aan edelmetalen. Deze belemmeringen van de handel droegen mede bij aan de ondergang van de Hanze. Trots op verleden Hanze Ondanks de ondergang zijn er nog steeds steden die trots zijn op hun verbintenis met de Hanze. De Nederlandse steden Zwolle, Kampen, Deventer, Zutphen, Harderwijk, Oldenzaal, Groningen en de Duitse steden Bremen, Demmin, Greifswald, Hamburg, Rostock, Lübeck, Lüneburg , Stralsund en Wismar noemen zichzelf nog steeds "Hanzestad". Lübeck, Hamburg en Bremen staan zelfs nog steeds officieel te boek als "vrije en Hanzesteden". Rostocks voetbalvereniging heet dan ook F.C. Hansa Rostock. Voor Lübeck bleek deze connectie met de Hanze zelfs in de twintigste eeuw nog belangrijk. In 1937 namen de nazi's de stad Lübeck het Hanzeprivilege af toen de senaat van Lübeck weigerde Adolf Hitler toestemming te geven in hun stad te spreken tijdens zijn verkiezingscampagne. Hij verplaatste zijn speech naar Bad Schwartau, een klein dorp bij Lübeck. Tijdens zijn speech refereerde hij aan Lübeck als "een klein dorp vlak bij Bad Schwartau". Schepen van de Hanze - de Kogge Omdat een groot deel van de handel over zee werd getransporteerd waren er verschillende schepen in dienst van de Hanzesteden. Speciaal voor het vervoer van goederen is hiervoor onder andere een nieuw scheepstype ontworpen, de kogge. Een kogge heeft een groot laadruim van ca. 200 ton en is gebaseerd op een knarr. Wanneer een schip vis naar Frankrijk had gebracht, nam het zout mee terug om op de thuisbasis weer vis mee te kunnen pekelen, zo ging er geen laadruimte verloren. Om de handel te beschermen waren er ook enkele oorlogsschepen in dienst. Adler von Lübeck Zoals de naam al doet vermoeden was dit zestiende-eeuwse oorlogsschip in dienst van de Hanzestad Lübeck. Het was destijds het grootste schip ter wereld met zijn lengte van 78,30 meter en waterverplaatsing van ca. 2000 ton. Het schip werd ook wel Der Große Adler of Lübscher Adler genoemd. Het schip werd gebouwd tijdens de Zevenjarige Oorlog om de handel van de Hanze op de Noord- en Oostzee te beschermen. Het schip is nooit in actie gekomen omdat de vredesonderhandelingen tussen Lübeck en Zweden al in volle gang waren toen het schip werd voltooid. Na het Verdrag van Stettin (Szczecin) (1570), die de Zevenjarige Oorlog beëindigde, is de Adler omgebouwd voor het vervoer van goederen. In 1588 is het schip uiteindelijk ontmanteld. Peter von Danzig De Peter von Danzig, ook wel Dat grote Kraweel genoemd, was de eerste grote karveel in de Oostzee ten tijde van de Hanze. Het schip werd aan de Franse westkust gebouwd als Pierre de la Rochelle en vervoerde zeezout van de Atlantische Oceaan naar Danzig alwaar het in 1462 door een storm ernstig beschadigd arriveerde. Daardoor lag het schip een tijd lang in de haven om uiteindelijk, vanwege de oorlog tegen Engeland, omgebouwd te worden tot oorlogsschip. Onder leiding van kapitein Paul Beneke maakte het schip, met een kaperbrief, tussen 1471 en 1473 jacht op Engelse koopvaarders. Na de Vrede van Utrecht (1474) werd het nog gebruikt voor enkele handelsreizen om uiteindelijk aan het eind van het decennium ontmanteld te worden. Bunte Kuh De Bunte Kuh was een vermoedelijk in Vlaanderen gebouwde kogge. Het schip, in 1401 het grootste schip van de Hanze, leidde de klopjacht op zeerover Klaus Störtebeker. Met succes, Störtebeker werd in datzelfde jaar in Hamburg onthoofd.
Lübeckse gulden uit 1341. Foto:  Saharadesertfox Reconstructie Kampener Kogge, hier te zien in de Bremerhaven, Duitsland, 2008.  Foto: Garitzko Een Lüneburgse Wendentaler uit 1541. Bookscan by Herrick.
Nederlandstalige kaart van de verschillende grote en kleine Hanzesteden en de handelsroutes (15 van de 24).  Auteur: Doc Brown eigen werk (own work) + Base map from: File:Europein1328.png by Afterword.

                          © Museum JoCas tekst, -en Wikipedia zie tab Info 

Een hanze of hanza ('groep, schare of gevolg' als van het Oudhoogduits hansa) was een samenwerkingsverband van handelaren en steden tijdens de middeleeuwen. Door samenwerking probeerden ze hun handel te beschermen en uit te breiden. Vanaf het midden van de twaalfde eeuw ontstonden rond de Noord- en Oostzee samenwerkingsverbanden van Duitse kooplieden, parallel aan het systeem van de Italiaanse handelsnederzettingen, maar veel bescheidener van omvang. Het Zweedse eiland Gotland was aanvankelijk het centrum waar handel met lokale handelaren werd gedreven door kooplieden uit Denemarken, Lübeck en later Westfalen. Van Gotland uit werd ook handel gedreven met Engeland, Vlaanderen en Novgorod, dat al in 1190 een Duitse vestiging had. Ter bescherming werden er aanvankelijk kleine en later steeds grotere samenwerkingsverbanden gevormd, waarvan sommige gilde werden genoemd en andere Hanze, zoals de Vlaamse Hanze van Londen en de Hanze der XVII steden voor de handel op de jaarmarkten van de Champagne. Van oorsprong bestond de Hanze voornamelijk uit Duitse steden rond de Oostzee. Later traden ook Nederlandse steden toe. Het verbond bestond uit steden in het huidige België, Nederland, Duitsland, Polen, Noorwegen, Zweden en de Baltische staten, met tijdens de hoogtijdagen uitlopers naar Engeland in het westen en Finland en Rusland naar het oosten. Hanzesteden in Nederland Dit is een regionaal gestructureerde lijst naar Dollinger van steden alwaar kooplieden tussen de 14e en 16e eeuw Hanzevoorrecht werd verleend (een deel slechts kort) in Nederland: Groningen, Nijmegen, Roermond, Tiel, Venlo, Zaltbommel, Arnhem, Bolsward, Deventer, Doesburg, Elburg, Harlingen, Harderwijk, Hasselt, Overijssel, Hattem, Hindeloopen, Kampen, Oldenzaal, Ommen, Rijssen, Stavoren, Zutphen, Zwolle. Over het hele wereldhanzegebied, werd door ongeveer 70 van de circa 200 daarin genoemde steden een actief Hanzebeleid bedreven. De meerderheid van de Hanzesteden liet zich (zoals in de Hanzedagen) door een grotere naburige stad vertegenwoordigen. Tussen de 14e en 16e eeuw, niet alle steden traden op hetzelfde moment toe. De Duitse Hanze is echter veruit de belangrijkste en bekendste, en wordt vaak kortweg de Hanze  genoemd. Deze vormde zich om van koopliedenassociatie tot stedenverbond, en bestond op het hoogtepunt uit ca. 200 steden, van Londen tot Novgorod. Ongeveer 70 steden namen volledig deel terwijl de overigen associatieverdragen sloten. De Hanze probeerde door uitschakeling van concurrenten en onderdrukking van opkomende handelscentra een monopoliepositie te verwerven in het handelsverkeer: opkopen in productiegebieden, vervoeren, en verkopen in afzetgebieden van met name metalen, granen, hout, huiden, wol, wijn, zout en kruiden. Daarnaast verwierf zij het recht van stapel in de havens waar deze producten voor verscheping en ontscheping werden verzameld en opgeslagen. Het monopoliestreven leidde tot conflicten met Vlaamse, Engelse en Schotse handelaren. De Hanzesteden dreven handel in het gebied van de Oostzee en de Noordzee. Het hoofddoel van de samenwerking was om een handelsmonopolie in Scandinavië te veroveren en handelsprivileges in de rest van Europa te verwerven. Door gezamenlijk te reizen en te handelen konden de gemeenschappelijke belangen beter worden verdedigd. Bovendien was het veiliger. De grote Hanzesteden, Gemeene of Principaalsteden genoemd, zochten voor de handel contact met kleinere dorpen en steden in hun achterland. Deze plaatsen waren de Bijsteden. In het huidige Nederland waren het vooral steden in het noorden en oosten die tot de Hanze toetraden. Deze stonden onder het landsheerlijk gezag van leenmannen van de Duitse keizer; de bisschop van Utrecht (Sticht en Oversticht) en de hertog van Gelre. De Overstichtse steden Kampen, Zwolle, Hasselt, Groningen, Deventer, en de Gelderse steden Zutphen, Tiel, Harderwijk en Nijmegen waren de belangrijkste ervan. Uit geschreven bronnen afkomstig van de Hanzedagen blijkt dat er ook andere steden uit Gelre tijdelijk tot de Hanze hebben behoord, zoals Doesburg, Arnhem en Hattem. Ook veel Friese steden traden tot de Hanze toe. Er traden slechts enkele Hollandse (Amsterdam) en Zeeuwse (Zierikzee) steden tot de Hanze toe. Al deze steden vielen onder het Westerkwartier van de Hanze, daarvan was Keulen de hoofdstad. Lübeck werd een basis voor handelaars uit Saksen en Westfalen, die zich oost- en noordwaarts verspreidden. Ruim voordat het woord Hanze in een document uit 1267 werd genoemd, werden er al gilden (of Hansa) gevormd, met handel met overzeese steden als doel, voornamelijk in de steden in het minder ontwikkelde oostelijke Oostzeegebied waar hout, was, barnsteen, hars, huiden en zelfs rogge en meel uit het achterland naar de havens werd getransporteerd. Deze steden zorgden voor hun eigen beveiliging in vorm van troepen die op de handelsschepen meevoeren. De verschillende hanzesteden kwamen elkaar te hulp met deze troepen. In de Oostzee was de hoofdstad van Gotland, Visby, de spin in het web, nog vóór de Hanze. De Duitsers voeren ruim honderd jaar onder de Gotlandse vlag naar Novgorod, waar de handelaren uit Visby een handelspost hadden gesticht, de Gotenhof. Omdat het aantal handelaren toenam, stichtten de Gotlanders een eigen handelspost voor de Duitse handelaren, de Peterhof, die later een van de hanzekantoren werd. Voor de oprichting van de Hanze in 1356, kwam het woord Hanze niet voor in het Oostzeegebied. De Gotlanders gebruikten het woord varjag. De Hanzegenootschappen lobbyden voor het verminderen van handelsbelemmeringen voor hun leden. Zo wisten de handelaren van de Hanzestad Keulen koning Hendrik II van Engeland over te halen om geen tol te heffen voor Londen. Zo verkregen ze vrije handel in Engeland. De "Koningin van de Hanze", Lübeck, waar handelaren goederen tussen de Noord- en Oostzee transporteerden, werd in 1227 een vrije rijksstad. In 1241 vormde Lübeck, de stad die toegang had tot de viswateren in de Noord- en Oostzee, een alliantie met Hamburg, dat de zoutroutes uit Lüneburg beheerde. Deze geallieerde steden verkregen de macht over de vishandel, voornamelijk op de vismarkt van Skåne. Keulen voegde zich bij hen na de algemene vergadering in 1260. Hendrik III van Engeland gaf de Hanze van Lübeck en Hamburg toestemming om in Engeland handel te drijven. Nadat Keulen zich in 1282 ook hierbij had gevoegd, ontstond de machtige Hanzekolonie in Londen. De grootste impuls voor deze samenwerking kwam door het zwakke centrale gezag van de Duitse vorsten, die faalden in het beschermen van de handel. In de daaropvolgende 50 jaar ontstond de Hanze door formele overeenstemmingen van verbonden en samenwerking, die de westelijke en oostelijke handelsroutes omvatten. Lübeck bleef de hoeksteen en bij de eerste algemene vergadering van de Hanze, kreeg de Hanze haar officiële structuur en was de oprichting een feit. De Hanze werd nooit een strak georganiseerd samenwerkingsverband. Vertegenwoordigers van de verschillende Hanzesteden spraken vanaf 1356 onregelmatig in Lübeck af voor een algemene vergadering, de Hanzedag. Nieuwe hanzekantoren werden gesticht in Brugge (Vlaanderen), Bergen (Noorwegen) en Londen (Engeland). Deze handelsposten groeiden uit tot belangrijke enclaves. Het Londense kantoor, gesticht in 1320, was ten westen van de London Bridge gevestigd, nabij Upper Thames Street (op dit perceel staat nu Station Cannon Street). Na verloop van tijd groeide het kantoor uit tot een ommuurde gemeenschap met eigen pakhuis, waag, kerk, kantoren en huizen, wat de schaal van de activiteiten goed weergeeft. De eerste referentie naar het gebied als Stalhof stamt uit 1422. Naast de hanzekantoren waren er ook individuele Hanzehavens die elk hun eigen afgevaardigde handelaar en pakhuis hadden. Voorbeelden hiervan in Engeland zijn Boston, Bristol en Bishop's Lynn (nu King's Lynn), waar het enige overgebleven Hanzepakhuis van Engeland te vinden is. Hanzevlaggen Onder Hanzevlaggen verstaat men de banieren van de Hanzesteden, die sinds de 13e eeuw aan de Koggen en andere schepen van de Hanze werden aangebracht. Een voorbeeld hiervan is te zien op een zegel uit Elbing (Duitsland) uit 1350. In eerste instantie gebruikte de Hanze egaalrode gonfalones voor haar schepen, die aan een mast met een kruis op de top werden bevestigd als teken voor de bescherming van de koning. Rood was ook de kleur van de Deense schepen; de Engelsen (die later het Sint-Joriskruis invoerden) gebruikten waarschijnlijk wit. Sinds de tweede helft van de 13e eeuw gingen de Hanzesteden ter onderscheiding onderling verschillende (meestal wit-rode) banieren gebruiken. De banieren werden meestal in verschillende vlakken verdeeld en er werden eenvoudige symbolen (zoals kruizen) op geplaatst. De rode gonfalon aan de mast bleef bestaan. Als de oudste Hanzevlaggen geldt de egaalrode van Hamburg. Andere steden die eigen Hanzevlaggen hadden, waren onder meer Riga, Lübeck (13e eeuw), Stralsund, Elbing, Gdańsk (Danzig), Bremen, Rostock (14e eeuw), Koningsbergen, Wismar en Stettin (15e eeuw). Op deze banieren zijn veel huidige stadwapens en -vlaggen gebaseerd. Daarbij wordt ook rood met blauw en wit met geel gebruikt. Er was ook een wimpel voor aan de scheepsmast, de zogeheten "Hanzewimpel". De bovenste helft hiervan was wit (zilver), de onderste rood. Hanzekantoren Een hanzekantoor (Duits: Hansekontor of kortweg Kontor, van het Franse comptoir, "handelspost") was in de middeleeuwen een vestiging van Hanzekooplieden in het buitenland. In het Duits werd het begrip Kontor voor het eerst in de 16e eeuw gebruikt. Daarvoor werd van Haus of Hof gesproken. Zo heette het hanzekantoor van Novgorod Peterhof. De naam kontor werd tot in de 19e en de 20e eeuw zeer vaak voor kantoren van kooplieden gebruikt. Het hedendaagse Duitse woord voor kantoor is Büro, maar met name in oude Hanzesteden zijn er nog traditionele bedrijven die het woord Kontor gebruiken. Hanzekantoren bouwden een (kooplieden-)stad in de stad en hadden vanaf het begin een eigen rechtspraak. Zo kozen de kooplieden van een hanzekantoor zogenaamde Ältermänner (ook comes hansae, Oldermann of Aldermann), die het toezicht over de kooplieden van het kantoor hadden. Later werden de statuten en reglementen van de hanzekantoren vooral centraal in Lübeck geregeld. Naast talloze andere handelsposten (de zo genoemde factorijen) had de Hanze vier hanzekantoren. Dit waren: het Hanzekantoor van Brugge (later verplaatst naar Antwerpen) Tyskebrygge in Bergen Peterhof in Novgorod Stalhof in Londen Tyskebrygge is het enige bewaard gebleven hanzekantoor. De Novgoroder Schra is de enige volledig bewaarde verzameling bepalingen over de interne reglementen van de vier hanzekantoren. Betaalmiddel Door de evolutie van de economie, mede door de Hanze, kwam er vraag naar een beter, veiliger en gestandaardiseerd betaalmiddel. Nadat in de 12e eeuw de goudhandel met de Arabische wereld op gang was gekomen, begonnen Italiaanse handelaars goudstukken te slaan. Met deze goudstukken waren grotere transacties mogelijk, met name omdat het vertrouwen in de waarde van het zilvergeld onder druk stond. Bij het gewone volk bleven de kleine zilverstukken populair; de muntheren voegden daarom steeds meer andere metalen aan het zilver toe waardoor ze meer muntstukken konden slaan, maar ook de waarde onduidelijk werd en afnam. Soms werd er dermate veel 'exotisch' metaal toegevoegd dat de munt zwart werd (daar zou de uitdrukking zwart geld vandaan komen). Doordat er nu veel verschillende soorten, maten en waardes van de verschillende muntstukken door elkaar circuleerden ontstonden er grote boekhoudkundige problemen voor de Hanzesteden. Als oplossing werd een soort wisselkoers bedacht, waarbij de waarde van het aangeboden geld werd gerelateerd aan een 'rekenmunt'. Een andere oplossing was het opstellen van een notariële overeenkomst die een combinatie van een lening en een wissel was. Deze wisselbrieven waren overdraagbaar wat betekende dat ze een ideaal betaalmiddel waren voor de internationale handel. De wisselbrieven zorgden voor de oprichting van banken en waren de voorlopers van de huidige cheque en het papiergeld. Dit gestandaardiseerde betaalmiddel werd echter weinig gebruikt. In de vijftiende eeuw ontstond er een tekort aan edelmetalen. Deze belemmeringen van de handel droegen mede bij aan de ondergang van de Hanze. Trots op verleden Hanze Ondanks de ondergang zijn er nog steeds steden die trots zijn op hun verbintenis met de Hanze. De Nederlandse steden Zwolle, Kampen, Deventer, Zutphen, Harderwijk, Oldenzaal, Groningen en de Duitse steden Bremen, Demmin, Greifswald, Hamburg, Rostock, Lübeck, Lüneburg , Stralsund en Wismar noemen zichzelf nog steeds "Hanzestad". Lübeck, Hamburg en Bremen staan zelfs nog steeds officieel te boek als "vrije en Hanzesteden". Rostocks voetbalvereniging heet dan ook F.C. Hansa Rostock. Voor Lübeck bleek deze connectie met de Hanze zelfs in de twintigste eeuw nog belangrijk. In 1937 namen de nazi's de stad Lübeck het Hanzeprivilege af toen de senaat van Lübeck weigerde Adolf Hitler toestemming te geven in hun stad te spreken tijdens zijn verkiezingscampagne. Hij verplaatste zijn speech naar Bad Schwartau, een klein dorp bij Lübeck. Tijdens zijn speech refereerde hij aan Lübeck als "een klein dorp vlak bij Bad Schwartau". Schepen van de Hanze - de Kogge Omdat een groot deel van de handel over zee werd getransporteerd waren er verschillende schepen in dienst van de Hanzesteden. Speciaal voor het vervoer van goederen is hiervoor onder andere een nieuw scheepstype ontworpen, de kogge. Een kogge heeft een groot laadruim van ca. 200 ton en is gebaseerd op een knarr. Wanneer een schip vis naar Frankrijk had gebracht, nam het zout mee terug om op de thuisbasis weer vis mee te kunnen pekelen, zo ging er geen laadruimte verloren. Om de handel te beschermen waren er ook enkele oorlogsschepen in dienst. Adler von Lübeck Zoals de naam al doet vermoeden was dit zestiende-eeuwse oorlogsschip in dienst van de Hanzestad Lübeck. Het was destijds het grootste schip ter wereld met zijn lengte van 78,30 meter en waterverplaatsing van ca. 2000 ton. Het schip werd ook wel Der Große Adler of Lübscher Adler genoemd. Het schip werd gebouwd tijdens de Zevenjarige Oorlog om de handel van de Hanze op de Noord- en Oostzee te beschermen. Het schip is nooit in actie gekomen omdat de vredesonderhandelingen tussen Lübeck en Zweden al in volle gang waren toen het schip werd voltooid. Na het Verdrag van Stettin (Szczecin) (1570), die de Zevenjarige Oorlog beëindigde, is de Adler omgebouwd voor het vervoer van goederen. In 1588 is het schip uiteindelijk ontmanteld. Peter von Danzig De Peter von Danzig, ook wel Dat grote Kraweel genoemd, was de eerste grote karveel in de Oostzee ten tijde van de Hanze. Het schip werd aan de Franse westkust gebouwd als Pierre de la Rochelle en vervoerde zeezout van de Atlantische Oceaan naar Danzig alwaar het in 1462 door een storm ernstig beschadigd arriveerde. Daardoor lag het schip een tijd lang in de haven om uiteindelijk, vanwege de oorlog tegen Engeland, omgebouwd te worden tot oorlogsschip. Onder leiding van kapitein Paul Beneke maakte het schip, met een kaperbrief, tussen 1471 en 1473 jacht op Engelse koopvaarders. Na de Vrede van Utrecht (1474) werd het nog gebruikt voor enkele handelsreizen om uiteindelijk aan het eind van het decennium ontmanteld te worden. Bunte Kuh De Bunte Kuh was een vermoedelijk in Vlaanderen gebouwde kogge. Het schip, in 1401 het grootste schip van de Hanze, leidde de klopjacht op zeerover Klaus Störtebeker. Met succes, Störtebeker werd in datzelfde jaar in Hamburg onthoofd.
de Hanze - de Kogge
Nederlandstalige kaart van de verschillende grote en kleine Hanzesteden en de handelsroutes (15 van de 24).  Auteur: Doc Brown eigen werk (own work) + Base map from: File:Europein1328.png by Afterword. Lübeckse gulden uit 1341. Foto:  Saharadesertfox Een Lüneburgse Wendentaler uit 1541. Bookscan by Herrick. Reconstructie Kampener Kogge, hier te zien in de Bremerhaven, Duitsland, 2008.  Foto: Garitzko

 Museum JoCas

de Hanze- de Kogge